Voor alle duidelijkheid: mijn vader is nooit lid geweest van de SS, heeft nooit gecollaboreerd met de duitsers en heeft ook verder nooit iets gedaan waarvoor hij gestraft zou hebben moeten worden.

Bevrijding.

Vijf en twintig October, negentienhonderd vierenveertig. Het was vroeg donker die avond. De elektriciteit was afgesloten. Het schieten buiten, had min of meer opgehouden. De granaten, die nog door de lucht gierden, waren voor het Noordoosten van het dorp bestemd. Daar zouden nog een twintigtal Duitsers zitten. Hier bij ons aan het Klompven was het duidelijk niemandsland. Ik ging vroeg slapen; morgen kon het wel eens een drukke dag worden.

Heel vroeg in de morgen begon het schieten weer in alle hevigheid De Engelsen of Canadezen stonden ergens ten Zuiden van Oisterwijk bij het gehucht Spoordonk en stonden gereed om ons dorp te bevrijden. Onophoudelijk scheurden granaten over ons heen, om dan ergens in het Kerkeind neer te komen. In de buurt van Udenhout stond wat Duitse artillerie en gaf tegenvuur. De bewoners van het Klompven namen het zekere voor het onzekere en kropen in de Duitse schuilkelder op het terrein van het hotel Bos en Ven. Deze schuilkelder was erg solide. En gaf plaats aan alle bewoners van de wijk. Ook onze familie had daar een veilig heenkomen gevonden. Zo zaten de mensen van het Klompven de Bevrijding af te wachten. Ik kon niet in die donkere pijp blijven en liep met mijn B.D.L. helm op langs de verschillende landhuisjes en villa’s om te zien of er nog bewoners waren achtergebleven. Op de Klomp, een villa waar twee oudere dames woonden, keek ik door de ramen naar binnen. Deze twee oudere vrouwtjes miste ik nog in de schuilkelder. Ik zag ze zitten, bevend van angst, onder de keukentafel; beiden hadden een koffertje op hun schoot. Eigenlijk wilden ze helemaal niet naar de schuilkelder. Beide dames stonden bekend als sympathisanten van de N.S.B. en hadden de Dolle Dinsdag meegemaakt. Ze vreesden een tweede roof- en plundertocht van de Ondergrondse en andere roofzuchtige elementen. Ze wilden maar liever in hun huisje blijven en hun eigendommen beschermen. Toch lukte het mij, deze twee vrouwtjes naar de veilige schuilkelder te loodsen, door hun te vertellen, dat ze voor diefstal voorlopig niet bang hoefde te zijn. De toestand was nu zo paniekerig, er werd zo hevig en veelvuldig geschoten, dat zelfs de meest heldhaftige Verzetsman veilig weggedoken zat en pas te voorschijn zou komen, als het weer wat rustiger werd. Dus gingen ze dan maar met mij mee, naar de veilige schuilkelder bij het hotel Bos en Ven. Het was niet ver, maar toch was het nog een hele tour, om die twee mensjes daar heen te brengen. Bij elke granaat, die over ons heen scheurde, lieten zij zich plat op de grond vallen en ik wachtte dan maar gelaten af, hielp ze weer overeind en dan maar weer verder.

De schuilkelder begon al aardig vol te raken met vriend en vijand, pro’s en Mevrouw Jansen, onze buurvrouw, zat zenuwachtig met mijn moeder te praten. De buurman zelf, zag er geen heil in om in die overvolle kelder te zitten en stond tegen de voorgevel van zijn huis angstig in de lucht te staren. Een jongere broer van mij, die ergens tegen Spoordonk aan, bij een boer werkte, kwam op de fiets naar ons toe. Hij wou weten hoe het thuis ging. Een troep Engelsen of Canadezen, stonden met hebben en houwen bij zijn boer op het erf en de boer, boerin, de kinderen, het vee, de hond, de kat en de kippen, waren dus bevrijd, wist hij ons te vertellen.

Onze San had een schaal zult en een paar boerenbroden meegebracht. Een welkom geschenk. Ik zocht de grootste pan op die we in huis hadden en begon op het fornuis een soepje te brouwen voor de hongerige mensen in de schuilkelder. Hoofdbestanddelen: Water, de schaal zult en de twee boerenbroden in brokken in die hete brei en nu maar laten sudderen en broebelen. En dat allemaal met de helm op, want de projectielen bleven over My Home gieren, zo dat de vensterruiten stonden te trillen. Baas Jansen kwam door de achterdeur binnen. Voor de soep had hij geen belangstelling. Hij wou op de fiets het dorp in, om te zien wat er allemaal gebeurd was en nog te gebeuren stond. De ouwe kerk zou beschoten zijn en nog veel andere gebouwen. Hij moest en zou dat met eigen ogen gaan bekijken. Hij had rust nog duur, hoe ik ook praatte over de grote gevaren van nu in het dorp te gaan. “Harrie, wacht nog een half uurke dan ga ik met je mee. Eerst die soep naar de schuilkelder brengen. En laat die fiets thuis. Als er zo’n granaat aan komt stuiven en gij zit op de fiets, kunde niet gauw genoeg in dekking gaan en gij met uw lang lichaam bent een mooi doelwit!”

Maar het hielp allemaal niks. Hij wou nu, stante pede, naar het dorp en of ik aan zijn vrouw in de schuilkelder wilde gaan vertellen, dat hij eventjes weg was. Met de pan soep en alle lepels die ik vinden kon, marcheerde ik weer terug naar die bunker. En de soep, mijn soep, was welkom; maar ik kwam lepels te kort. Dus per familie een lepel en zo moesten ze die soep maar opslobberen. Mijn oudste broer Jan kwam de schuilkelder binnenstuiven. Ook hij was nieuwsgierig naar het wel en wee van vader, moeder en de verdere familie. Dan zag hij. mij achter de soeppan staan. “Zeg Sjef,alle oud-huzaren worden weer opgeroepen; wij moeten weer in dienst, maar ik heb ze in het dorp bezig gezien; ze halen allemaal mensen op die bij de W.V.A of de Duitsers gewerkt hebben. Met de handen omhoog moeten ze mee en een stelletje snotneuzen, met een geweer in de aanslag, lopen er achter. Maar als dat zo moet, kunnen ze verrekken, dan doe ik nie mee. Dan blijf ik maar naar den Bels gaan, toeback halen!” Nu mijn broer gezien had, dat met ons alles in orde was, verdween hij weer. “Waar is onze Harrie?” wilde mevrouw Jansen ineens weten, “heeft iemand onze Harrie gezien?” “Ja die is efkens het dorp in; hij wilde weten wat er allemaal gebeurd is. Hij vroeg mij, of ik dat tegen jou vertellen wilde”, riep ik naar de buurvrouw.

Er ontspon zich een gesprek tussen de aanwezige vrouwen. Thema: Mannen bleven toch altijd maar kinderen en konden nou nooit eens ernstig zijn. Mijn moeder vond dat ook en daarmee bedoelde ze mij, omdat ik ook meteen weer weg was en geen minuut langer als noodzakelijk in die veilige schuilkelder blijven wou. Bij de ingang kwam iemand naar binnen, waardoor het weer donker in dat hol werd. Of ik even naar buiten wou komen! “Waarom ik?” vroeg ik verbaasd en liep naar de ingang. Buiten stonden twee figuren, mij vagelijk bekend als ondergrondse of verzetsfiguren en ik had ze nogal dikwijls bij onze buren gezien. Wat zouden die van mij willen? Zij vertelden mij fluisterend dat Harrie Jansen, onze buurman, in het dorp door een granaat was getroffen en op slag dood was. Of ik dat maar eventjes aan Mevrouw Jansen wou vertellen, die hier toch in deze schuilkelder zat. En weg waren ze weer.

“Konden zij dat zelf niet doen?” God nog aan toe, Harrie dood en nog geen half uur geleden stond hij nog met mij te praten. Ik had het hem nog zo afgeraden. Eerst ging ik terug naar huis, maar bij het poortje moest ik toch even stil staan. Nog altijd kon ik het niet bevatten: “Harrie Jansen, onze buurman zou dood zijn!? Was ik toch maar met hem mee gegaan, misschien leefde hij dan nu nog. Allemaal vragen en ik zou dat aan mevrouw Jansen moeten gaan vertellen. Dan maar weer terug naar die schuilkelder. Niemand wou er al uit. Nog altijd gierden en scheurden de projectielen door de lucht, allemaal over ons heen, naar het dorp toe. Hotel Bosch en Ven moest zeker gespaard blijven. Als hoofdkwartier voor de Engelsen en/of Canadezen, zoals het bij de Duitsers vier jaar lang hoofdkwartier voor een of ander belangrijk onderdeel was geweest. “Zeg Sjef, waar blijft onze Harrie toch?”, wilde mevrouw Jansen weten. “Ik weet het niet”, loog ik, “hij zit in het dorp en kan geen kant meer uit; hij moet nu wachten totdat de Engelse ook dat stuk veroverd hebben!” Ik liep de bedompte schuilkelder weer uit. Ik vond het te moeilijk om dat wat mij opgedragen was, aan mevrouw Jansen te vertellen. In stilte hoopte ik dat er iemand anders zou komen, die dat rottige bericht er uit zou flappen, dan was ik er af. Maar er kwam niemand. Zenuwachtig liep ik de schuilplaats in en uit, van en naar My Home, van hot naar her en was totaal de kluts kwijt. Nog altijd kwam het mij zo onwaarschijnlijk voor; “Mijnheer Jansen, onze buurman zou dood zijn!” Toch maar weer eens in die bunker gaan kijken. Het leidmotief was nu: “Waar blijft mijnheer Jansen, waar blijft onze Harrie?” Lenie, een van de drie dochters van mijnheer Jansen, wou mij naar het dorp sturen, om haar vader terug te gaan halen, maar ik loog en fantaseerde verder. “jullie papa heeft een klein ongelukske gehad; hij is gewond aan zijn been, maar straks als het wat rustiger is geworden, wordt hij door het rode kruis naar huis gebracht!” Het werd geloofd, maar nu wilden men weten of zijn been, benen, waren afgeschoten. Toemaar, overdrijf maar, fantaseer maar verder, des te minder is de schok, als de waarheid straks bekend wordt. Ook Mia, de oudste dochter, wou mij naar het dorp hebben en ze wou zelf meegaan. “Nee Mia” protesteerde ik, “daar kunnen ze op het ogenblik geen zoekende meisjes gebruiken. Er zijn zoveel doden en gewonden; ik geloof niet dat gij daar te gen zult kunnen. Blijf maar rustig hier, straks weten we precies wat er allemaal gebeurd is. “Is het dan zo erg in het dorp?”

“Ja Mia, “zuchtte ik, “er is iets heel ergs gebeurd, bereid je maar op het ergste voor. “En dan begreep ze het en hing wenend om mijn hals. “Maar Sjef toch, dat kan niet waar zijn; dat mag niet waar zijn!” snikte ze. “Toch is het zo, Mia. Ga jij het aan jouw moeder vertellen. Ik moet dat eigenlijk doen, maar ik heb er de moed niet voor!” en rende de schuilkelder uit. Straks zouden er vier wenende vrouwen om mijn hals hangen en daar voelde ik niets voor. Die bunker ging ik niet meer in.

Het schieten met het zware geschut had opgehouden en de dapperste onder de tijdelijke bewoners van die schuilplaats hadden het wel gezien en keerden. naar hun huis terug. Ook ons moeder met haar kroost. Mevrouw Jansen zat met haar drie dochters bij ons in de voorkamer uit te huilen. Ik stond naast het huis en dacht aan onze buurman. Dat hij nu dood was, zo plotseling, kon ik nog niet helemaal verwerken.

De eerste Engelse of Canadese tanks ratelden ons huis voorbij. Ze kwamen van de oostelijke kant van het villapark aanrollen en ik probeerde in gedachte hun marsroute vast te stellen. De Duitsers waren volgens mij verdwenen. Misschien zaten er nog een stuk of wat in het Noordwesten van het dorp. In eenmans gaten, met een mitrailleur, wat handgranaten en een karabijn. Veel waren het er in elk geval niet. Dit zou een mooie taak voor de ondergrondse geweest zijn, na te gaan hoeveel het er waren en waar ze precies zaten. Dat konden ze dan aan de Engelsen doorspelen, om zo onnodige beschietingen en vernielingen te vermijden. Aan het materiaal te zien, dat nu voorbij rolde, rekenden de Engelse met een grote weerstand. Maar die was er in werkelijkheid niet. Waar bleven al die verzetshelden eigenlijk? Mijn moeder kwam mij waarschuwen dat ik mij moest gaan verkleden, want straks zou er een rouwdienst gehouden worden in de nieuwe kerk aan de Lind. Voor onze buurman en alle andere tijdens de bevrijding omgekomen dorpelingen en bij die rouwdienst werd ik ook verwacht. Het was nu vier uur en wij waren bevrijd.

En ineens, kwam de agent van politie, de heer Berkers, bij ons over het tuinhekje gesprongen. Het ongeveer tien meter verdere ingangspoortje, werd in de snelle actie, als een strategische hindernis gezien en niet benut. Met een hatelijke en triomfantelijke grijns op zijn gezicht, kwam hij in volle draf op mij toe, trok met de linkerhand een grote gele enveloppe uit zijn koppelriem. In de rechterhand had hij een groot kaliber pistool en hij brulde mij toe: “In naam der Koningin, handen omhoog, gij zijt gearresteerd!” “Is die nou al terug; dat is rap!” antwoordde ik laconiek en keek achter mij, want daar hoorde ik iets en ik keek pardoes in een geweerloop, die pal op mijn hoofd gericht was. Die blonde verzetsman, met dat grote geweer, kende ik toch, dat was ene Richard, die ondergedoken was, bij een broer van mijn kompaan Willy Robben. Maar daar was er nog een om het huis heen geslopen bij die snelle actie. Berkers was mij van voren benaderd, wel met een pistool natuurlijk en twee anderen waren om het huis heen gelopen om mij van achteren onder vuur te nemen. Dat tweede baasje kwam mij ook vagelijk bekend voor, hij had ook een grote revolver in de ene hand; in de andere een handgranaat. Dus deed ik dan maar wat van mij zo nadrukkelijk verwacht werd en stak de beide armen aarzelend omhoog. Moeder kwam ook om het huis heen, keek de agent vernietigend aan en zei: “Drie van die snotneuzen hier in onze tuin, maar gij”, en daarbij wees ze op de dorpsagent, “gij zijt weI de grootste snotneus!” Met een woeste zwaai van zijn pistool vaagde hij mijn moeder weg Mijn toesnellende zuster kon haar nog juist opvangen. Het werd een heel drama. Mijn zuster Truus schuimbekte van woede en stoof op de blonde verzetsheld toe en begon met beide vuisten op de Engelse baret te trommelen, die Richard zo fier op zijn hoofd had. De derde knaap begon mijn zuster weer te schoppen en dat moest ik allemaal lijdelijk toezien, want die dorpsagent stond nauwkeurig met zijn pistool op mij te mikken. Het beste was maar, om ongelukken te voorkomen, met dat tuig mee te gaan.

“Mag ik ons moeder nog even goeiendag zeggen?” vroeg ik, maar het antwoord was een schop onder mijn kont, zodat ik tegen het strategische tuinhekje aanvloog. Al dat wapentuig van het edele drietal deed mij toch moeizaam over dat haagje klauteren. De bevrijdingsstoet zette zich in beweging. Voorop liep de fiere agent, met een grote Oranjestrik op zijn politie-uniform. Naast mij de twee verzetshelden, met pistool, karabijn en handgranaten. Sinds het binnenrollen van de eerste Engelse tanks waren ze toch wel heel dapper geworden. En ik met de handen omhoog daar tussen. God wat was ik kwaad, razend en ziedend; ik kon ze wel naar de keel vliegen en hun strot doorbijten.

Tot in het dorp toe kwamen wij niemand tegen. Alles en iedereen was bezig met het vaststellen van de schade door dat artillerieduel en voorlopige noodreparatie’s aan te leggen. Uit den Boogaard kwam Jantje Laak aansukkelen met een kruiwagen. Op de kruiwagen lag vader Laak met een zwaar omzwachteld been en het bloed droop uit het noodverband. “Wat een ellende” dacht ik bij me zelf, “en wat zou er allemaal nog meer gebeurd zijn in ons dorp? Ik vergat mijn eigen leed en werd wat rustiger.

Op de Lind stonden een paar jonge kerels en toen ik daar met de handen omhoog onder bedreiging van al dat schiettuig, voorbij marcheerde keken ze toch wel erg verbaasd op. Ik zag als het ware levensgrote vraagtekens boven hun hoofden verschijnen. Ze begonnen zich af te vragen of dit was wat ze verwacht en gehoopt hadden, Op de Lind ging de agent Berkers ons verlaten. Hij had een lange lijst van mensen die vandaag nog opgehaald moesten worden. Richard bleef bij mij, maar het andere knaapje ging met de agent mee. Dus marcheerde ik verder, met de blonde Richard op mijn hielen. Dat marcheren met de armen omhoog begon aandacht te trekken en die aandacht was niet altijd even positief. Richard kreeg het er maar moeilijk mee. Hij was nu alleen met zijn gevangene met maar een geweer. Straks waren dat nog drie mannen met twee pistolen, een geweer en handgranaten. “Doe de armen maar omlaag!” commandeerde hij onzeker. “Gij kunt verrekken lafaard; iedereen in het dorp mag gerust zien, dat ik door jouw, onder bedreiging van een vuurwapen wordt opgebracht!”. Demonstratief hield ik de beide armen omhoog. Waar ik eigenlijk naar toe gebracht werd, wist ik nog niet, maar in de kerkstraat, bij de nieuwe fraterschool was een geweldige oploop. Voor de stenen boog, de ingangspoort, stonden nog een paar van die nieuwbakken soldaatjes. Twee er van kende ik wel. Poesje Toemen was nummer een en hij was potsierlijk gekleed. Eigenlijk nog helemaal in burger, maar als bewijs van zijn soldaat zijn had hij een brede Oranjeband om de rechterarm en een grote Engelse legerpet stond boven op zijn eigenwijze kop. Die pet was hem zeven maten te groot, maar door hem helemaal achter op zijn kop te zetten, bleef dat militante hoofddeksel toch min of meer op zijn plaats. Evert Dominicus, nummer twee, had een paar Wehrmacht-stiefel aan. Daar boven uit kwam zijn burgerbroek, zijn colbertjasje en over dit jasje had hij een Duitse koppelriem strak aangehaald. “Gott mit uns!” Ook hij had de brede Oranje band om de rechterarm. Het hoofddeksel van Evert was zijn normale, vettige burgerpet, schuin op het hoofd. Natuurlijk hadden beide mannen een groot Duits geweer over de schouder hangen. Zonder dat zou de show maar half zo mooi zijn geweest.

Overal vandaan kwamen verzetsmannen met buit naar het school gebouw toe. Dikwijls werd de zo juist gearresteerde man, vrouw, jongen of meisje onder luid protest van de bijbehorende familie leden vergezeld. Schimpscheuten en verwensingen vlogen over en weer en de echte Oisterwijkse verzetsman had het er maar moeilijk mee om collaborateurs, N.S.B ers, blauwe wachten, moffenmeiden en verder tuig te moeten arresteren en opbrengen. De niet-Oisterwijkse verzetshelden hadden daar minder moeite mee De tolerantie die ze zowel bij vriend als vijand in ons dorp tijdens de bezetting hadden ondervonden, liet ze volkomen koud. Ze arresteerden voor de vuist weg. Pastoor van Kemmenade van de oude kerk, de Sint Petrus Banden, stond in zijn zondagse toog met nog enkele dorpsnotabelen bij die poort,een geweldige Oranje strik op zijn buik en een dikke “Huifkar”-sigaar in het hoofd. Steeds als er nieuwe gevangenen werden binnen gesleurd, werd er door dit elitegroepje luid geapplaudisseerd.

De weer moedige Richard, nu hij in de buurt van zijn gewapende kameraden was, duwde de geweerloop in mijn rug en wees mij zo de weg onder de poort door. De pastoor van Kemmenade stak zijn sigaar in zijn mond om beide handen vrij te hebben, want nu, voor mij, moest er luid geklapt worden. Dit was een van die voor mij moeilijk te verteren brokken. Die pastoor kende mij niet en ik hem nauwelijks. Waarom moest hij dan als vertegenwoordiger van Christus (God is liefde) zo enthousiast te keer gaan bij het binnen sleuren van mij en al die andere gevangenen? Maar voor me, boven de speelplaats, op het eigenlijke schoolgebouw, stond een groot, kleurig tegelmozaïek, voorstellende de Heilige Johannes de Doper, ook met beide armen omhoog. En dat verzachtte mijn lot toch enigszins.

Er heerste grote bedrijvigheid in en om dat schoolgebouw. Oudere en kersverse verzetshelden liepen gewichtig en dapper rond, natuurlijk allemaal gewapend want dat was wel de grote attractie. Toen schrok ik. Bij de grote deur, die in het gebouw voerde, stond mijn vriend Janus van de Wiel, op wacht met een groot Duits karabijn. Eigenlijk was het wel te begrijpen. Alle oud-militairen waren per decreet opgeroepen en mijn vriend was ook soldaat geweest. Ik werd binnengeduwd door het geweer van Richard. Janus zag mij en werd spierwit. “God Sjef, wat doe-de gij hier!?” Maar mensen, die nu een wapen droegen, waren, vond ik met mijn trotse kop, mijn vrienden niet meer en ik keek hautain en minachtend naar mijn vriend. “Sjef!” Mijn trouwe vriend was helemaal van de kook. Ik werd verder geduwd door het geweer van Richard. Toch keek ik van uit mijn ooghoeken naar mijn niet begrijpende kameraad. Janus schudde vertwijfeld met zijn hoofd, dan nam hij met een resoluut gebaar het geweer van zijn schouder, smeet het over het schoolplein, stak zijn handen in zijn jekker en liep met grote passen over de speelplaats, richting uitgang en verdween. Op de school heb ik deze Vriend nooit meer terug gezien.

In het schoolgebouw was het enorm bedrijvig. De vroegere eerste en tweede klas waren nu respectievelijk Wachtlokaal en Bureau. In het wachtlokaal zetelde de gewone man, het wachtbataljon dat dit gebouw en de gevangenen bewaken moest. In de tweede klas zetelde het Commando, het brein, het “Millitair” Gezag. In originele papieren uit die dagen, betreffende het Militair Gezag, was “Millitair” inderdaad met twee Ls geschreven. De derde klas, ook gelijkvloers, was de afdeling voor vrouwelijke gevangenen. De vier andere klassen op de eerste verdieping waren voor de mannelijke gevangenen. In het Bureau was de ophaaldienst georganiseerd. Eerst moest ik naar dat bureau om voorgeleid te worden. Daar zou men mij de reden waarom ik opgehaald was wel duidelijk maken, hoopte ik. Die tweede klas was nagenoeg leeg op een groot schrijfbureau na, waarachter drie mannen zaten. De heer Kruitwagen, de heer Konijn, een ondergedoken jood, die nu weer te voorschijn was gekomen en in hun midden, de nog zeer jonge heer Mutsearts uit de Heisteeg van de villa het Mastendolleke. De nog zeer jonge heer Mutsaerts was gekleed in een buitenmodel officierstenue van het voormalige Nederlandse leger, compleet met twee sterren op de kraag en het lederen bokkentuigje losjes om de schouders. Maar dat kon toch niet! Dit baasje was toch veel te jong om toen al, vier jaar geleden, eerste luitenant bij het leger geweest te zijn. Misschien het uniform van de heer Mutsearts Sr, dat hij dan maar aangetrokken had. Ik moest voor dit Snotaapje komen staan en zag de hoog oplaaiende wraakgevoelens op dat jonge snuitje duidelijk zichtbaar worden. Ik begreep nu, waarom ik opgehaald was. Maar voor alle zekerheid toch maar even vragen. “Waarom ben ik onder bedreiging van wapengeweld hierheen gebracht?” Dat was toch wei het toppunt van brutaliteit. De eerste luitenant sprong omhoog, zijn stoel viel om en met beide handen op het bureau geleund kwam hij vlak voor mijn gezicht en keek mij woest, wild en vernietigend aan. Nu zag ik dat het uniform hem inderdaad veel te groot was. Toen die beide armen op het bureau rustten, zakten de te lange mouwen als een trekharmonica omlaag. Ook de militaire kraag was veel te wijd en gelukkig maar, want het ventje liep rood aan en zou, vermits dat buitenmodelletje op maat was geweest zeker gestikt zijn. “Breng deze landverrader naar kamer vijf!” brulde hij schor. Terwijl ik door Richard, met behulp van de geweerloop, naar kamer vijf werd gedirigeerd, dacht ik na, over dat woord “Landverrader”. Om een of andere reden vergeleek ik de villa “Het Mastendolleke” met het Vaderland, dat ik dan verraden zou hebben.

Op kamer vijf, al propvol met arrestanten van het Militair Gezag, werd ik met een luid “Waarom gij ook?” verwelkomd. Al de aanwezigen waren in de loop van de dag opgehaald en hier opgesloten. Ik kende ze zowat allemaal. Blauwe Wachters, chauffeurs van de W.V.A, een kastelein uit een berucht Duits kroegje, een paar eenvoudige arbeiders, die lid geweest waren van het Nederlandse Arbeidsfront, een paar N.S.B. ers. Verder mannen, die tijdens de bezetting iets gedaan hadden, wat het verzet mishaagde en nu de rekening gepresenteerd kregen.

In onze kamer zaten alles bij elkaar zo’n veertig mensen. Dan was er nog kamer drie (vrouwelijke gevangenen), kamer vier, zes en zeven. Al deze klaslokalen, kamers, zouden goed vol zitten. Een drukke dag voor de verzetshelden om al deze mensen op te halen en hier gevangen te zet ten. Er konden er nog altijd meer bij. Kamer zes was de “elite” klas. Daar zat de betere burgerij en nummer een was Arnold Meyer. Leider van het vooroorlogse “Zwart-Front”, het latere “Nationale Front” totdat het in een en veertig door de bezetter verboden werd. “En die hebben ze ook opgehaald, en die en die en die zit nu op kamer vier of kamer zes of zeven!” wisten ze mij te vertellen. Het warrelde in mijn hoofd en ik kon het allemaal niet meer bij houden.

De klassedeur ging opnieuw open en er werd weer een nieuwe gevangene binnen geschopt. Ik kende deze man wel, Piet Brands. Hij woonde naast mijn tante Bertha, aan het Kerkeind. Piet was getrouwd, had twee kinderen; een van vijf en een van drie jaar oud. Eigenlijk was Piet maar een onopvallend iemand. Een goede huisvader, gek op zijn vrouw en kinderen. Maar hij had bij de W. V.A. gewerkt, als chauffeur, dat wel. Piet was helemaal versuft, hij begreep nog altijd niet wat er eigenlijk gebeurde. De hele nacht had hij in de schuilkelders gezeten, want het Kerkeind had afwisselend, dan onder Duitse granaatinslag, dan weer onder Engelse bombardementen gelegen. Het was een grote puinhoop geworden, maar dat was Goddank, allemaal voorbij. Toen was het verzet, het Militair Gezag, gekomen en Piet Brands werd als de grootste misdadiger, met de handen omhoog door deze heren opgebracht. Zijn vrouw was verschrikkelijk te keer gegaan, maar zij was door die helden geschopt en geslagen. Er werd haar gedreigd, dat als ze niet rustig bleef, haar haren, midden op de Lind, in het openbaar kaalgeschoren zouden worden. En nog meer van die fraaie bedreigingen. In deze overspannen toestand moest Piet mee en zijn vrouw zo ongetroost, achterlaten.

Als een mechanische pop bleef Piet met zijn beide armen omhoog staan, ook toen de wrekende gerechtsdienaren al lang weer op zoek naar andere schuldigen waren. Buiten werd er steeds geknald en geschoten. Het schoolgebouw had aan de achterzijde een blinde muur. Vroeger werden daar de schoolbordwissers op uitgeklopt, maar vandaag gebruikte het verzet, het Militair Gezag, deze muur als schietschijf. Vooral de zeer jonge knaapjes, die nog nooit met een echt geweer geschoten hadden, vonden het machtig interessant. Toen ik op kamer vijf gebracht werd, had ik ook even naar buiten gekeken en had gezien, hoe een dergelijk broekventje uit de handen van de heer Kruitwagen een echt Duits karabijn gekregen had, met munitie. Dat was allemaal leuk en aardig, maar de heer Kruitwagen had vergeten te vertellen, hoe die munitie in dat geweer gebracht werd. Misschien wist hij het zelf ook niet? Het knaapje probeerde de patronen van boven, door de loop, in het geweer te krijgen. En deze deskundigen moesten ons bewaken!?

Nog altijd stond Piet daar, met de armen omhoog, helemaal in de war, maar door dat onophoudelijk schieten buiten, tegen die blinde muur, schrok hij wakker. “Wat is dat allemaal, dat schieten buiten?”, vroeg hij hysterisch. “Och das niks Piet, we worden allemaal, een voor een, omlaag geroepen, veroordeeld en dan “Pang” tegen de muur. Afgelopen. Uit. Amen!’ Hij dacht dat het waar was wat die grappenmaker daar vertelde en viel luid snikkend, op een bos stro in de hoek van de klas.

En altijd maar door werden er mensen binnengebracht. Soms belandde de nieuwe arrestant in kamer vijf en aan hem werd dan gevraagd, wat er zo allemaal in ons dorpje gebeurd was, de laatste halve dag. De pas aangekomene moest eerst even wennen; eerst even tot zich zelf komen. Als hij dan na vijf minuten plotseling begon te God-feren en op dat “tuig” begon te schelden, dat hem hierheen had gesleurd had, wisten wij dat onze nieuwe man geacclimatiseerd was in onze kamer vijf.

Buiten aan de poort werd weer hevig geklapt en geruzied. Alweer een arrestatie die bij de ene kant als gerechtvaardigd, bij de andere zijde als misdadig werd gezien. Aan het geluid en kabaal te horen, werd het een hele rel. Zien konden we niks. Maar dan kwam de arrestant met bewaking de speelplaats over. Vloeken, gillen, krijsen en tieren, want deze arrestant was niet erg gewillig. Wij waren in spanning, wie dat wel zou kunnen zijn, want heel zeker was men daarover nooit. Personen, waar men zeker van dacht, dat die als eerste zouden worden opgehaald, liepen nog Vrij rond. En mensen die helemaal niet belangrijk waren, zaten al van den beginne Vast.

De rust op het schoolplein was weergekeerd en de arrestant zat of stond nu in het bureau en hoorde zijn vonnis aan. Beschuldigd werd er eigenlijk niemand. Men werd opgepakt en in de school opgesloten en dan kreeg je de tijd om zelf over die schuldvraag na te denken. Dat was een heel scala. Het varieerde van dienst nemen bij de S.S. tot geestelijk contact met de vijand. De gewone man had het er maar moeilijk mee. Een huisvader met een streup kinderen bijvoorbeeld, was, om niet naar Duitsland te worden gestuurd als “Arbeitseinzatz”, op de W.V.A. gaan werken. Zo kon hij bij zijn gezin blijven en wat geld en levensmiddelen betreft was hij redelijk de oorlog doorgekomen. Dat was natuurlijk hele maal “fout”. Echter de verzetsman, de ondergrondse, die een overval op een distributiekantoor pleegde, alle levensmiddelenbonnen gapte, deze in de zwarte handel verkocht en van het zo gewonnen geld goede sier maakte, was een held, een goede Vaderlander.

Er was weer gestommel op de gang en de weerbarstige arrestant werd ergens ingedeeld. Welke kamer? Dat was de grote vraag. Hij kwam op kamer vijf, bij ons in de klas en het was Marinus van den Boogaard, een kastelein uit een populair kroegje. Marinus was des duivels. “Boeventuig is het!”, kreet hij woest, maar dat wisten wij al. Met grote passen beende hij de klas rond, scheldend, foeterend en hij slingerde de gruwelijkste bedreigingen aan deze rotzooimakers, aan die verzetshelden en ander krapuul. “Maar ik blijf hier niet!” verkondigde hij luid en begon op de gesloten klassedeur te bonzen. Eindelijk werd het buiten gehoord en de deur ging open en drie, vier wachten, met het geweer in de aanslag, stonden in de deuropening. Marinus was niet te temmen. Met zijn grote behaarde kasteleinsarmen veegde hij die vierkoppige wacht bij de deur weg en stormde de gang op. Naar de trap, de grote deur, kortom in. de richting van de vrijheid. Maar dat ging toch zomaar niet. Die wachten hadden geweren en zo niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Een dappere wacht priemde de loop van zijn geweer in de dikke kasteleinsbuik. Toen werd Marinus pas echt kwaad. “Verrekte snotaap!” brulde hij, “doe dat geweer weg, daar kunde de grootste ongelukken mee maken; weette da wel?” begon weer met de armen rond te maaien en Marinus ging verder. “Stelletje tuig; daar moest de politie naar kijken; ze zijn levensgevaarlijk!” schold hij. Over de trap ging het omlaag. Wij zouden er graag bij geweest zijn als die overspannen kastelein voorbij het bureau zou stuiven. Wat zou er dan gebeuren? Maar de wachten dreigden ons met hun geweren weer terug in de klas en de deur werd weer gesloten. Wij verwachtten nog hevige tumulten en narigheid te horen en de pessimisten onder ons spraken al van schoten en zo, maar er gebeurde niets meer. Marinus was weg en bleef weg. Voor ons waren er andere problemen; de avond begon te vallen er was niets te eten. Op de gang werden stormlantarens neergezet en de wachten liepen op en neer.

“Honger, Godverdomme!” brulden wij, maar dat hielp niet veel. De ondergrondse (nu bovengrondse) had dan wel haar best gedaan en een respectabel aantal mensen opgesloten; dat was allemaal prima voorbereid en georganiseerd. Maar dat die gevangenen ook moesten worden verzorgd, eten, slapen, wassen, naar de W.C. zouden moeten enzovoorts, was niet in het grote zuiveringsplan opgenomen.

Er zaten nu, na een dag bevrijding, ruw geschat, al zo’n driehonderd mensen gevangen in die school. Als dat zo doorging, zou over twee of drie weken heel Oisterwijk gevangen zitten. “Tijdens de Duitse bezetting zijn er in ons dorp, pakweg misschien twintig, vooruit dertig mensen opgepakt en dat in vier jaar tijds!”, had een simpele ziel eventjes voor zichzelf uitgerekend, “maar in een dag hebben die Oranjemannen er maar liefst zo’n driehonderd opgebracht en opgesloten. “Ze” hebben er meer verstand van als de Duitsers!” constateerde hij. Gezamenlijk in die donkere klas gingen we tellen en namen noemen van mensen die in die vier jaren bezetting waren opgepakt en weggevoerd en eventueel niet meer waren terug gekomen tot heden toe. “Ja maar, den die-en moet ge er niet bij rekenen, dat wat hij gedaan had, had niets met het verzet te maken; die had een drachtige koei, midden in de nacht uit de wei gehaald en thuis in de kamer willen slachten. Maar die koei, omdat ze drachtig was, bleef in de deurpost steken en kon niet meer voor of achter uit. Zo zijn ze dat aan de weet gekomen. Trouwens, die vent is na een half jaar weer terug gekomen en toen is hij pas bij de ondergrondse gegaan!”

Wij zouden maar gaan slapen, maar hoe? Zittend tegen de muur, de knieën opgetrokken. Zo sliepen de meesten. Anderen lagen op de grond en probeerden zo wat te maffen, maar het was toch te koud op de lange duur. Op de gang klonken weer voetstappen. Een verlate arrestant? Bij onze deur hielden de voetstappen op, de deur werd opengemaakt en in het licht van een stallantaren, stond een zwaar bewapend ventje. Door het tegenlicht kon ik de figuur niet zo gauw herkennen. Mensen in mijn klas ontwaakten. “Paij, hij moet jou hebben!” werd er gefluisterd. Toen herkende ik die figuur. Het was Hansje Gerritsen, helemaal opgetuigd als een kerstboom, maar dan wel allemaal met schiet- en ploftuig. “Moet je mij hebben, Hansje?” vroeg ik. “Ja, ik kom je even een goedendag zeggen en ik hoop dat je een prettige tijd zult hebben!” en het kereltje marcheerde weer af. “Godvernondeju’s rotjoodje!” vloekte ik, “dat is toch wel hondsbrutaal”. Dat kon toen nog; noch vriend noch vijand had ooit gehoord over die verschrikkelijke dingen die een paar maanden later de ronde deden, over dat wat er met de joden in Duitsland gebeurd zou zijn. “Was dat een goede vriend van jou?” vroeg iemand, “nou, proficiat dan!”.

De een na de andere werd die volgende morgen wakker en had honger maar er was niets te eten. Opnieuw werden er gevangenen binnen gebracht, maar nu waren het merendeels vrouwen en meisjes en die gingen nog erger te keer. Ze krijsten en huilden, beten en krabden en ze waren onhandelbaar. Ze moesten in de school gesleept worden. Toen al kon men merken, dat de Oisterwijkse wachten, die tot heden toe ijverig mee hadden gedaan om de mensen op te halen, het toch allemaal niet meer zo leuk vonden. Er was nog allicht iemand bij de gearresteerden, die familie of verwant was. Deze mensen waren dan wel niet door de persoon in kwestie opgebracht, maar het kwam voor dat een neefje zijn oom moest bewaken of een arbeider zijn vroegere werkgever. Langzamerhand ontstonden de gekste situaties. Maar de leiding van het verzet, het militair gezag, waren allemaal mensen van elders. De gewone wachtman had geen fluit te zeggen. Hij had. de ondankbare taak, zijn mededorpelingen op te halen, gevangen te zetten en te bewaken. Punt. Uit. Amen. Befehl ist Befehl.

De grote verrassing was, dat er iets te eten zou zijn. Bij de huiszoeking bij een van de vastgenomen mensen had men, bij het zoeken naar verboden wapens, (die er geen waren, maar dit was de sleutel om bij al die gearresteerden domweg in te breken en alles te gappen wat bruikbaar en waardevol was) een hele voorraad Duitse Zwieback ontdekt. Oorspronkelijk was dat tijdens de bezetting gestolen bij de W.V.A. Dus eigenlijk een sabotagedaad van de man die nu gearresteerd was. Maar goed de voorraad werd in beslag genomen, naar de school gebracht en in het fietsenloodsje achter slot en grendel gezet. Klas voor klas werd uitdeling gehouden. De heer Kruitwagen zette zich persoonlijk in voor een eerlijke verdeling. Hij streek pluimen en wij moesten toch wel de indruk krijgen dat hij het beste met ons voor had. De huichelaar. Wij kregen ook papieren zakken van de W.V.A. compleet met de Duitse Adelaar en het Hakenkruis er op. Voor mensen die helemaal niets hadden, konden deze zakken als slaapzak gebruikt worden. Zo groot waren die zakken. Dekens mochten van thuis gebracht worden, als men dat wou, maar ik wilde dat niet. Het militair gezag had het nodig gevonden om mij te arresteren en op te sluiten, dus moest deze instantie ook maar voor de kosten opkomen.

De oudere gevangenen schikten zich wonderbaarlijk vlug in hun lot. Het zou nooit lang duren, redeneerden zij. Hoogstens een paar weken en dan zouden we wel weer los gelaten worden. Er waren speelkaarten binnengesmokkeld en men doodde de tijd met rikken. Verwonderlijk wat er in die korte tijd allemaal was binnengesmokkeld en wel door de Oisterwijkse wachten. Ook aan rookgerei was geen gebrek. Ik stond urenlang voor de schoolramen en keek naar buiten, in de achtertuinen van de mensen die aan de Kerkstraat woonden. Voor het schoolgebouw lag de grote speelplaats; daarnaast aan de oostzijde was de kleine speelplaats met het fietsenloodsje en de grote loods waaronder in mijn schooltijd bij regenweer gespeeld werd. Tegen de achterkant de jongenstoiletten en een houten schutting waarachter de bloementuin van de fraters lag. Als ik dus naar huis wilde, zou ik eerst op die loods moeten zien te komen, dan de tuin van de kolenboer Kosters in en zo over de Vloedweg naar huis. Zo eenvoudig was dat. Omdat wij gevangen zaten op de eerste verdieping, konden wij in de tuin van Kosters kijken. Kosters zelf was een neutrale vent. Hij had zowel klanten bij de ene als bij de andere partij, dus als in een van die eerste dagen een bedroefde echtgenote of verloofde haar man of geliefde wilden zien, mochten ze van die kolenhandelaar vrij in zijn achtertuin lopen om zo door zwaaien contact maken. Er stond altijd wel een of andere gevangene voor die ramen te suffen, die dan de gevangen echtgenoot of verloofde ging waarschuwen. De groepjes zaten druk te kaarten en ik hing voor de ruiten en bestudeerde een vluchtplan. Ik werd afgeleid door de vrouw van Kees Horvers, die op deze wijze haar man wilde zien. “Kees, daar is jouw vrouw”, meldde ik en wees in de tuin.

“Houwt ze efkes aan de zwaai”, zei Kees, “nog een minuutje en dan is dees spelleke uit.” Dus gaf ik door gebarentaal aan mevrouw Horvers te kennen dat Kees komende was. Na een minuutje of zo kwam dan Kees voor de ramen staan en begon het gebarenspel op nieuw. Er is wat afgebaard in die dagen tussen man en vrouw, moeder en zoon of het meisje dat haar geliefde wilde zien. Maar toen wou de Leiding, het Militair Gezag, het Brein dat dagelijkse gezwaai gaan verbieden en vroeg de eigenaar van die tuin, Kosters dus, om medewerking, om de toegang tot die tuin aan iedereen te verbieden. Maar Kosters vond, dat in zijn tuin gezwaaid mocht worden. Toen kwam het bevel dat wij niet meer voor de ramen mochten gaan staan. Als we langer dan een paar minuten voor die ramen bleven staan, mochten de wachten, beneden op de speelplaats op ons schieten. Wat ook een keer gebeurd is.

Na enige dagen was de grootste arrestatiegolf wel voorbij. Zo nu en dan werd er door de ijverig speurende verzetshelden nog wel eens iemand opgespoord. Meestal door aanwijzingen van iemand die anoniem wenste te blijven, maar daartoe een speciaal briefje moest invullen en bij het verzet inleveren. De verdachte werd daarop prompt van zijn bed gelicht en naar de school gesleurd. Eenmaal op school moest je al verdomd goede papieren hebben, om dan weer vrij gelaten te worden. Werd iemand opgebracht, gaf dat bij de gevangenen toch weer enige opwinding. Zou hij worden opgesloten of niet? Na een week waren er in de school zo ruim drie honderd gevangenen. Een mooi resultaat van naarstig speuren en “Teamwork”

Zoals altijd kon ik het weer niet laten om spotprentjes en karikaturen te tekenen. Een potlood was gauw gevonden en het papier kreeg ik van Arnold Meyer himself. Deze tekeningetjes kwamen dan in de gevangeniskrant. Harm Ensig was de redacteur en schreef al het gevangenisnieuws met piepklein schrift, wat hij bijzonder goed kon, op een velletje papier. Ik verzorgde de tekeningetjes. Er verscheen maar een exemplaar, maar dat ging van hand tot hand, van kamer tot kamer. Toen we ruim aan de driehonderd en vijftig gearresteerden waren, moest dit natuurlijk met commentaren en prognose’s in onze krant. De spotprent die ik bij deze gelegenheid maakte, stelde een verzetsstrijder voor, zo uit het dagelijkse leven gegrepen. Een soldaat van “Herrijzend Nederland” in het algemene uniform van die dagen. Te weten, van onder naar boven: een paar Duitse Wehrmachtsstiefel, burgerpak met daarover een Duitse koppelriem met “Gott mit Uns?” strak om het colbertjasje geriemd. Een grote oranje band om de rechterarm, waarop “Binnenlandse Strijdkrachten”. Alleen had ik die naam een beetje geweld aangedaan, door er “Binnenlandse Grijpkrachten” van te maken, wat eigenlijk meer van toepassing was. En natuurlijk het grote Duitse karabijn om de schouders gegord. Op mijn spotprent stond deze soldaat in de deur van een ondergrondse schuilkelder in Londen. Heel toepasselijk had hij met een hoofs gebaar zijn pet afgenomen en riep: “Majesteit, Nederland is bevrijd en opgesloten!” En of deze tekening succes had, vooral op kamer vijf, de elitekamer, bleef deze gevangeniskrant, dagen hangen. Iedereen moest de krant uitspellen en lezen. Het prikkelde Arnold Meyer om ook iets te gaan doen. Hoe hij het voor elkaar gekregen heeft, weet ik niet, maar een paar dagen nadien, verscheen er een pamflet, in veelvuldige oplage, geschreven door Arnold Meyer en getiteld: “Pruisische geest in Herrijzend Nederland.”

Als tegenprestatie van het Militair Gezag, werden de huishoudelijke reglementen voor de gevangenen strenger en er kwam een rookverbod. Elk moment kwam er een wacht in onze kamer binnen stormen, marcheerde met opgetrokken neus door de klas en brulde:“Er is hier Godverdomme, gerookt!”. En dat was waar; men kon de rook wel snijden. Maar zolang hij niemand op heterdaad kon betrappen, kon hij vloeken zo veel hij wilde. Straffen zonder een aangewezen dader ging niet. Ons systeem van waarschuwen, als er een pietluttige wacht kwam opdagen, die er tuk op was, dat rookverbod streng toe te passen, was vrij simpel. De godganse dag zaten de gevangenen in groepjes te kaarten (en te roken). Maar er was afgesproken, dat er altijd wel iemand op den uitkijk stond en door de raampjes van de klassedeur stond te loeren of er onraad was. Kwam zo’n rotzak vol dienstijver op onze klas toe geslopen om ons op heterdaad te betrappen, riep onze wachtpost heel toepasselijk: “Pico”, wat betrekking had op het te spelen kaart spel. De rokers in de kamer namen hun sigaret of sigaar in de holte van hun hand, staken die hand in hun broekzak en slenterden doelloos door de kamer. De wacht, meestal geen Oisterwijker, liep als een getergde leeuw de kamer rond, hoestte en kuchelde van de rook en brulde: “Er is hier weer gerookt, Godverdomme!” maar kon niks bewijzen en verdween weer. Dan kwamen de handen weer uit de broekzakken en werd er verder gepaft. Het was een mooi gezelschapsspelletje tussen de bewaking en de gevangenen.

Natuurlijk werden wij te pas en te onpas op rookgerei gefouilleerd, maar dat had nauwelijks succes. De grootste voorraad zat veilig opgeborgen in de plint van de grote schoolkast, die er nog altijd stond. Janus van Ostade, een collaborateur uit Udenhout, die eerst een paar dagen in de cel van zijn woonplaats had geboet voor zijn landverraderlijke daden, was daarna naar het grote lager in Oisterwijk overgebracht, met nog een paar andere soortgenoten. Er waren ook een paar mensen uit Moergestel, die tijdens de bezetting iets gedaan hadden, wat het verzet mishaagt had. Een van deze Udenhoutse mensen had een zakmes met een zaag en daarmee hebben wij een geheime voorraadkast in die plint uitgezaagd, die nooit is ontdekt. Onhandig was het wel; steeds als de voorraad rookwerk bij de mannen op raakte, moesten we geheimzinnig bij die kast neerknielen, die plint wegnemen om dan weer bij de voorraad te kunnen. Ook daar vond ik iets op. In de klas zwierf het boek: “Mij is het koninkrijk.” een premieboek van de Katholieke Illustratie, mooi gekaft en ingebonden, rond. Iedereen had het al gelezen en het lag daar maar rond te slingeren. Dat boek heb ik van binnen uitgehold, zodat er plaats was voor een twintigtal sigaretten, maar weer dicht geslagen, leek het een normaal boek. Na een paar dagen was het boek niet meer uit onze klas weg te denken. Het lag “Angrifsbereit” open en bloot op de tafel en iedereen nam dat boek zo terloops in zijn handen. Het was ook nooit leeg; iedereen beschouwde het als een heilige plicht om de voorraad sigaretten op peil te houden. Op een keer zag de klas weer blauw van de rook. Ik geloof zelfs dat men zo veel mogelijk kwalm produceerde, om de wachten tot wanhoop te drijven. Deze konden ons toch nooit betrappen en zelfs bij de strengste visitatie kwamen er hoog uit een paar rokertjes te voorschijn, dank zij onze perfecte alarminstallatie en geheime voorraadkast.

Deze keer kwam een kaderlid, een stafofficier onze kamer binnenstuiven. Kaderleden en stafofficieren waren nooit bewapend en het waren allemaal mensen van boven de Moerdijk. Wel kwamen twee zwaar bewapende soldaten mee, het karabijn in de aanslag. De heer Konijn, een tijdens de bezetting ondergedoken jood, overzag de troep die rustig bleef doorkaarten of dat te doen, waarmede zij bezig waren. Ik geloof dat de heer Konijn van ons verwachtte, dat wij allemaal in de houding zouden springen bij zijn binnen komst. Het grootste deel van ons was nooit soldaat geweest en kende dus die militaire regel niet. Ik kende die wel, maar ik wist niet of de heer Konijn ooit officier in het Nederlandse leger geweest was. Hij droeg geen uniform en trouwens. ik zou dat voor hem toch verrekt hebben. Konijn bleef blikken werpen, maar er was niemand die daarvan onder de indruk raakte. Uiteindelijk ging hij autoritair achter de tafel staan. Omdat wij allemaal zo onverschillig bleven, bij al wat hij deed, werd hij steeds nijdiger. “Er wordt hier nog altijd gerookt, ondanks de nieuwe voor schriften, dat het ten strengste verboden is”, bulderde hij los. Wij knikten beamend: als hij dat zei, zou dat wel waar zijn. Dat kalmeerde hem niet. Integendeel. “Ik zal degene die dat verbod durft te overtreden in de cel onder het gemeentehuis laten op sluiten, op water en brood!”, dreigde hij verder. Dat moest hij dan maar doen, maar eerst wel vangen en dan knippen, luidde een oerdegelijk Brabants spreekwoord. Onze alarminstallatie werkte zo perfect en onze bergplaats was zo geheim, daar waren toch meer konijnen voor nodig om dat allemaal op te sporen en uit te graven. “Ik zal jullie smerig tuig wel klein krijgen, al moet ik dag en nacht een wacht bij jullie op de kamer zetten”, zo kankerde de man verder en greep het boek: “Mij is het koninkrijk” van tafel en begon daarmee, om zijn woorden kracht bij te zetten , op tafel te slaan. Nu keek iedereen wel naar de woedende man. Zijn dreigende woorden maakten wel indruk. Wij waren bang voor hem geworden. Toch vergisten hij zich. We hadden geen belangstelling voor dat konijn, maar hij bleef alsmaar met dat “waardevolle” boek op tafel slaan en elk ogenblik konden door dat driftig op tafel hijsen, de sigaretten door de kamer vliegen. Maar hij dacht dat hij ons lekker bang had gemaakt en daardoor was zijn grote woede weggeëbd. “Dus denk er om: Hier wordt niet meer gerookt!” en met een laatste zwaai smeet hij dat boek terug op tafel, het schoof door en viel met zijn kant op de vloer. Een sigaret rolde er uit. De dikke Rooth, een medegevangene, zag dat, stond plotseling beleefd op, natuurlijk met zijn voet juist op die verraderlijke sigaret en zei: “U zult ons niet zien roken!” Zo, zijn autoriteit was onaangetast en tevreden verliet hij, Konijn, klasse vijf. De twee bewapende mannen gingen met hem mee. Nauwelijks was de deur weer achter hem vergrendeld, of wij barstten in lachen uit en kon ik onmiddellijk dit historische moment gaan vereeuwigen.

De bovenruiten van die klas waren verduisterd. Een vindingrijke frater had deze glazen met Zwarte schoolbordenverf bestreken, zodat deze ‘s avonds geen licht lieten doorstralen. Voor de onderste grote vensters waren platen zachtboard aanwezig. Die platen waren nu weg, op twee na, want twee vensterruiten waren gesneuveld. Maar verduistering was niet meer zo nodig. Er was nog steeds geen stroom en de wachten op de gang behielpen zich wel met stallantarens. Een vingernagel was al voldoende om die zwarte schoolbordenverf te bekrassen. En op de afmeting vijftig bij vijftig Kraste ik een rondhuppelend konijn, met het boek “Mij is het koninkrijk” onder zijn voorpoot. En er onder stond: “Hier rookt men niet, Konijn ziet mij!” Voor de insiders was dat bij zonder leuk, maar ook de outsiders lachten er mee, al begrepen ze het niet helemaal en ze lieten het staan. Karikaturisten en tekenaars worden nooit helemaal voor vol aangezien en genieten bij voor en tegenstander toch een zekere bescherming. Zou ik een van de leidende figuren van het Militair Gezag de huid hebben vol gescholden, zou ik zeker gestraft zijn. Maar nu ik dat op een subtiele manier deed met de tekenstift, vond jong en oud, pro en contra dat bijzonder leuk.

De nieuwe minister van Justitie van Herrijzend Nederland, hij zat weliswaar nog in Londen, begon zijn departement toch beter in de hand te krijgen, want opeens was er voor ons, de gevangenen op de school, warm eten. Eenmaal per dag, ‘s avonds tegen dat het donker werd. Er waren ook plotseling borden, lepels en vorken. Naar ik meen allemaal in beslag genomen bij de galanterie en ijzerwinkel van Mathijssen. Vader en zoon zaten ook gevangen; twee knappe dochters van deze familie waren aanvankelijk ook opgebracht, maar na diepgaande ondervraging, door diverse verzetsmensen boven op de zolder van de school, waren ze toch weer in vrijheid gesteld. Vader en zoon zaten op kamer zes, de elite klas. Men beweerde dat vader Mathijssen al het prikkeldraad had geleverd voor het concentratiekamp Vucht. Onder Duitse tijd dan.

Die eerste warme hap werd in vier of vijf melkbussen in de school gebracht. Kamer voor kamer mocht uittreden. In de gang bij een lange tafel kregen wij een bord en een lepel. Kameraad de Kroon een medegevangene, die ergens bij een of andere stoomvaart-maatschappij kok was geweest, mocht de soep, onder toezicht van vader Kruitwagen of het zoontje Hansje, uitdelen. Had iedereen zijn vliesje soep gehad, kwam vader Kruitwagen, smeet een emmer water in de lege(?) melkbussen en werden deze bussen naar het woonhuis van de familie Kruitwagen gebracht. Want behalve die overvolle school, die onder het protectoraat van de heer Kruitwagen stond, had hij thuis nog wat ganzen en een achter prikkeldraad en deze moesten ook gevoed worden. Hansje, het zoontje van de heer Kruitwagen, was een klein dik en rond baasje, met een onschuldig blozend snoetje, rond de zestien jaren oud en de hele dag padvinderde hij in de school en de gevangenis, rond. Hij had de korte broek nog aan en altijd een bajonet (een Duitse) op zijn kontje hangen. Zag je die bajonet, zag je Hansje en omgekeerd. Kruitwagen wou als “Officier” aangesproken worden en tegen Hansje moest men “Adjudant” zeggen. Maar dat deed geen mens. Dan zei men liever helemaal niks. De borden werden na gebruik, afgewassen door de dames van kamer drie. Dat waren er niet veel meer; na enkele weken werden de meeste vrouwen en meisjes weer naar huis gestuurd. De ouderen moesten blijven. “De oudere Moffenhoeren blijven onder arrest!” verklaarde Dr de Sain, die een heel grote stem in het kapittel had. De jongere meisjes gaf hij eerst een psychologische klap om de oren. Hij stond er op dat deze meisjes, voordat deze Vrij werden gelaten, eerst door hem op geslachtsziekte zouden worden onderzocht. Was dat nu echt nodig? Maar het gebeurde. Ook buiten de poort was daar veel kritiek op.

Die eerste soep was maar erg dun geweest en wij bleven hongerig. Ik staarde peinzend naar buiten naar het fietsenhokje, waar tientallen zakken met in beslag genomen Duitse “Zwieback” waren opgeslagen. Kruitwagen had er wel een levensgroot hangslot op aangebracht, maar dat was het punt niet. Er waren nog twee jongens van mijn leeftijd op kamer vijf en als ik die nou zo gek kon krijgen? Maar dat was geen probleem. Marinus Groenland en Theo Rokven waren meteen voor het plan te vinden, om in dat loodsje in te breken en die cake’s te gaan gappen. Eenmaal had ik beiden bewaard voor een rotfoefje dat Konijn graag op de mannelijke gevangenen uitprobeerde. Ik was de eerste waarop hij dat grapje op wilde toepassen. Zomaar midden overdag kwamen twee gewapende wachten mij ophalen. Ik moest op het bureau komen; bij de heer Konijn. Voor hem op tafel stond een Duitse mitrailleur, die hij peinzend stond te bezien. Bij mijn binnenkomst draaide hij zich hoopvol naar mij om. Nog altijd snapte ik er niks van. Met een neerbuigende slijmerige stem begon hij mij dan zijn probleem uit te leggen. Van dat apparaat dat daar zo mooi op tafel uitgesteld stond, kende hij niks, wist niet hoe een dergelijk ding werkte, maar het moest zo nodig schoon gemaakt en nagekeken worden. Of ik nu zo vriendelijk wou zijn om aan hem de werking van dat schiettuig duidelijk te maken; het uit elkaar nemen, poetsen, invetten etc, waar hij, Konijn bijstond. Maar ik vertrouwde die vent niet. Het kader, dus ook Konijn, meed angstvallig om wapens te dragen. Als er geweld moest worden gebruikt lieten ze dat aan de “Kwajong” en verder bewapend gespuis over. Zelf hielden ze hun handen rein. Hier stak iets achter, maar wat? Ik kende wel de oude Nederlandse legermitrailleur, de lichte zowel als de zware. Zo’n Duitse zou in principe wel hetzelfde werken. Maar ik besloot dat hij, de heer Konijn, kon barsten; als hij zo graag wilde weten, hoe dat apparaat werkte, moest hij dat maar aan de experts van het verzet vragen. Waarom moest hij mij daar voor uitzoeken? “Nee, ik ken alleen de Nederlandse mitrailleur uit negentien veertig. “Van dat wapen dat daar zo mooi op tafel staat, weet ik niets!” Het gezicht, dat vriendelijke welwillende bakkes van Konijn betrok. “Weet jij daar echt niets van?” vroeg hij en er lag nu een onmiskenbare dreiging in zijn bitsig geworden stem. “Breng hem weer naar boven!” beval hij dan aan de twee bewakers die bij deur op post stonden. Ik had de smeerlap door; bijna was ik er in getrapt. Als ik die mitrailleur uit elkaar genomen, hem de werking ervan zou hebben bijgebracht, zou dat een mooie beschuldiging tegen mij geweest zijn. Op kamer vijf terug vertelde ik de hele “grap” tegen de mannen. “Laat je niet voor de gek houden door dat Konijn; hij probeert jullie met een uitgestreken smoel er bij te lappen. Wat jullie ook op je geweten hebt: Blijf met je poten van die mitrailleur daar beneden af. Houd je van de domme!”

Zo waren ze gewaarschuwd, ook Theo en Marinus. Maar voor dat plan om in het fietsenhok in te breken en cake’s te jatten, waren ze wel te vinden. Niet dat we zo hongerig waren. Na een paar weken waren de Oisterwijkse wachten al zo corrupt, als je dat zo noemen mag, dat ze allerlei voor de gevangenen mee naar binnen smokkelden. Er zaten zoveel mensen gevangen, dat daar toch weer ergens familie of goede bekenden van de inheemse wachten bij waren. De situatie ontstond dat een verliefd meisje aan haar galant, die bij de Binnenlandse Strijdkrachten was en voorlopig niets anders te doen had, dan gevangenen op de school te bewaken, moest vragen of hij voor pa, die gevangen zat niet eens een pakje met sigaretten of levensmiddelen wilde binnensmokkelen. Deze soldaat werd dan hevig door zijn geweten geplaagd. Omdat hij aan de ene kant zijn liefje (en misschien aanstaande schoonvader) wel een plezier wilde doen, van de andere kant was hij toch een plichtsgetrouwe soldaat, die zijn consigne’s moest opvolgen. Er werden allerlei geheime afspraken gemaakt, hoe het voedsel en de sigaretten of wat het dan ook was, naar binnen werd gesmokkeld. Klasse een was het verblijfslokaal van de wachten. Hier zaten ze in hun vrije tijd te kaarten, totdat zij weer wacht moesten lopen op de corridor voor de klassenlokalen De deuren van de klassen waren vergrendeld en als een van de gevangenen iets moest, kon hij op de (binnenkant) van de deur kloppen, waarop de wachtman dan de grendel terug deed en de man naar buiten mocht komen en zeggen kon wat hij moest. Groot of klein. Voor beide moest men de trap af en naar buiten op de speelplaats, waar de jongenstoiletten waren. In het begin meenden die wachten dat heel serieus. De gevangene moest vooruit lopen en de verse soldaat van Oranje, trots op zijn mooie geweer, legde de haanpal om en met het schiet ijzer in zijn handen, werd de behoeftige gevangen voorgeleid naar de waterplaats of het huisje. En na gedane zaken werd de man ook weer terug gevoerd onder het stoere machtsvertoon. ‘s Nacht werden er emmers op de corridor geplaatst en daar kon men dan een plasje doen. Voor de grote boodschap moest men echter weer naar beneden, naar de speelplaats. Dat was in het prille begin van de bevrijding een hachelijk karwij en had mij een keer bijna het leven gekost.

Piet Brands was zojuist binnengebracht en lag in een hoek van de klas luidop te snikken. Dat was eigenlijk mijn schuld, omdat ik niet begrepen had hoe overspannen hij was en hem had verteld dat we allemaal doodgeschoten zouden worden. Ik had dat als een grap bedoeld, maar hij nam het voor ernst op. Daardoor was ik erg geschrokken en kwaad op me zelf. Dus rende ik de gang op; grendels of sloten waren toen nog niet op de deuren aangebracht en begon tegen de op wachtstaande Oisterwijker te schelden en te razen. Deze man heette Pietje Alberts, een van de eerste Oisterwijkse verzetsmensen, die in Augustus ‘40 geweigerd had een bevel van een Duitse soldaat op te volgen. Er was een grote bosbrand op de Venkraai en de brandweer en ook een compagnie Duitse soldaten waren ingezet om de brand meester te worden. Toen het vuur hoog oplaaide, vroeg de brandmeester aan de toegestroomde kijklustigen, of ze mee wilden helpen het vuur te bestrijden, maar er was weinig animo. Daarop begon een Gefreiter van die compagnie de kijklustige omstanders te bevelen, mee te helpen. Maar Pietje dacht meer aan zijn zondagse broek en mooie overhemd, dan aan al dat natuurschoon dat in vlammen stond en nam de benen. Het motief was zwak, maar hij had geweigerd om een bevel van die Duitse Gefreiter op te volgen. En hier was onze eerste verzetsheld.

Als lichtend voorbeeld stond Pietje nu op wacht in het schoolgebouw, en bewaakte gevangenen. Als teken van zijn waardigheid had hij zo juist uit de handen van Kruitwagen een Duitse karabijn gekregen. Hij wist wel niet hoe zo’n ding precies werkte, dat had de heer Kruitwagen er vergeten bij te vertellen, maar dat hoefde ook niet. Ik geloof niet dat de man werkelijk op ons zou gaan schieten. Maar dreigen kon hij er wel mee. Dus Pietje stond op de gang en ik begon hem zijn huid vol te schelden omdat ik mijn gemoed moest luchten over die huilpartij van Brands. “Laffaards bende gullie, kunde wel, een vader van twee jonge kinderen op te halen, met de handen omhoog, als de grootste misdadiger en zijn vrouw af te slaan!” Maar daar wist Pietje niks van en al vond hij het ook niet allemaal even mooi, wat er nu gebeurde. Maar plicht is plicht en hij begon mij in de klas terug te drijven. “Al-al- allee Paai-Paai-Paaike, te-te-terug in de-de-de kla-kla-klas!” Pietje stotterde een beetje. Maar ik liet me niet dwingen. “Op zij, ik moet pissen!” beet ik hem toe en marcheerde op de trap toe om naar beneden te gaan. “Blij-blij-blijf sta-sta-staan, of ik-ik-ik-schiet!” stotterde hij verder. “Als gij even goed kunt schieten als praten, schiet dan maar!” lachtte ik hem uit en liep door. Maar toch maar even omkijken; je kon nooit weten. Een blauwe vlam sprong uit de loop, maar Pietje had te laag gericht en een klein vloertegeltje spatte in gruizels om mijn oren; ik was al opzij gesprongen. De schutter had de ogen toe, maar bleef als een idioot aan de trekker van dat karabijn rukken, maar dat kon geen kwaad; eerst zou hij de grendel moeten openen, de oude huls er uit werpen, grendel opnieuw sluiten en dan pas kon er opnieuw geschoten worden. Maar wist Pietje veel? Overal verschenen er gevangenen in de deuren, wachten stormden toe. Angstig deed de schutter de ogen open. Waar lag het lijk? Maar dat lijk stond voor hem. Van pure opluchting liet de dappere soldaat zijn geweer vallen en met zijn handen tegen zijn zere wang gedrukt, vanwege de harde terugslag van dat akelige karabijn, liep hij de corridor af, de trap omlaag en weg was hij. Dat nooit meer heeft hij wellicht gedacht.

Dat gebeurde allemaal in de eerste uren en dagen van de bevrijding, maar later brachten, alleen maar Oisterwijkse wachten, alle dingen waar wij gebrek of behoefte aan hadden het schoolgebouw binnen. In de eerste klas, nu wachtlokaal voor de opkomende wacht, stonden de schoolbanken nog gedeeltelijk in het lokaal. Het ging volgens een vastgelegd systeem. In bankje drie, linker klep, werd de binnengesmokkelde waar voor de gevangene X gedeponeerd door de wachtsmokkelaar Verwey. Ook een gevangene, maar die als opdracht had, het bureau en het wachtlokaal zuiver te houden. Hij kwam met een lege emmer, een dweil en een bezem binnensloffen in de wacht, veegde wat rond en als dan niemand keek, meestal zaten die wachten te kaarten, nam hij het pakje uit bank drie, linker klep, deed het in de lege emmer, drapeerde daar de dweil over en slofte weer uit het wachtlokaal en leverde het pakje dan af aan de betreffende persoon. Zo had iedere gevangen zijn eigen “Postfach”. Maar een keer liep dat fout. De wachtman Visbeen, geen Oisterwijker, wist van dit hele vernuftige systeem niets af. Hij kwam op voor zijn vierentwintig uren wacht, was nog niet aan de beurt, dus ging hij zijn tijd korten door aan het kaartspel deel te nemen. Van zijn kostjufrouw had hij brood, een paar appelen en wat rookgerei meegekregen, netjes in een papiertje verpakt. Om het voorlopig kwijt te zijn, deponeerde hij dat pakje in bankje drie, linker klep en verdiepte zich in het kaart spel. Verwey kwam binnensloffen met de bekende geheime instructie’s en het pakje verdween en werd aan de gevangene X af geleverd. Die keek verbaasd op. Pas een paar uur geleden had hij al op deze manier zijn pakje voor vandaag in ontvangst genomen. Dit was dus niet voor hem bedoeld. Bij verdere navraag verwachtte eigenlijk vandaag niemand nog post. Gewoonlijk zat er voor de ontvanger wel een korter of langer briefje bij. Dat ontbrak echter bij dit pakketje. “Voor wie was dit pakje?” dat was de grote vraag. Maar daar zouden we vlug achter komen. Toen de heer Visbeen, na het kaartspel zijn proviand uit het klepkastje wilde halen was het weg. Dat veroorzaakte een hele opschudding. Natuurlijk gestolen door een van de gevangenen, luidde de prognose en meteen werd de diefstal aan het bureau gemeld. Als straf zouden de gevangenen van hun warme maaltijd uitgesloten blijven, totdat de dader zich gemeld had en het voedsel van en voor de wachtman Visbeen weer was terug gegeven. Maar er was geen dader. Wat nu? Het proviand van de heer Visbeen lag nog altijd bij de abusievelijke ontvanger, die er ook geen oplossing voor wist, maar als dader wilde hij zich niet melden.

De warme hap stond op de corridor koud te worden. De rooie Doleweerd, een inheemse wacht, die we geen van alle moesten, liep grijnzend de corridor op en neer; de smeerlap had er plezier in dat wij verhongeren moesten. Tijdens de oorlog was bij deze figuur altijd Belgische toeback te koop geweest. Had men op een gegeven ogenblik geen tabak meer en men wou toch roken had men altijd nog een papieren rijksdaalder, en achterom, iedereen wist de weg, kon men in de bijkeuken een builtje shagtabak kopen. Officieel zou er vijftig gram in dat witte builtje moest zitten, maar na drie dagen zag dat witte builtje goorgeel van de ammoniak. Maar ammoniak en water verhoogde het gewicht aanmerkelijk en kostten niets. Dat de rooie Doleweerd ook nog in de Ondergrondse zou zitten, gezeten had, daar had niemand erg in gehad. Of zou hij pas tot de “Binnenlandse Strijd krachten” zijn toegetreden na de bevrijding?

Hij was een echte dienstklopper, maar iemand had toch zijn zwakke kanten ontdekt. Hij scheen iets te hebben met een van de nog gevangen zittende vrouwtjes. Wat er van waar was, was niet te achterhalen, maar ik had een tekeningetje gemaakt in de gevangeniskrant en had de bewuste man uitgetekend, terwijl hij en verlekkerd neerkeek op dat bewuste vrouwtje, terwijl deze bezig was met het schoonmaken van een van de melkbussen, waarin onze warme hap vervoerd was. Het vrouwtje stond voorover gebukt over die melkbus en er was een pikant stukje onderbroek te zien. De rooie Doleweerd had zo’n verschrikkelijke rotkop dat het niet moeilijk was, dit op mijn tekening duidelijk uit te laten komen. De hele school, inclusief de bewaking, hadden meteen door wie hier bedoeld was en hadden er veel plezier in. Hier lag de oplossing van ons probleem, de gerezen moeilijkheden met de verdwenen menage van de heer Visbeen. Wij zouden het vrouwtje benaderen en ze op het bureau laten verklaren, dat zij dacht, dat die verstopte boterhammetjes voor haar bedoeld waren en daar door de rooie Doleweerd waren neergelegd. Zo min of meer voor bewezen diensten. Zo gebeurde. De rooie Doleweerd werd op het bureau geroepen en zijn rooie kop werd nog roder. Hij ontkende natuurlijk, maar ook op het bureau had men iets over de amoureuze affaire gehoord. Visbeen kreeg zijn pak met etenswaar terug. De rooie Dolenweerd werd dan wel niet gestraft, maar zijn pertinente ontkenning werd toch weer niet helemaal geloofd en op de corridor werd een aanvang gemaakt met de uitdeling van de verlate hap.

Hoe zouden wij die fietsenloods overvallen en wanneer? Dat gaf enkele problemen, maar Marinus en Theo, die in het plan betrokken waren, vertrouwden op mijn fantasie en we zouden wel zien. Als we midden in de nacht gingen en die-en wacht op de gang zou staan, was het niet zo moeilijk. Gewoonlijk liet die wacht de grendels van de deur, zat zelf met zijn rug tegen de verwarming en deed en dut Het naar de W.C. gaan, moesten we zelf maar regelen. We zeiden wel: “He Tinus, we moeten efkens naar de W.C.!”, en als hij zo vast ingedut was, dat hij dat niet hoorde, schopten we even tegen zijn benen en herhaalden onze mededeling. Dan gromde hij wat binnensmonds en was het wel in orde. Dat gaf dus geen problemen. Het slot op die fietsenloods was ook maar larie. We haalden onze broeksriem door het beugeltje van dat slot, een flinke snuk en het was open. Voorzichtig duwden wij de deur terug. Wat een voorraad; als dat allemaal “Zwieback” was, wat er in die zakken zat, konden wij jaren voorruit. Ze waren in beslag genomen bij Heuvelmans, die op de W.V.A. gewerkt had en nu ook gevangen zat: kamer zeven. Den Bloempot was zijn toenaam. Hoe had hij dat allemaal naar huis weten te slepen? Was er dan geen controle geweest tijdens de bezetting bij die W.V.A. poort? Alle maal vraagtekens. Wij, Marinus, Theo en ik, begonnen onze zakken vol te proppen, de broeksriem werd wat vaster aangehaald en zo stouwden we nog een hele voorraad in ons overhemd. Het hangslot werd weer op de deur gehangen en dicht geknipt. Nu weer terug naar de kamer, klasse vijf. De wacht zat nog altijd tegen de verwarming te slapen, maar voor de goede orde schopten wij hem even tegen zijn schenen en melden ons weer terug. Helemaal verslapen was de man toch ook weer niet. Met de ogen nog toe, mompelde hij: “Waar zijde gullie zo lang gebleven?” Wij antwoorden: “Boodschappen wezen doen!” en daarmee was hij tevreden en dutte verder. Diegene die in de klas nog wakker waren, kregen kwistig van onze veroverde koeken en daardoor werd de rest ook wakker en slonk de gestolen waar tot een minimum, maar morgen zouden we wel nieuwe voorraad halen. Als dat zo eenvoudig en gemakkelijk ging!

Nog twee nachten hebben wij die loods met een bezoekje vereerd en niet alleen onze klas zwom in de koeken; ook de andere klassen werden niet vergeten. Doch niemand wilde er iets van merken. Dat wil zeggen: De heer Kruitwagen en consorten zouden het moeten merken. Er zou toch herrie over gemaakt moeten worden. Huiszoekingen, op het bureau moeten komen, scherpe verhoren, de daders zouden toch gezocht moeten worden. Allemaal leuke en spannende dingen, die wij er in gecalculeerd hadden en afleiding, spanning en deining zouden veroorzaken. Er gebeurde niets van dat alles. Verslapte de leiding? Wilde men er niets van merken? Onze gevangenis moest toch ook weer geen vakantieoord worden, dan was er niks meer aan; dan konden we beter naar huis gaan. We besloten het de leiding makkelijk te maken; hun met hun neus op de feiten te drukken. De avond viel, de nacht kwam en weer togen wij naar die voorraadschuur. Maar nu, na onze zakken weer met cake’s vol gepropt en de deur zorgvuldig achter ons gesloten te hebben met het hangslot weer nauwkeurig dicht geknipt, zijn we achteruitlopend naar de kamer gegaan. Ondertussen verkruimelden wij tussen onze handen alsmaar cake’s en maakten een breed spoor van verbroken en verkruimelde cake’s, van de loods, over de speelplaats, het schoolgebouw in, de gang door, de trap op. Daarna gingen we slapen en hoopten er het beste van. De volgende morgen was er dan eindelijk de grote deining. Toen wij in de lichtende morgen met een slaperige kop van achter het raam op de speelplaats loerden, was daar volop activiteit. De heer Konijn, de heer Kruitwagen en verdere kaderleden sprongen als gekken tussen de fietsenloods en het schoolgebouw op en neer. Kleine Hansje, met de bajonet op zijn kontje, stond alle aanwezigen van “De Binnenlandse Strijd krachten” in de houding te schreeuwen en dat werd een fraai tableau. Oude mannen en jonge knaapjes in een internationale mengeling van uniformen stonden eindelijk “Stram” in de houding. Burgerpetten, Duitse en Engelse helmen, Duitse leren koppels met “Gott mit Uns”, of Engelse riemen van grof geweven stof, Duitse Wehrmachtslaarzen of Engelse soldatenkistjes. En allemaal een brede Oranjeband om de rechterbovenarm. Dat was het enige dat wel uniform was. En natuurlijk wel allemaal bewapent. De oudere mannen waren beter bekend met het geweer en stonden met de Duitse karabijn te haspelen en te zwaaien. De jonge knaapjes hadden een stengun weten te bemachtigen, die met een katoenen riempje om hun schouder hing. Dit wapen was zeer simpel, helemaal niet trefzeker, maar kon wel in een mum van tijd een dertig of veertig kogels uitbraken.

Konijn stond wanhopig naar boven te staren, als of hij Jaweh om hulp en inzicht stond te smeken. Die paniekerige toestand duurde vijf minuten. Toen werd ik, (waarom juist ik) onder zware bewapende begeleiding naar het bureau, kamer twee, gecommandeerd en in staat van beschuldiging gesteld. De aanklacht luidde: “Het toe-eigenen van door de Nederlandse Strijdkrachten in beslag genomen Duitse legervoorraden!” Daarbij stond ik nog onder arrest van het Militaire Gezag, wat alles nog gecompliceerder maakte. Maar ik ontkende keihard. Waarom juist ik? Er waren toch nog honderden andere gevangenen, die honger hadden. Maar ik moest dat gedaan hebben; ik zette altijd de hele school, gevangenis, overeind, Met mij hadden ze altijd last. Ik tekende die gekke plaatjes, waarmee ik het moraal van de “Binnenlandse Strijdkrachten” ondermijnde en de “Gevangenen”. opstandig maakte. “Als ik zo lastig was, waarom stuurden ze mij dan niet naar huis?. Dat was dan de beste oplossing”, meende ik. Ik bleef stug doorgaan met alles te ontkennen en een huiszoeking, dat wil zeggen, kamer na kamer doorzoeken op koeken en cake’s, haalde niet veel uit. Ten eerste kregen wij toch van de heer Kruitwagen, of van zijn zoontje Hans, drie van deze koeken per dag. En die gulle gave hoefden wij toch niet perse meteen op te eten Weer iemand anders had last van zijn maag en kon die koeken niet weg krijgen, dus daarom dat voorraad je koeken, dat bij die huiszoeking te voorschijn was gekomen. En weer iemand anders had die koeken omgeruild tegen sigaretten. “Er mag hier Godverdomme niet gerookt worden!” brulde Konijn. Maar de man had niet gerookt. Toen dat rookverbod kwam, had hij zijn sigaretten toch braaf tegen cake’s omgeruild. En als men helemaal niets meer wist kon men nog altijd zeggen: “Van de wacht op de gang gekregen. “Welke wacht; hoe heette die kerel?” wilde het Konijn dan weer weten. “Weet ik niet; het was donker op de gang!” Wij lachten ons kapot, deden ijverig mee, om de snode dader te ontmaskeren, maar gaven alleen maar de verkeerde antwoorden en het onderzoek liep dood. De motie van wantrouwen, tegen mij, bleef wel bestaan.

De jonge heer Kruitwagen heb ik eenmaal met een Duitse karabijn zien schieten. Het was tegen vier uur in de namiddag en wij zaten braaf op onze kamer te niksen. Opeens was er in het westen het bekende geluid van een V.1. in aantocht. Puffend en stotend kwam het ding naderbij. Maar zo lang dat puffen en stoten door bleef gaan, was het niet gevaarlijk. Dat wisten we wel. Alleen als dat horten, stoten en puffen op zou houden, zouden we vliegensvlug in dekking gaan, want dan kwam dat helse ding omlaag. We stonden met zijn allen voor het raam die vliegende bom na te staren en daar opeens kwam het opgewonden Hansje naar buiten rennen, met een Duits geweer en schoot het magazijn op dat projectiel leeg. Dat was dan weer stof voor de volgende gevangeniskrant. Harm Ensing zorgde voor een journalistiek passend commentaar op deze heldendaad. Er werden woorden gebruikt zoals: “Doodsgevaar” en “onder dekking van” en “met gevaar voor eigen leven” Ik maakte een bijpassende tekening. Links onder op het papier had ik een Duitse karabijn getekend, met een kruis er dwars over heen: Afgekeurd! Maar aan de bovenzijde stond het geheime wapen afgebeeld, wat suggereren moest, dat Hansje dat had bedacht, na de mislukte schieterij op die V. 1. Dat waren twee luchtballonnetjes, met het opschrift “Oranje boven, leve de koningin!” Tussen deze ballonnetjes waren vier van die ouderwetse klevende vliegenvangers opgehangen. Een klein ventje in de korte broek, bajonetje op het kontje, stond aan een lange draad deze ballonnetjes vast te houden. Bovenschrift luidde: “zeer geheim wapen....” en onder op het papier: Ontwikkelt door een nog bloedjonge soldaat van “Herrijzend Nederland!”

In de lange winteravonden, als de kaarten uitgespeeld waren en het licht nog wat aan bleef, werden er gezelschapspelletjes gespeeld. Dat licht werd’, zo vlak na de bevrijding opgewekt door een Deutz-machine in de schoenfabriek van Van der Wiel, vlak bij onze school(gevangenis). Van zonsondergang tot ‘s avonds half tien, tien uren was er weer stroom, ook bij ons. Tegen tienen begon het licht te knipperen en na een paar minuten ging het dan volledig uit. Als het licht uitging gingen we op de W.V.A. zak liggen, rookte de verboden sigaret, en overal in kamer gloeiden de brandende sigaretten op in de duisternis. Een man stond op post bij de deur, om te zien of er een vervelende wacht opdook. Een geliefkoosd spelletje, dat we speelden, zolang de lamp bleef branden, was “Handje klappen”. Dat spelletje ging zo: Iemand moest gaan staan, deze man kruiste beide armen voor de borst, maar de linkerhand werd geopend en plat onder de rechteroksel gehouden. De rechterhand werd als een soort oogklep tegen de rechterkant van het hoofd gehouden. Want de man mocht niet omkijken. Alle verdere medespelers stonden achter de man opgesteld. Onder elkaar werd iemand aangewezen, die zo hard als hij kon, in de geopende linkerhand van de man moest slaan. Dan mocht de man zich omdraaien en uit alle medespelers, die met hun duim omhoog en zacht fluitend om hem heen stonden, proberen te raden, wie hem die opdonder verkocht had. Raadde hij dat, dan moest de man die hem die opdonder verkocht gaan staan. Raadde hij dat niet, moest hij blijven staan en na de volgende klap opnieuw raden. De medegevangene Ootjes kon onnoemelijk hard slaan, zodat men bijna, door de slag, van de grond getild werd. Die kon dus maar een keer slaan, men herkende de slag onmiddellijk. Kees Horvers echter had een zacht handje; ook dat kon men, na enige training aanvoelen. Frans Robben miste een vinger van zijn linkerhand en daarmee verraadde hij zich altijd weer. Thijske Laak, die nooit mee wou doen, hadden we toch een keer zo ver gekregen, dat hij ook eens ging staan. Maar Thijske had nooit goed opgelet bij dat spelletje en in plaats om van zijn linkerhand geopend onder zijn rechteroksel te steken, hield hij zijn platte hand op zijn rechterwang. Ootjes haalde juist uit om Thijske’s een oplawaai op die platte hand op de wang, te verkopen, toen Thijske zijn hand toch weer van zijn wang weg trok. “Ik doe iets fout!” dacht hij nog en daardoor belandde de kletsende slag van Ootjes op zijn wang. Nooit heeft Thijske nog enige belangstelling voor dit spel getoond. Kees Horvers hebben we eens met dit spelletje een kwartier lang laten staan. Ook als hij raadde wie hem geslagen had, schudden wij eenparig met het hoofd van “Nee” en Kees draaide zich dan maar weer, beurs geslagen, opnieuw om. Toen hij er eindelijk achter kwam, dat hij (figuurlijk dan) voor aap was gezet; was zijn zacht handje, gloeiend heet aangelopen. Als ook dat spelletje ons verveelde, gingen we “Marsen om de tafel” en zongen liederen. Te weten: “De Internationale” Als zo’n lied door vijfenveertig, vijftig man uit volle borst gezongen werd, stond het “katholieke” schoolgebouw op zijn grondvesten te beven. De communisten onder de bewakers en verdere verzetsfiguren, de meeste boven de Moerdijkers waren dat, hieven goedkeurend het hoofd op en dachten aan een wonderbaarlijke massabekering onder de “Fascisten”. De heer Kruitwagen, bekend staande als fanatiek Katholiek, schudde meewarig met zijn hoofd: Waarom deden zijn gevangenen dat nu? Dat marcheren om de tafel en het zingen van dat afschuwelijke lied? Hij peinsde en peinsde en kwam er achter, dacht hij. “Natuurlijk, zijn gevangenen hadden weinig of geen beweging, dat was het! Ja zo af en toe naar de W.C., trap af, trap op, vijftig meter speelplaats, hooguit en dat was alles. Dat was eigenlijk de enige beweging die zijn gevangenen hadden”. Acuut werden er maatregelen getroffen. De voorspeelplaats, waar we nooit mochten komen, was groot genoeg. Een paar gevangenen werden gecharterd om deze muren met prikkeldraad op te sieren. Ik werd ook aangewezen, maar weigerde botweg te helpen om mijn eigen gevangenis te vervolmaken. Het prikkeldraad was alweer in beslag genomen bij de ijzerhandel Marhijssen-Heurkens. Schijnbaar had de eigenaar niet alle voorraad aan de Duitsers kunnen verhandelen.

Toen dat werkje klaar was, was ook de speelplaats een echte gevangenis en kwam de humane order van de heer Kruitwagen Sr. dat elke klas, kamer, in de morgen uren een kwartier ochtendgymnastiek zou mogen doen, op deze verfraaide speelplaats onder de welwillende leiding van Hansje. Maar dat verrekten we; we saboteerden dat volkomen. Als wij, klas na klas onder leiding van vier gewapende mannen naar die speelplaats gedirigeerd werden en Hansje begon met zijn ochtendgymnastiek en kraaide van: “Op die benen!” en “Looppas met dijheffing en hielaanslag!” bleven wij stokstijf staan. Niemand roerde zich. Dus dit grote geniale plan van de heer Kruitwagen Sr. haalde niets uit. Dat was toch eigen lijk jammer. Maar niemand wilde zich aan de commando’s van dat “snotkereltje” onderwerpen. Ik zag de oplossing. Heel diplomatiek ging ik de heer Kruitwagen Sr. benaderen en deed hem mijn voor stel. Als ik nu mijn medegevangenen bij hun kwartiertje ochtendgymnastiek ‘zou begeleiden, dan zouden de gevangenen geen bezwaar hebben, want, vond ik, dat plan van die ochtendgymnastiek was toch wel een geniaal en humaan plan. En goed doordacht. Door deze diplomatieke woorden, werd het geknakte ego van de heer Kruitwagen weer wat opgevijzeld en ik.kreeg de toestemming, om onder mijn commando, elke klas, iedere morgen hun kwartiertje ochtendgymnastiek te geven. En dat ging schitterend totdat.....!

Toen eenmaal in het dorp bekend was, dat elke morgen de gevangenen op die speelplaats een kwartier lang rondsprongen, stonden aan de grote schoolpoort meteen de vrouwen, de vaders en moeders, verloofden en vrienden, van die gearresteerde mensen om over en weer van gedachte te wisselen. “Hoe gaat het met jou, Willem? “vroeg een bezorgde vrouw aan de poort. Willem, die ijverig aan het rondspringen was (ik had vlak bij die grote poort speciaal het commando gegeven van “Pas op de plaats!”) antwoordde dan: “De goa wel, Fien: hoe is het mee ons Willemke en ons Fientje? paassen ze goed op thuis?”

Na een paar dagen was het vaste prik, dat ik vlak bij die schoolpoort alleen nog maar “Pas op de plaats!” commandeerde en er zo de gelegenheid was, om tussen man en vrouw, vader en zoon en verliefden en vrienden, van gedachten te wisselen. Maar mijnheer Konijn was daar op tegen. Ik mocht nog wel gymnastiekles geven, maar geen “Pas op de plaats” meer voor de grote poort. Maar het contact bleef, alleen werd er door de beide partijen wat harder geschreeuwd. Konijn stond dat ook weer met ergernis te bezien. Ook dit zou eerdaags wel afgelopen zijn, dacht ik. Dan, voor alles weer verboden werd, nog even dat kleine stuntje uitvoeren, dat ik al lang van plan was met kamer zes, de eliteklas. Hier zaten: Arnold Meyer, leider van het Zwart-Front, later Nationaal-Front, de heer Houben, directeur van de Koninklijke Lederfabriek, de heer Verviers, een notabele, met een grote villa aan de Hondsberg, wat die misdaan had, heb ik nooit geweten. De heer Donders, pensionhouder; de heer van Loon, drogist; Vader en zoon Mathijssen, de ijzerhandelaars, en nog vele anderen. En deze mensen voelden wel wat voor mijn grapje. Als ik deze heren zo ‘s morgens hun dosis bewegingsvrijheid gaf, namen ze dit erg serieus op. Ik liet ze de grote speelplaats ronddollen en schreeuwde commando’s en de heren gymnasten vermaakten zich best. Als laatste grap, voor die hele gymnastiek toch weer verboden zou worden, zou ik ze weer de grote speelplaats laten ronddraven en niet zoals altijd, bij de grote poort gekomen, het commando schreeuwen van:“Links of Rechts uit de flank!” om ze binnen de muren te houden. Nu zou ik , als ze vlak bij die grote poort waren waar achter de Vrijheid lokte, net doen alsof ik een “Black Out” had en het commando van “Rechtom!” vergeten. En “Befehl ist Befehl”, de groep zou dan rechtuit blijven draven, de grote poort uit. Dan moesten ze zelf maar uitmaken, wat ze met deze vrijheid zouden gaan doen. Ik zou daar blijven en als de wachten zouden toestormen en het kader mij zou uitvloeken, doodeenvoudig zeggen dat ik het commando “rechts uit de flank” vergeten was.

En zo gebeurde het. Bij de poort aangekomen schoot de hele kamer in volle draf onder de stenen boog door, omdat het commando “Rechts uit de flank” niet kwam. De verbaasde wachten begrepen er eerst ook niets van. Voor er eindelijk weer orde in de troep was en er een speciaal commando was georganiseerd, om de vluchtelingen te achterhalen, waren ze al tot het postkantoor door gedraafd. Nog altijd geen bevel van “Stop” of “Halt” of Rechtsomkeert!” De stunt gaf een enorme paniek in de gelederen, maar ik bleef er bij: “Commando vergeten!”“Ze” hadden mij nu eenmaal gearresteerd en gevangen gezet en dat zouden “Ze” zich van hun levensdagen blijven herinneren. Als ik maar even de gelegenheid zag, om deze, zichzelf tot officieren gebombardeerde gevangenenbewakers, dwars te zitten, zou ik dat niet laten. Daarbij voorkwam ik met mijn grappen dat de andere gevangenen de moed verloren. Zo bleef door mijn “rotstreken” het moreel behouden.



Eerste ontvluchting.

Zo nu en dan werden er nog nieuwe arrestatie’s verricht en nieuwe gevangenen binnen gesleept. Meestal gebeurde dat ‘s nachts. Soms werden wij van al die herrie wakker, want de zo juist opgebrachte personen lieten zich niet zo maar vastnemen en opsluiten. De kamer of klas waar de nieuwe gevangenen dan later, na de voorlopige ondervraging werd heen gebracht, werd helemaal wakker. Wij probeerden er eerst door allerlei vragen achter te komen, waarom hij was gearresteerd, want voor zover wij wisten was de man toch geen politieke contrafiguur of een bekende collaborateur die open en bloot met de bezetter had geheuld. Ik kwam er achter dat er nog altijd anonieme briefjes op het bureau werden afgegeven. Die hielden een formele beschuldiging tegen diverse personen in en werden dan onderzocht. De man werd opgehaald, wat natuurlijk verzet opwekte; hij wist van niets dus zag er geen heil in om zo maar vrijwillig met die nieuwbakken soldaten mee te gaan. De trubbels die zo ontstonden werden al min of meer als bewijs beschouwd, dat de man schuldig moest zijn. De ondervraging op het bureau was ook een paniekerige toestand. De man bleef zich verdedigen, vaak door sakkeren en godferen en die kerels die hier op wacht stonden of een taak op het bureau vervulden, waren vaak ook niet zo heilig geweest tijdens de bezetting en soms schoten de beschuldigingen van die woedende man tegen een of andere verzetsfiguur of ondergrondse in het verkeerde keelsgat. “Breng hem naar kamer die en die! brulde het Konijn dan woest en de man zat. Nu men toch iets meer ervaring had gekregen en die anonieme briefjes en verdere beschuldigingen meestal te vaag waren, moesten ze om narigheid te voorkomen, de man toch weer vrij laten. Ook de familie van de zojuist gearresteerde man zat niet stil.

Al die onderduikers en verzetsfiguren hadden maanden, jaren in en om Oisterwijk ondergedoken gezeten; iedereen kende ze. Zowel pro als contra. Niemand had ze eigenlijk iets in de weg gelegd tijdens de bezetting. Zo wist men ook heel veel over het doen en laten van deze heren. Er waren wel eens minder fraaie dingen gebeurd in die verzetsbeweging. Bijvoorbeeld het toe-eigenen van andermans have en goed en vooral niet te vergeten: de kleinere en grotere liefdesaffaire’s. Dat kwam nu allemaal naar boven en de beschuldigingen vlogen over en weer. Soms was het voor personen, die nu zo hoog van den toren bliezen, toch maar beter de zo pas gearresteerde weer op Vrije voet te stellen.

Maar “de zware jongens” bleven opgesloten. Als Nederland weer helemaal bevrijd en de koningin terug was, zouden er grote volkstribunalen gehouden en wij veroordeeld worden. Wat de Olsterwijkse wachten betreft, hadden we absoluut geen moeilijkheden meer; die waren zo langzamerhand de hele toestand een beetje beu en onderhielden met de gevangen genomen dorpelingen nauw contact. Ze brachten alles wat we wensten voor ons mee. Zelfs brieven en briefjes werden over en weer in en uit de school gesmokkeld. Bij bepaalde wachten was het zelfs mogelijk om eens een nachtje naar huis te gaan. Vooral de jongere kerels die nog maar kort getrouwd waren, maakte hier regelmatig gebruik van. “Maar wel op tijd terug zijn, mannen; anders krijg ik er moeilijkheden mee!” ver maande ons de wacht. Maar met die ondergrondse figuren en mannen uit het verzet, die niet uit Oisterwijk kwamen, vaak van boven de Moerdijk dus, was het altijd oppassen. Het Nederland boven de Moerdijk was nog altijd niet bevrijd, die mannen konden daarom nog niet naar huis en kuurden hun gramschap daarover op de gevangenen uit. Zij schilderden ons in de somberste kleuren, wat er allemaal met ons zou gaan gebeuren, wanneer heel Nederland bevrijd zou zijn en wij berecht zouden worden. Er werd gesproken over de dood door de strop en het vuurpeloton. De meeste van die mannen waren communist, waren dat altijd geweest. Nu zou dan eindelijk het volk aan de macht komen en zou er vrede en rechtvaardigheid op deze aardbol heersen. Wat de Communisten onder vrede en recht vaardigheid verstonden hadden wij allemaal op de Katholieke scholen in Brabant geleerd tijdens de geschiedenislessen over Rusland. Het uitmoorden van de Tsarenfamilie door de Bolsjewieken bijvoorbeeld, of Stalin met zijn zuiveringsactie’s in de regering en in het leger, het vervolgen van de kerken: “Godsdienst is opium voor het volk!” En wat was er met de Poolse officieren gebeurd in het bos van Katijn.

Dus dat zag er allemaal niet zo fraai voor ons uit maar dat kon de stemming op de school, onze gevangenis, niet drukken. Waren er de bovenmoerdijkse ondergrondsen niet geweest, zou onze gevangenis een vakantieoord geleken hebben. De Oisterwijkse deden alles voor ons wat we vroegen en wij kwamen niets te kort. Wel werden de Oisterwijkse wachten zo nu en dan, door hun niet uit Oisterwijk stammende collega’s gefouilleerd op het binnensmokkelen van allerlei zaken voor de gevangenen.

Toen kwam voor mij die morgen... Na het ontwaken en.tegen dat het buiten licht werd, stond ik voor de.vensters naar buiten, naar de speelplaats van onze schoolgevangenis te staren. De oude wachten werden afgelost en de nieuwe kwamen op. Dat moest onder het nodige militair vertoon gebeuren en nog altijd was het uniform van die “Binnenlandse Strijdkrachten” een mengelmoesje van Duitse en Engelse uniformen. De hele meute stond buiten aangetreden en niet alleen de kleding en wapens waren niet uniform; ook het leeftijdsverschil was groot. Er waren mannen van dik in de vijf tig, maar ook jonge knaapjes van amper zestien jaar. Ook dat maakte de hele troep tot een lachwekkende vertoning. Maar de “luitenant” Kruitwagen drilde zijn soldaten en de wapens moesten gepresenteerd worden. Elke man, stram in de houding, hield zijn schietijzer, met alle ceremonieel, voor zich uit. Meestal Duitse karabijnen, maar sommige hadden zich een stengun weten te veroveren of een pistool. Ze wisten niet precies hoe die stengun of dat pistool “gepresenteerd” diende te worden. Maar “gepresenteerd” werd er en ieder deed zijn best. Toen ontdekte ik een nieuweling die ik al een paar dagen eerder om het schoolgebouw heb zien zwerven en behalve een stengun had dit ventje ook een kijker om de nek hangen. Maar dat kon niet waar zijn. Dat was mijn kijker, die veilig thuis op mijn kamer moest hangen. Of zou ik mij vergissen? Hoe kwam die snotaap aan mijn kijker? Ik wilde dat knaapje van dichtbij bekijken en trok naar beneden. “Ik moet plassen!” zei ik tegen de wacht en met slome passen begeleidde hij mij de corridor langs, de trap af en de speelplaats over. Maar dat ventje met mijn kijker was verdwenen. “Verdomme, hoe kwam dat rotkereltje aan mijn kijker of zou het de mijne toch niet zijn?” Ik had rust nog duur; ik moest naar huis. Kijken of er mijn kijker nog was. Vanavond als het donker was, zou ik naar huis gaan; alleen maar om te zien of er mijn kijker nog was en dan weer terug komen. Niemand hoefde er iets van te merken. Maar ik moest en zou weten of dat mijn kijker was of niet. Ik vertelde een paar kamergenoten dat ze als ze mij vanavond een tijdje niet zouden zien en mij zouden missen, ze geen alarm moesten slaan. Ik zou van zelf weer terug komen. “Maar Sjef, dat kunde niet doen. Vanavond staan er een paar rotzakken op wacht, bovendemoerdijkers, ze zullen je kapot schieten, als ze je zien. Wacht liever tot morgen, dan staat den “Die-en” op wacht!” Maar daar luisterde ik niet naar. Vanavond ging ik naar huis, kijken of er mijn kijker nog was of niet. Voor ik dat wist, zou ik toch geen rust of duur hebben.

Mijn plan was gemaakt. Om het moeilijk te maken, moest onze halve kamer zo nodig. D warme hap was niet in orde geweest, was zuur en bedorven, beweerden wij en stonden met beide handen tegen de maag gedrukt, zielig tegen de wachten te doen. Met vier of vijf man tegelijk werden we met het geweer in de aanslag, naar bene den, naar de jongenstoiletten achter onder de loods gebracht. Binnen in die hokjes zaten of stonden de mannen allerlei kreun- en kermgeluiden te maken vanwege die bedorven hap. Met de holle hand tegen de mond gedrukt werden ook nog zware bromgeluiden geblazen, om toch maar vooral uit te laten komen, wat de oorzaak was van deze zo spontane leegloop. Ondertussen stampte de ongeduldige wacht buiten tegen de deurtjes om ons tot spoed aan te manen. Terwijl de wacht allerlei verwensingen aan ons adres stond uit te schreeuwen, sloop ik ongezien uit mijn hokje en klom op de loods. Eindelijk waren de gevangenen dan klaar met hun werk en stonden buiten in de rij en werden geteld. “Allemaal klaar?” riep de wacht, “dan “mars” naar boven!” Of het vijf, zes of zeven man waren geweest, die onder zijn leiding dit uitstapje naar de toiletten hadden gemaakt, wist de man niet meer. Boven de vijf tellen, als men een karabijn vast had was moeilijk; er waren dan maar vijf vingers ter beschikking en daarbij was het nog donker ook. De groep marcheerde naar binnen. Ik liet mij aan de andere kant van de loods afglijden en stond nu in de tuin van de kolenhandelaar Kosters. De achterkant van die tuin kwam op de Vloedweg uit, die parallel liep met de Vuile Stroom. Voorzichtig sloop ik langs dat riviertje naar de brug bij de wasserij Groenland. Maar ik had pech. Op de brug stonden twee dappere mannen uit het verzet zich stierlijk te vervelen. En ze hadden een geweer. Waarom ze daar stonden, was mij een raadsel. Zo strategisch belangrijk was deze brug niet. Tijdens de bezetting hadden deze kerels hun gloriedagen gehad. Geheimzinnig doen met plannen om deze of gene brug of gebouw op te blazen of het bedenken van allerlei andere stunts. Uitvoeren deden ze het gelukkig nooit; dat was toch te gevaarlijk. Wel distributiebureaus bij nacht en ontij overvallen en de buitgemaakte bonnen in de zwarte handel verkopen enzovoorts. Het avontuur kon niet op. Maar nu was dat allemaal voorbij en ze verveelden zich stierlijk. Ze stonden eenzaam en verlaten bij die rotbrug. Zo’n gevluchte gevangene als ik kon een mooie afleiding worden, als ze me tenminste zouden zien. Ze zouden weer actief kunnen zijn en gaan knallen, maar daarvoor zou ik ze de kans niet geven en ik sloop weer terug. Vierhonderd meter stroomafwaarts was nog een brug: de Suisendijkbrug. Dus terug en kijken of deze brug veilig was. Maar ook dat liep fout. Naar deze brug toesluipende, merkte ik weer een paar burgerfiguren op de donkere vloedweg en ze hadden in het silhouet tegen de schemerige nachtlucht geweren op de schouders. Zouden “Ze” me nou al missen en was er alarm geslagen?” Dan maar dwars door de donkere, diepe en vooral koude vuile stroom. Tot aan mijn middel steeg het ijskoude water, maar ik was er door en nu naar huis. Dwars over de weilanden, met een boog om het dorp heen, naar My Home. Van de achterkant naderde ik ons huis. Er brandde licht al was dat niet veel en binnen was wat geluid. Eerst sloop ik langs alle ramen en probeerde binnen te kijken. In de grote keuken zaten moeder en de kinderen te eten bij een olielampke. Zo te zien niets alarmerends, dus waagde ik het maar en ging binnen. “God, onze Sjef, hebben ze je dan toch eindelijk los gelaten?” riep ons moeder. “Was het maar waar!” zuchtte ik, maar eerst moest ik naar boven naar mijn kamer, zien of mijn kijker nog daar was. Mijn kijker was weg, mijn boeken waren weg, mijn microscoopje, mijn Aurora-sigaretten, alles was weg. Alles wat waarde had, waar ik aan gehecht was, was verdwenen. Versuft ging ik op de rand van mijn bed zitten; God wat was ik razend. Moeder was mij naar boven gevolgd en verscheen in de deuropening. “Ja, toen gij amper waard gevangen genomen, zijn er nog zo’n paar snotneuzen van het verzet gekomen. Huiszoeking, zeiden zij en moesten jouw kamer zien. Alles hebben ze, in naam der Koningin, in beslag genomen. Toen ik om een bewijsje vroeg over alles wat ze meenamen, lachtten ze me vierkant uit!” “Stil maar moeder, ik krijg die rotzakken nog wel, Godnondeju!”

Dat mijn kijker weg was, gegapt, deed me heel erg zeer. Hoelang had ik die al niet? En mijn boeken. Nou ja, er waren boeken bij, over Duitsland, over het Nationaal Socialisme: S.A. errobert Berlin, Mein Kampf, Moeder vertel eens wat van Adolf Hitler, Die Mythe des zwanzigsten Jahrhunderts, van Rosenberg en nog zo vele andere. Allemaal gekocht en verzameld in die vier jaren. Ook al mijn Signals, Duitse bladen over de oorlog, een complete serie. Bijna alle nummers had ik gehad en nu was alles weg, gestolen, gegapt. Brochure’s over Nationaal Front, boeken die ik van Arnold Meyer had gekregen. De veldtocht van generaal Mannerheim. Een Fins generaal die tegen Rusland vocht. Dan dacht ik aan mijn revolver, die ik verstopt had, maar die was er nog. Gelukkig maar, anders zouden “Ze” nog veel beroerder tegen mij gedaan hebben, als “Ze” die ook gevonden hadden. Verboden wapenbezit, stel je voor. Maar ik zou naar de school teruggaan en ze wel eens op hun nummer zetten. “Waar haalden “Ze” het recht vandaan?” Ik was dan wel gevangen gezet, maar op welke beschuldiging? Dat was men vergeten. Met een razende kop liep ik terug naar de school, na mijn moeder een “Goeie dag” te hebben toegeroepen. Nee, deze keer sloop ik niet. Ik ging met opgeheven, razende kop, dwars door het dorp. Over de Lind. Het hele plein stond vol met van die golfijzeren barakken, harsstikke vol munitie. Het hele trouwlaantje was een munitiemagazijn. Als de Duitsers dat wisten en het hele zootje onder vuur zouden nemen, zou dat weer helemaal fout zijn. Open dorpjes bombarderen; onschuldige burgers treffen.

Hoe kwam ik terug in de “School? Weer binnensluipen? Maar ze konden barsten. Ik zou gewoon door de poort gaan en de wachten vragen of ik even passeren mocht. Als de leiding mijn vlucht bemerken zou en mijn vrijwillige terugkeer, zouden ze helemaal voor aap staan. Voor de grote schoolpoort stonden twee wachten tegen de deurstijl, verveelden zich rot en rookten sigaretjes. Twee gloeiende puntjes tegen die donkere schoolpoort. “Mag ik er weer in?” vroeg ik, maar eerst moesten ze wakker worden. Iemand kwam vragen of hij binnen mocht! Nog altijd hadden ze mij in het donker niet herkend. Totdat een van de wachten zijn aansteker aanfloepte en mij bij dat vlammetje herkende. Van verbazing viel hij bijna om. “Hoe komde gij hieruit ?“ wilde hij weten. Dat was voor hem een vraag en voor mij een weet. Nog altijd dachten ze na over dat probleem. “Nou, hoe is het, mag ik er weer in of niet?” Geen reactie’s van die twee; het probleem lag toch te zwaar. “Of zal ik weer naar huis terug gaan?”. Toen nam ik het initiatief en stapte zonder verder vragen onder de poort door. Maar dat was ook weer niet goed. “He Sjef, kom eens eventjes terug!” Wat nou weer? Zeg, wij weten van niets. Gij bent ons niet voorbij gekomen. Kunnen we daar van op aan? Anders zitten wij met het gedonder!” Ik begreep ze en beloofde niet te vertellen, als ze me snapten, dat ik voorbij deze twee wachten, eenvoudig de poort weer was binnengestapt. Ik schoof weer onder de loods en kroop in een W.C. tje. Nu maar wachten totdat er weer een grote toeloop zou zijn om van deze hokjes gebruik te maken en me dan domweg bij de ontlaste mannen aansluiten. Hoelang was ik weg geweest? Hooguit twee uur. Mijn kleren, broek, sokken en schoenen, waren nog niet eens droog. Na vijf minuten zat ik weer bij mijn kameraden in de klas. Ze vonden het allemaal een verdomd mooie stunt om zomaar ongezien weg te komen en weer onbemerkt terug te komen zonder dat het “Bureau” daar iets van gemerkt had. Iedereen wou er het fijne van weten en de grap ging van mond tot mond. Maar Heuvelmans, een gevangene van kamer zeven, die het hele verhaal via derde of vierde hand gehoord had, ging het op het bureau verraden. De slijmerd. Maar erg vond ik dat niet. Vroeg of laat zouden ze het toch te weten zijn gekomen.

Verhoor en opsluiting in de cel.

Twee wachten marcheerden op en ik werd uit de klas gesleurd voor een verhoor op het bureau. Konijn was alleen aanwezig en tegen alle verwachtingen in, stuurde hij de beide gewapende wachten de corridor weer op. Ze moesten wel post vatten buiten naast de deur. Misschien kon ik handtastelijk worden, als ik daar alleen met de heer Konijn zou zijn. “Wat was ik thuis gaan doen? Had ik belastend bewijsmateriaal laten verdwijnen of vernietigd?” vroeg hij. “Er was geen belastend materiaal!” antwoordde ik, “Mijn hele gedrag tijdens de bezetting was een open boek, ik had niks te verbergen. Zo er al bewijsmateriaal was geweest, was dat gegapt, vlak na mijn arrestatie, als twee kwajongens, in naam der Koningin, mijn hele kamer doorzocht hadden en alles hadden meegenomen wat ook maar enige waarde had. Mijn kijker, mijn microscoop, mijn boeken, alles maar dan ook alles hadden ze gestolen, die fraaie leden van de Binnenlandse Strijdkrachten!” Ik begon me kwaad te maken, maar op die beschuldigingen aan het adres van al dat gewapend tuig, die verrekte gapbeweging, reageerde de heer Konijn niet. “Je weet toch dat ik mijn mensen de opdracht heb gegeven, elke ontluchtingspoging te verijdelen en zonder pardon op de vluchtelingen te schieten zijn stem werd agressiever en dreigender. “Och!” antwoordde ik, “je kunt van dat tuig, die verrekte kwajongens ook weer niet alles verlangen!” Toen werd hij kwaad, furieus sprong hij omhoog en riep de twee wachten weer binnen (geen Oisterwijkers) en beval: “Breng deze gevangene naar het gemeentehuis en gooi hem daar in de cel. Bij het minste of geringste schiet je hem neer. Geen ontvluchtingpogingen meer!” Eerst werd ik nog gefouilleerd, maar ik had niets van belang bij me. Dan moest ik afmarcheren met de twee bewakers achter mij. Een van de mannen had zo’n nieuwerwetse stengun, die hij pal op me gericht hield en de andere had veelbetekenend de haanpal van zijn karabijn omgelegd en zo gingen we de donkere nacht in. Onderweg werd er niets gezegd; wat zou er ook gezegd moeten worden? Ik moest wel met de armen omhoog lopen.

Op het gemeentehuis was het stil. Alleen de wachtmeester was aanwezig. Heel erg verblijd was hij niet met mijn komst. Hij had, zoals zo vele andere politiemannen, iets tegen het machtsvertoon van dit “Volksleger” De meer neutrale politie voelde zich min of meer gepasseerd, door deze militante kerels, die maar voor de vuist mensen arresteerden en opsloten. Dat was toch de taak van de politie om deze “criminelen?” aan te houden, een proces ver baal op te maken en ze dan in verzekerde bewaring te stellen. Maar de meeste “criminelen” zaten nu bij de Binnenlandse Strijd krachten. “De sleutels van de cel!” blaf te een van de wachten. “Waarvoor?” wilde de politieman Maas weten, maar dat was toch duidelijk: “Om deze Moffenvriend in die cel te smijten!” Met duidelijke tegenzin werden een paar sleutels uit de bureaulade opgediept en op het blad gesmeten. “Maar deze man valt niet onder onze competentie. Hij blijft onder jullie verantwoording. “Begrijp dat goed!” “Man ouwehoer niet zo!” en met een nijdig gebaar werden de sleutels van het bureau gegrist. In een donkere gang, aan de zijkant van het gemeentehuis waren drie cellen naast elkaar. Hoe dikwijls hadden we als schooljongens niet door een van de raampjes gegluurd. om die “Spinhuizen” te zien? Drie grijs geverfde, dikke houten deuren met onder en boven grote grendels. In het midden van elke deur een ijzeren beugel met een hangslot en een vierkant luikje. Toen vonden we het allemaal heel griezelig; hoe zo’n cel er van binnen uit zo zien, wisten we niet. Dat werd aan onze fantasie overgelaten. Maar nu zou ik dat te weten komen. Een wacht stond, bijgelicht door een beroete stallantaren, het grote hangslot open te sluiten en de grendels weg te schuiven. Dan ging de celdeur open en de tweede wacht gaf mij een stamp en ik belandde daarmee in het hok, tegen een smerig stinkende emmer en een klein houten tafeltje. Ook was er een soortement krib met een strozak en wat dekens. Zo zag dus die cel er van binnen uit. “Tuig, rotzakken, smeerlappen!” vloekte ik, maar de deur ging dicht, de grendels werden dicht geschoven, het hangslot vast gemaakt en ik zat in het donker. Buiten marcheerden de wachten af. Langzamerhand wende ik aan de duisternis en kon de verdere inventaris opnemen, maar meer als ik al gezien had, was er niet. Het houten luikje, midden in de deur was opengebleven. Mijn hoofd kon er juist door en ik keek in de donkere gang. Aan een kant was een deur; daar was ik doorgekomen met de wachten. Het hangslot kon ik aan. Het was heel groot en heel sterk, maar het zou wel te forceren zijn, als dat nodig was. De beide grendels, onder en boven aan de buitenkant van de deur niet. Maar als ik een poot onder dat houten tafeltje uitbrak zou ik ze terug kunnen slaan. Zo was ik in gedachte al plannen aan het maken, om ook hier uit te breken. God wat zou Konijn razend zijn, als ik ook hier uit zou ontvluchten. A1leen al bij die gedachte, moest ik glimlachen, bij al mijn ellende.

Voor in het gemeentehuis hoorde ik geluid en voetstappen kwamen op de deur aan het einde van de gang toe. Dan ging de deur open en ik keek in het verblindende licht van een zaklantaren. Het licht kwam naar mijn cel toe en iemand zei tegen mij: “Hier komde niet uit, Paijmanneke. Dat wat de politie bouwt is steviger dan jullie schooltje. Maar jij bent onze gevangene niet, dus hoeven wij ook niet op jou te letten. Wij mogen zelfs niet eens met je praten van die lui!” en hij schokte met zijn schouders naar achteren. Het was de rijksveldwachter Maas, die even een kijkje kwam nemen. Hij had een grote sigaar tussen zijn lippen en deed profijtelijke trekjes en dat rook heerlijk want ik had niets te roken. “Als ik wil, ben ik hier in kwartier uit!” pochte ik, “wedden om een sigaar?” en ik wees op die verrukkelijke stinkstok, die zo heerlijk geurde. “Hahaha!” gierde hij, “die is goed; nog nooit is iemand uit deze cellen ontsnapt en daar waren toch heel wat andere kerels bij als gij! Maar goed, als gij binnen het kwartier bij mij op het bureau staat, krijgde gij een sigaar!” Hij deed nog een paar trekjes aan zijn sigaar, blies de rook in de richting van het luikje en verween. “Tot over ‘n kwartierke dan, Paijke!” spotte hij nog.

Nu snel aan het werk; een kwartier was niet zo lang en het was eigenlijk nog maar een vaag plan geweest om hier uit te breken. Eerst die poot onder dat tafeltje vandaan, zonder al te veel breeklawaai te maken. Dat lukte. Dan naar dat luikje en kijken waar die grendels zaten, want dat zou blindelings werken zijn, want kop en armen konden niet tegelijkertijd door dat luikje. Het duurde langer als ik gedacht had, maar ik kreeg het toch voor elkaar. Nu het grote $lot nog. Daar was de grote lederen koppelriem goed voor. “Gott mit Uns” stond op de gesp en ik hoopte dat God ook inderdaad met me zou zijn. De riem werd door de beugel van het slot gewurmd en daar kon ik ook niets bij zien. Het was weer tastwerk en toen die riem mooi over dat hangslot hing een krachtige ruk. Mis, nog een keer. Weer mis. Verdomd waarom werkte dat slot niet mee. Allee, voor de derde keer en deze keer lukte het wel. Nu het slot uit de ijzeren beugels en een duwtje tegen de deur. Deze ging open en ik stond in de gang. Maar eerst alles weer in zijn oude toestand terug brengen. Maas hoefde niet te weten, hoe ik hem dat geflikt had. De afgebroken poot zette ik weer terug onder het tafeltje, maar zo dat die manke poot in de hoek van de cel stond en niet om kon vallen als er iemand tegen dat meubelstuk stootte. De twee grote grendels werden weer toe geschoven, het hangslot op de deur gehangen en dicht geknipt. Het kwartier zou nu wel om zijn, dus was het tijd om mijn sigaar te gaan ophalen. Ik liep de gang af, door de deur en kwam toen in een voorportaal met verschillende deuren. Achter een daarvan brandde licht, dus daarachter zou de heer Maas wel zitten en zijn sigaar verder roken. Ik klopte netjes aan en ging binnen. Ogen dat de man opzette; van pure verbazing slikte hij bijna zijn brandende sigaar in, begon te hoesten en stotterde: “Hoe komde gij hier? Wat komde doen?” “Mijn sigaar halen!” zei ik droog, “en hoe ik hier kom is voor mij een weet, voor jou een vraag en dat vertel ik je niet!” Helemaal verbaast en totaal van de kook door mijn verschijning gaf hij mij de sigaar. Ik kreeg vuur, nam een stoel en ging er gemakkelijk bij zitten. Nog altijd staarde de heer Maas mij ongelovig aan. Hij beschouwde mij als een soort geest of iemand met boven natuurlijke gaven. “Kom mee!” zei hij dan, “leg die sigaar maar eventjes neer!” en ik volgde hem naar de cellengang. De middelste deur, dus mijn deur was netjes op slot; de grendels dicht geschoven; het hangslot op zijn plaats en op slot. Het luikje hing open, maar daar kon geen mens door. Toch moest hij even mijn schouders meten en toen dat luikje. “Onbegrijpelijk!” mompelde hij. “Hoe hedde da gedaan? Allee Paijke, vertel op”. “Nee, dat vertel ik niet. Dat is niet afgesproken. Dat kan ik niet doen!” Samen liepen we terug naar de politiekamer en ik rookte verder aan mijn sigaar. “Begrijpt gij wel wat dat voor moeilijkheden zou geven, als gij hier werkelijk uit zoudt breken? Dan hebben wij, de politie jou laten ontsnappen en het botert toch al niet te best tussen dat Militair Gezag en de Gemeentepolitie!” Ik zag de problemen wel, maar wat kon ik er aan doen. Dat moesten “Ze” dan maar zelf uitvechten.

Dan kregen wij bezoek en het was de heer Konijn himself, die de gemeentepolitie wou komen vertellen, dat zij zich niet met hun gevangene mochten bemoeien. Het was hun arrestant en zij “Het Militaire Gezag”, had de verantwoording voor deze persoon. En nu zat deze persoon heel gemoedelijk met een agent van politie op de politiekamer een sigaar te roken. Dat ging te ver. Konijn was razend. Hij dacht er over na om dan maar de hele gemeente politie te laten arresteren op beschuldiging van “Geestelijk Contact met de Vijand!” (met mij dus). De heer Maas zat er echt mee in, vooral toen de heer Konijn de twee wachten, die voor het gemeentehuis hadden post gevat, naar binnen riep. Konijn zelf was nooit bewapend, maar als hij ergens heen ging, nam hij altijd twee zwaar bewapende mannen mee. “Vertel het hem maar van die weddenschap!” raadde ik de heer Maas. Het zou wel niet geloofd worden, maar de politieman kon er zijn gemoed wat mee luchten. Dus het verhaal werd verteld en Konijn geloofde er toch wel iets van. Hij zag in mij nu eenmaal een zeer gevaarlijk persoon. De cellen werden gecontroleerd en geïnspecteerd, maar ik wou hun niets vertellen. Weer werd ik in de cel opgesloten en een van de wachten bleef er voor staan. De politieman, Konijn en de andere wacht vertrokken weer. De conferentie werd in de politiekamer voortgezet. Ik hoorde ver stemmengemompel en soms een zwakke uithaal van een of andere krachtterm. Na een kwartiertje kwamen ze weer terug naar mijn cel. De ene wacht droeg een stormlantaren en een hamer; uit zijn broekzakken haalde hij enkele zeer grote spijkers en onder toeziend oog van de heer Konijn werd mijn celdeur, behalve die twee grote grendels en het zware hangslot ook nog dichtgespijkerd. Ze wilden wel eens zien of ik er nu nog uitbrak, dan wisten ze het ook niet meer en de meute vertrok. Daar zat ik nu; ik had me wel in de nesten gewerkt. Als enige troost overdacht ik, dat ik dat Konijn wel goed de ju had aangedaan. Verrekt wat was die kerel razend. Maar of dat nu zo verstandig was?

Ik zou wat proberen te slapen en dan maar zien wat de volgende dag zou brengen. Toen ik op die strozak lag, stonk die emmer nog meer. In de duisternis nam ik het gevaarte omhoog en schudde er wat mee. En jawel, het klotste. God weet, hoe lang die emmer hier zo al stond? Als morgen de wacht kwam, eerst vragen of deze emmer geleegd kon worden. Maar hoe, de deur was immers dicht gespijkerd en door dat luikje ging dat niet De morgen kwam en ondanks de geweldige stank die uit die emmer kwam, had ik redelijk goed geslapen. Het begon langzamerhand wat lichter te worden. Helemaal licht werd het in de cel niet. Alleen dat luikje stond open en ik kon, als ik mijn arm buiten dat luikje hield, op mijn polshorloge zien hoe laat het was. Half tien!. Al zo laat, maar in die cel kreeg ik niet veel licht. Wel veel honger. Op de school kreeg men ‘s avonds ook niets, maar er was voldoende “Zwieback” en andere binnengesmokkelde eetbare dingen en altijd voldoende te roken. Maar hier was niets als een stinkende emmer en een losse tafelpoot, waarmee ik op de deur ging hijsen en “Hongert” brulde, maar er kwam niemand. Straks nog eens proberen. Met mijn kop uit dat luikje had ik weinig last van die stinkemmer, maar ik kon niet eeuwig en altijd met mijn hoofd uit dat luikje gaan hangen. Nogmaals hijste ik met de tafelpoot op de deur. “Honger, Nondeju” Ik heb honger maar er kwam niemand. Ik barstte van honger en dorst, maar op de deur hijsen had geen effect Misschien zaten ze zich wel kapot te lachen als ze mij zo wanhopig te keer hoorden gaan. Maar ze zouden me niet klein krijgen. Ook dat plezier van mij hier te horen razen en vloeken, gunde ik ze niet, dus ik zweeg maar. Eenmaal moesten ze toch komen. Ze konden me hier toch niet laten verhongeren? Het begon weer donker te worden en nog altijd niemand. Ik werd er suf van en zat gehurkt op de strozak, naast die stinkende emmer maar wat te soezen. Jezus, wat een ploerten om iemand zo te laten verhongeren. Hoelang zou ik hier opgesloten blijven? Een dag, twee dagen of nog langer? Maar ze zouden mij niet kapot krijgen, ook na drie dagen zou ik ze nog naar hun strot vliegen. Op het gevoel draaide ik mijnhorloge op; ik moest bij de tijd blijven. Ook de volgende dag kwam er niemand. Schreeuwen deed ik niet meer. Ik was schor en mijn keel deed zeer en mijn maag deed niks als rommelen en krampen veroorzaken. Slapen deed ik niet meer, de lucht in de cel was droog en de emmer begon hoe langer hoe meer te stinken. In een soort trance zat ik op het matras en de uren gleden voorbij. Kapot krijgen, konden ze mij niet, die vuile smeerlappen; alhoewel ik me verre van fit voelde. Mijn tong lag als een leren lap in mijn mond en slikken deed pijn. En mijn hoofd was zo sufferig maar slapen kon ik niet. Die emmer stonk zo.



Hospitaal en weer terug op kamer vijf.

Veel herinner ik me dan niet meer. Wazig weet ik nog, dat er toch iemand bij mijn dichtgespijkerde cel is gekomen. Er is iets aan mij gevraagd, maar wat weet ik niet. Ook niet of ik iets terug gezegd heb. Wel hoor ik het piepen en knarsen van hout, als de spijkers uit de deur worden getrokken. En dan zit ik in een deken gewikkeld in de politiekamer en probeer bevend een glas melk te drinken. Iemand vertelde mij dat er dadelijk een brancard van het Rode kruis zal komen om mij naar het hospitaal te vervoeren. Dan is er weer een leegte, totdat ik duidelijk weet dat ik door een donkere nacht word gedragen op een baar. Ik voel de cadans van de dragers onder het lopen en de koele frisse nachtlucht. Als ik dan weer echt goed weet wat er allemaal gebeurt, lig ik in fris bed met lakens, dus niet weer opnieuw in de school. Ik ben in de oude school naast het Fratershuis, in tegenstelling tot de nieuwe school, nu dus de gevangenis voor politieke delinquenten en andere arrestanten van het Militair Gezag, die aan de andere kant van de straat voor het Fratershuis ligt. De oude school is ingericht als hospitaal en staat onder leiding van de Afdeling Oisterwijk van het Rode Kruis. Allemaal vrijwilligers; mannen en vrouwen uit ons dorp. Zuster van den Boogaard komt naar me toe. Deze zuster is de twintigjarige dochter van de drukker van den Boogaard. In leven was deze drukker een trouwe aanhanger van Arnold Meyer. Uitgeverij en Drukkerij. N.V. Oisterwijk. De meeste pamfletten, brochure’s en vlugschriften van Zwart Front, later Natinaal Front zijn op deze persen gedrukt. Zuster van den Boogaard is dus een “kameraadske”. En dat is te merken. Zij verzorgt mij liefdevol. Ik heb een kronkel in mijn darmen, vertelt zij mij “En wij zullen proberen jou zolang mogelijk hier te houden!” Hier heb ik het goed, zelfs mijn moeder komt mij bezoeken. Alle klassen van de oude school liggen vol patiënten. De vader van Jantje Laak ligt er met een zwaar omzwachteld been. Een ongeluk op de bevrijdingsmorgen. In de klas waar ik nu lig, zijn nog acht andere patiënten, die allemaal, min of meer, gewond zijn geraakt bij de bevrijding. Ik ken ze allemaal en zij kennen mij. Ze weten heel goed, dat ik een gevangene ben. Om mij te troosten, laten zij duidelijk merken, dat ze het niet eens zijn met dat zomaar voor de vuist weg arresteren en opsluiten van al die Oisterwijkse mensen. Als zij zo graag mensen opbrengen en gevangen zetten, waarom hebben ze dan die en die niet gearresteerd. Of den die-en? Er worden namen genoemd van personen, die toch zeker als eerste opgepakt moesten zijn, maar nog altijd vrij rondlopen. De heer Konijn kwam binnen om naar zijn gevangene te kijken. Maar zusterke van den Boogaard wordt furieus. Konijn mag van haar niet in de klas komen. Hij zal de rust en het welzijn van de patiënt verstoren. En die patiënt staat (ligt) nu onder de verantwoording van het Rode Kruis en zolang hij patiënt is, blijft dat Konijn bij zijn ziekbed weg. Het wordt een hele rel. De dienstdoende arts wordt er bij gehaald, Dr de la Croix. Deze dokter was ook op My Home, toen de ondergrondse Hansje Gerritsen, verwond en versuft, na het ontijdig afgaan van een dynamietstaaf, bij mij op mijn slaapkamer verpleegd werd. Maar Dokter de la Croix verklaart dat de man nog zeker niet in staat is, opwindend bezoek te ontvangen. Voor alles moet de patiënt rust hebben, hij knijpt mij stiekem in mijn been en geeft me een knipoogje. Dan dreigt Konijn een bewapende wacht voor de klas te zetten, want ik ben en blijf zijn gevangene en hij zit met een ontvluchtingcomplex. Maar de andere patiënten beginnen honend te lachen. Zij kunnen, zo’n bewapende snotneus, als vrije burger, niet voor hun deur hebben. Dan krijgen ook zij het gevoel, dat ze arrestanten zijn en dat belemmert hun voorspoedige genezing. Iets moet het Konijn toch doen; hij moet die mensen Diets maken, dat hij een machtige man in het dorp is en dreigt met een dubbele gewapende wacht op de straat voor het hospitaal. Dat moet hij dan maar zelf weten. In het gebouw, de school, is het Rode Kruis de baas en daar horen geen wachten met geweren en pistolen.

Als de rustverstoorder is verdwenen, komt zusterke van den Boogaard met een heerlijke kop bouillon. “Hoelang heb ik daar in die dichtgespijkerde cel opgesloten gezeten?” wil ik weten. “Vijf dagen!” vertelt ze mij, “en gij waart ver heen, toen ze eindelijk ontdekten, dat er iemand in die cel zat. Verstappen, de chefveldwachter vroeg waarom die deur was dichtgespijkerd en toen vonden ze jou!”. “Maar Konijn wist het toch, waarom heeft hij dan niets gezegd!?” vroeg ik. “O, die smeerlap!”, en het zusterke knijpt haar handen tot vuisten.

Dan wordt zij weggeroepen; er komt een nieuwe patiënt. Ondersteund door twee rode kruis soldaten, wordt een totaal omzwachtelde figuur binnengebracht. Alleen een stukje neus en een paar fel blauwe ogen zijn nog te zien. De omzwachtelde figuur moet voorbij mijn bed en zegt dan amicaal tegen mij: “Hallo Paijke, hier ligde beter, als onder het gemeente huis he?” Maar ik kan de man (het is een man aan de stem te horen) niet thuisbrengen. Ik zou, zo ingepakt, mijn eigen moeder niet eens herkennen. “Kende me nie of wilde me nie kennen?” vraagt hij dan. “Ik ken oe echt nie, wie bende gij?” “Goddomme man; ik ben de Schel; ge kent me toch: de Schel uit klein Amsterdam!” Ja, nu hij dat zegt, zal dat wel waar zijn: de Schel, Schellekens voluit. En als hij dan eindelijk op een bed ligt en door de rode kruis zusterkens wordt uitgewikkeld, is het inderdaad de Schel. Hij ziet helemaal rood als een kreeft en overal op die rozige huid beginnen kleine witte stoppelhaartjes te groeien. “Wat is er met jou gebeurd!?”, wil ik weten en dan kom ik het hele verhaal te horen. De Schel had ergens in de hei, of waar dan ook, een hele kist met seinpatronen gevonden. Ge weet wel, van die granaten aan een zijden parachuutje. Nou en die grote witte, kunstzijde lappen kon hij goed gebruiken. Voor hemdjes en onderbruukskes veur de kleine mannen. Maar die kist was zeiknat en om ze te drogen, had hij die thuis onder het fornuis gezet en nog eens extra de kachel opgepookt, om het hele spul vlugger droog te krijgen. Er moet ‘n vonkske in die kiest gevallen zijn en toen... afijn ge ziet wat er gebeurd is!” “Ge ziet eruit als ‘n pas geschouwd verreke!” spotte ik. “Maar da ge me nie kende”, zei de Schel, “da begreep ik nie!”

Ik had heerlijke, rustige dagen in dat hospitaal en dokter de la Croix bleef mijn toestand ernstig zien. Zuster van den Boogaard en andere zusters bleven mij vertroetelen en met alle goede zorgen omringen. Maar het Rode Kruis, afdeling Oisterwijk stond onder supervisie van dokter de Sain. En deze dokter was een felle Oranjeman. Tot mijn geluk kwam hij maar zelden in het hospitaal. Als echte patriot had hij belangrijker zaken te doen. Hij had, onder andere een zeer dikke vinger in de pap van het Militair Gezag. Zo nu en dan liet hij zijn belangstelling voor al deze oorlogsslachtoffers blijken, door snel even langs de patiënten te rennen. Deze dokter woonde aan de andere zijde van het fratershuis, dus zou hij best wat meer bezoek aan het hospitaal kunnen brengen. Maar omdat hij dat niet deed, werd mijn ziek zijn min of meer kunstmatig in stand gehouden. Tot op die morgen. Vergezeld van twee zusters snelde hij de klassen af. Was ik er op voorbereid, had ik mij slapende kunnen houden, mijn gezicht naar de muur kunnen draaien en zou hij mij bij zijn snelle rondrit niet eens opgemerkt hebben. Maar ik was wakker, gezond en fit en wat komen moest, moest maar komen. Hij zag mij en ik hem en de kortsluiting was compleet. “Wat doet die man daar!?” beet hij de begeleidende zusters toe. En voor die zusters de tijd kregen om iets te zeggen, grauwde hij: “Ik, dokter de Sain, verklaar deze man gezond. Waarschuw de leiding van het Militair Gezag en zeg hun dat ze deze man weer komen ophalen en onder arrest stellen!” Hij wilde weer doorlopen, maar ik moest zo nodig: “Dank U wel dokter voor de fijne behandeling. Dag dokter!” Hij was diep beledigd door deze dankbetuiging.

Enkele minuten later stonden er twee zwaar bewapende mannen bij mijn bed en ik moest direct meekomen. “Mars en Mee!”. Ik had geen tijd meer om zusterke van den Boogaard te bedanken. Op kamer vijf werd ik met gejuich begroet. Konijn vonden ze een nog grotere schoft als ooit te voren, door mij in een cel te laten stoppen en die dan ook nog dicht te laten spijkeren. De dingen van de voorbije dagen werden mij verteld, maar ze vergaten, in hun opwinding het voornaamste. En dat was, dat het ten strengste verboden was, om een van de ramen te openen en naar buiten te leunen. Er zou zonder pardon geschoten worden bij overtreding van dit verbod. Maar ik vond dat kamer vijf bedompt en benauwd was, na mijn verblijf in dat hospitaal. De kamer was ook nog niet gelucht; dat gebeurde pas als de gevangenen, kamer voor kamer, onder toezicht een kwartier op de kleine speelplaats verplicht moesten gaan rondlopen. De befaamde ochtendgymnastiek was na de laatste stunt, weer afgeschaft. We hadden ook strozakken, maar die waren nog nooit gelucht, uitgeklopt of van hun plaats geweest. De ouwe Bungelaar, een verbitterde man van ruim boven de zestig, waste zijn eigen nooit en stonk langzamerhand zo erg, dat niemand naast hem wilde slapen. Ik wou wat frisse lucht in woon- en slaapvertrek, opende een venster, leunde naar buiten en snoof de heerlijke frisse morgenlucht op. Beneden op de kleine speelplaats marcheerde de wachtman Thijs Rozen rond. Hij had bij ons op de fabriek gewerkt, stond bekend als communist en bij de ontploffing van de munitietrein, had ik zijn driejarig dochtertje uit de puinhoop gehaald en verder in veiligheid gebracht. Voor ik eigenlijk goed begreep, wat er gebeurde, had Thijs zijn geweer van de schouder gegrist en “Pang” de kogel ging op vijf centimeter naast mij in een kartonnen noodvenster. Iemand trok mij verschrikt van dat venster weg: “Paijke, dat maag niet meer; dat hadden we vergeten jou te zeggen!” Beneden was er geloop en gedraaf na dat schot, maar de leiding nam niet de moeite om naar boven te komen en te vragen of er iets gebeurd was. Als dat zo was, zou er wel herrie gemaakt worden, redeneerden zij. Verrekte rotvent, die Thijs, maar ik zou hem dat nog wel betaald zetten. Op de kamer ging men weer verder met het kaartspel en de rikkers schaarden zich om de tafel. Een man stond voor de deur en overzag de corridor op vervelende wachten die nog altijd het rookverbod streng wilden handhaven. Aan de vensterbank stonden een paar mannen een patiencespelletje te spelen en zich wijs te maken, dat als ze deze keer helemaal uit konden leggen, ze over drie weken naar huis zouden mogen gaan. Ze kwamen uit, maar of ze nou over drie weken naar huis zouden mogen?

Nog die zelfde avond of nacht kreeg ik de kans om die snode daad van de wachtman Thijs te wreken. Het was midden in de nacht en ik werd wakker omdat ik zo nodig een plasje moest maken, dus sjouwde ik met een slaperige kop naar de deur en klopte, zoals de regel was, op de gesloten deur. De wacht zou dan moeten komen opdagen, de grendels van de deur doen en mij er uit laten. Op de gang stonden emmers, extra voor dat doel er neer gezet. Voor het zwaardere werk, werd je naar onderen geleid, naar de jongens W.C.s onder de loods. Maar ik kreeg geen gehoor, dus nog maar eens kloppen. Nog altijd niemand. Eens proberen of de deur soms open was. Wachten die het helemaal wel geloofden, lieten die deur soms open, konden we zelf onze gang gaan, zonder dat de wacht daar extra voor wakker moest worden. De deur was open. Voorzichtig keek ik de gang af. De wachter zat met zijn rug tegen de verwarming heerlijk te dutten en te snurken. Het was Thijs Rozen. Zijn geweer hing aan de knop van de centrale verwarming. Een kleine stallantaren stond bij de emmers en gaven een weinig licht. Dit was de kans om die man eens flink voor aap te zetten, maar eerst dat karabijn weg. Zo’n schietgrage vent zou dubbel zo gevaarlijk zijn, als hij plotseling zou wakker worden, mij zou zien en zijn geweer onder handbereik naast hem hing. Uiterst voorzichtig manipuleerde ik met de lederen riem en de verwarmingsknop en dan had ik dat schietwapen in de hand. De haanpal lag om. “Thijske, Thijske toch!”dacht ik, “dat kan toch niet; dat is levensgevaarlijk!” Daarom ontgrendelde ik dat geweer en nam er de patronen uit. De grendel klikte, maar Thijs werd daar niet wakker van. De patroon die in de loop zat en ook het magazijn, lagen nu in mijn linkerhand en ik stak ze in mijn broekszak. Toch eigenlijk maar sneu: Zo’n soldaat op deze gevaarlijke post, met een leeg geweer. Maar daar was wel iets op te vinden. Terug op mijn kamer en onder de strozak was een hele voorraad van dat Duitse Zwieback. Een koek, onderverdeeld in twaalf vakjes, post zegel grootte. Een voor een brak ik er de stukjes af en duwde die brokjes in het nu lege magazijn. Het kruimelde wat, maar toen dat magazijn goed vol zat, veegde ik zorgvuldig de kruimels weg. Nu kreeg Thijs zijn wapen terug, netjes aan de knop van de centrale verwarming. Een plasje maken, was ik door de spanning vergeten.

En ik had een houder met echte patronen in mijn zak. Wat kon ik er mee doen? Wel, morgen aan de “Officier Kruitwagen” laten brengen, dat zou de spanning weer verhogen en allerlei actie’s zouden er dan komen. Leuk om dat weer eens aan te zien. ‘sMorgens stond Piet van de Wiel in de gang op wacht, Eigenlijk was dit een vriend van mij, maar mannen die nu hier gewapend rondliepen, waren mijn vrienden niet meer, redeneerde ik met mijn trotse kop. Piet zag die bewaking ook niet meer zo zitten, maar als hoofddoel had hij zich het foerageren van de gevangenen voorgenomen; dat wacht lopen was meer een camouflage voor zijn snood ondermijnen van het Militair Gezag. “Piet ik heb vannacht iets gevonden; wilde gij dat naar het bureau brengen en aan Kruitwagen persoonlijk afgeven!?” Ik hield Piet het keurige pakje voor, waarin ik de munitie verpakt had. “O, dat wil ik wel doen!” zei Piet sloom en hij liep de gang door, de trap af, om het pakje op het aangeven adres af te geven.

Na drie minuten was er de grote paniek in de gelederen, die ik voorzien had. Dan werd ik door gewapende mannen uit mijn klas gesleurd, naar beneden, naar het bureau gebracht, en voorgeleid aan de Officier Kruitwagen en de rechtercommissaris Konijn. Ik zag het Konijn hardop denken: “Weer dat vervelende rotventje!” “Hoe kom jij aan die patronen!?” brulde hij. “O, die heb ik van nacht op de gang gevonden!” en ik haalde mijn schouders op. Moesten ze daar nu zo’n herrie over maken? “Waar? Hoezo? Lagen die zomaar op de gang?” beet de Officier Kruitwagen me toe. “Nee, ze zaten in een geweer, dat daar eenzaam en verlaten aan de verwarming hing!” “Waren er dan geen wachten of de wacht, van wie dat geweer was?” “Nee, er waren geen wachten; dat is het hem juist, dat was het gevaarlijke. Was er een gevangen genomen Landwachter of S.S. er gekomen en had dat gevaarlijke schietwapen gevonden, hadden er de dolste dingen kunnen gebeuren!” “Wat ben je zelf?” beet Konijn me toe. “Alleen maar een gevangene, geen S.S. er of Landwachter of iets dergelijks, neem daar vooral goede nota van!” en ik dreigde met mijn vinger. Dat ik gezegd had, dat er geen wachtman op de gang geweest zou zijn, was voor mij maar een halve leugen. Een slapende wacht op Post was voor mij geen wacht.

“Breng die man weer naar boven; terug naar zijn kamer!” gelastte Kruitwagen. Dus moest ik weer terug. Ondertussen was beneden op de kleine speelplaats een Militair Spektakel gaande. Al wat soldaat was, moest aantreden, wapens meebrengen, want daar ging het om. En dat duurde even. Afgeloste wachten zaten te kaarten of sliepen wat. Het kostte allemaal tijd om dan zo plotseling op “Inspectie” te moeten komen. De kaarten moesten weggelegd, jassen of uniformen moesten dicht geknoopt, wapens moesten opgepakt worden. Waar diende al die trammelant voor? Weer, zoals altijd, de grote show van dat “Volksfrontleger”. Allerlei wapens en brokstukken van uniformen van diverse nationaliteiten. Jonge knaapjes en oude kerels, die weinig of geen militaire opleiding hadden gehad. Maar ze deden hun best. Toen de troep zo ongeveer voltallig was werd er het commando: “Geeft acht!” geschreeuwd. Oude ruggen rechtten zich, buiken werden ingehouden en de jonge knaapjes voelden zich dolgelukkige om voor vol aangezien te worden. “Presenteer het geweer!” dat was even moeilijker, maar er was een oud-soldaat bij, die dat “Presenteren” redelijk onder de knie had. De rest kwam, na veel verbeterde handgrepen en dank zij het lichtende voorbeeld toch ook in de gewenste stand, en “presenteerden het geweer!” Drik Breugel, een veel te oude vent voor zulke gezelschapsspelletjes, was druk met zijn geweer aan het zwaaien geweest. Hij had dat onhandelbare ding, met veel vloeken en zweten dan toch mooi voor zijn buik omhoog gekregen en hield het met beide klauwen vast. Jammer dat de loop naar onderen wees. Maar een kniesoor die daar iets over te zeggen zou hebben. Dan ging de Officier Kruitwagen, geëscorteerd door de heer Konijn, een voor een de rij na, de wachten af. Het gepresenteerde geweer werd uit de handen van de wacht genomen en Kruitwagen himself opende de grendel, inspecteerde de inhoud, sloot de grendel weer, en de wachtman kreeg daarna zijn speelgoed weer terug. “O, was dat de bedoeling, kijken welk geweer leeg zou zijn. Toch handig bedacht van de heer Kruitwagen; en Thijs stond op de zesde plaats. Hij was zijn geweer aan het presenteren, waarvan hij niet beter wist, dan dat alles volkomen in orde was.

Kees Horvers, die naast mij stond en deze parade van boven af ook in ogenschouw nam, moest ik toch deelgenoot maken van mijn zoet geheim. “Kees let op!”, fluisterde ik hem in zijn oor, “als Kruitwagen bij Thijsen komt en de grendel opent, zullen er allemaal koekkruimels uit dat magazijn vallen. Heb ik er vannacht stiekem in gestopt!” “Het is toch nie waar, Paijke!” hikte Kees, maar hij stond al bij voorbaat te genieten van het naderende schouwspel. De zesde man. Met een snok duwde Thijs zijn geweer naar voren, naar de heer Kruitwagen. Grendel open en daar gebeurde het. De hand van de “Officier” was meteen met een lichtgeel kruim overdekt; Geelwitte kruimels kringelden omlaag, over zijn jas, langs zijn broekspijpen, over zijn schoenen. “Wat is dat?” brulde Kruitwagen de versufte man toe. Thijs stond er als een zot bij, zijn mond hing open en hij kwijlde een beetje. “Wat is dat?” brulde Kruitwagen opnieuw de versufte man toe. Maar Thijs wist het ook niet. Nog altijd hing zijn mond open en hij kwijlde verder. Dan had hij het door. Hij sloot zijn mond, veegde met de rug van zijn hand het speeksel weg en vloekte: “Godvernondeju! wie heeft dat gedaan!?” Hij wou zijn geweer terug hebben en amok gaan lopen in het gebouw. Maar zijn geweer was tijdelijk buiten gebruik. Omdat Thijs als een uitzinnige, bleef vloeken en tieren, trokken wij ons van het raam terug. Als hij naar boven zou kijken en onze gemene tronie’s zou zien, zou hij meteen weten hoe laat het was. En door deze grote tragedie zou hij wel eens echt gek kunnen worden. Als Thijs daarna weer wacht op de gang had en ik zo nodig moest, bleef ik op de kamer; al kwam het mijn oren uit. Er zouden ongelukken van kunnen komen.

Het Ardennenoffensief kwam en dat kon men ook op school merken. De belangstelling voor wapens verminderde met de dag; zelfs Hansje had zijn bajonetje vergeten. De inheemse wachten werden nog gemoedelijker, maar dat gaf kritiek bij de andere wachten, de Bovenmoerdijkers. De vraag werd al gesteld: Wat gaan jullie met ons doen, als de Duiters terug komen?” De communistische vleugel, de Bovenmoerdijkers, zagen maar een oplossing: “Heel dat tuig tegen de muur zetten en de mitrailleur er over!” En ik geloof dat ze het, als het zo ver gekomen zou zijn, ook werkelijk gedaan zouden hebben. Zo ze voor die tijd al eens een praatje met ons maakten, was dat nu weer helemaal verdwenen. “De bloemenkoopman” was een toenaam, die wij een Bovenmoerdijker gegeven hadden. Het was een wat oudere man en zou voor en ook nog tijdens de oorlog, in Rotterdam op de markt bloemen verkocht hebben. Deze man was niet zo maar een communist, zo’n arrebeier met een zwaar minderwaardigheidscomplex en een vieze pet scheef op het hoofd. Nee, de bloemenkoopman was er een van het betere soort, een idealist, een halve intellectueel, die Karl Marx had gelezen. Daarom leek hij mij zo star en gevaarlijk. Hij wist ook maar een oplossing als von Rundtsted en zijn mannen, op zekere dag voor onze schoolpoort zouden verschijnen. “Voor die Moffen hier binnen marcheren, de stengun over dat hele tuig!” Daar werd niet om gelachen; dat was niet zo maar een dreiging; deze kerel was daartoe in staat. De inheemse Oisterwijkse wachten, schrokken daar nog erger van als de gevangenen zelf. Openlijk tegen deze stellingname te protesteren durfden ze niet, maar aan heel hun optreden en verdere doen en laten, kon men toch goed merken, dat ze daar nooit aan zouden meedoen. Ze kwamen nog meer aan onze kant te staan.

Het Ardennenoffensief bleef aanduren. Er waren berichten, dat tot heden toe, het allemaal nogal succesvol verliep. Succesvol voor de Duitsers. Er broeide wat bij de inlandse “Binnenlandse Strijd krachten”. De Oisterwijkse wachten dus. Op een avond moest ik zo nodig naar de W.C. tjes onder de loods. Jo Bekxs, een goedmoedige kerel had de wacht op de gang. Jo had voor de oorlog bij ons op de fabriek gewerkt. De deuren gingen niet meer op de grendel als er Oisterwijkers op wacht stonden. “Jo!” riep ik, “ik ga efkes!” en dan wist men wel wat er bedoeld werd. Jo kwam mij achterna en nam zijn geweer schijnbaar met heel veel tegenzin op. Op de trap, uit het gezicht van de boven- en benedenverdieping hield hij mij staande. “Sjef luister eens. Als den Duits terug komt, willen “Ze” jullie allemaal kapot schieten. Maar wij, Oisterwijkse wachten willen jullie dan helpen. Als het zover is, geven wij onze geweren aan jullie en gaan naar huis!”. Hij begon namen te noemen van diegenen die hun geweer dan aan ons zouden geven.”Waarom gade nou al niet naar huis, Jo? Ge ziet toch zelf ook wel dat het een grote rotsooi is. De grootste zwarthandelaren en vriendjes van de Duitsers lopen nog altijd vrij rond. Wat, zij delen nou de lakens weer uit!” Ik noemde enkele namen. Hij knikte met het hoofd. Ja, daar had ik wel gelijk in. “We zien wel Jo, als het zover is!” zei ik en we gingen beide de trap af naar beneden.

Was het nu jammer of was het een geluk, dat dat Duitse offensief doodliep? Maar de fut bij de inheemse wachten was er helemaal uit. En de Bovenmoerdijkers werden hoe langer hoe driester. Ze deden niets als vloeken en ketteren tegen ons. Wij waren tuig, landverraders, smeerlappen, moffenvrienden en ze bleven dreigen met ons allemaal kapot te schieten. Kerstmis kwam en de gevangenen werden ingetogener. Het marsen om de tafel kwam te vervallen en wij begonnen nu Kerstliederen te zingen. De wijze, de deun, bleef, maar de tekst werd aan de tijd aangepast.

“Kruitwagen speelt voor Officiertje en voelt zich een held.

“Hij houdt de schoolpoort gesloten en de gevangenen geteld.

“Daar hoort hij gevangenen zingen; hun liederen vloeiend en klaar

“Zij willen met Kerstmis naar huis toe of anders in’t nieuwe jaar

Of nog een melancholische wijs:

“In dit koude sombere schooltje, zitten wij nu al maanden lang.

“Met de Vrijheid is gekomen, voor ons tirannie en dwang.

Of het volgende hartroerende gedicht:

“Klein Jantje staat voor het prikkeldraad

“Waarachter zijn pappa gevangen gaat.

“Hij wuift dan met zijn handje.

“Hij wuift zijn pappa goedendag.

“Dat pappa weer gauw thuis zijn mag.

“Bij mamma en bij Jantje.

Deze wonderschone gedichten kwamen in de Kerstuitgave van de gevangeniskrant. Kruitwagen had op de zolder van de school diverse kerstgroepen ontdekt waarmee de fraters in normale tijden, hun klas in de kersttijd opsierden. Elke frater had zijn, eigen kerstgroep. De Officier had al deze beelden naar beneden gebracht, op de gang en hij kwam handenwrijvend en minzaam lachend op mij af. Ik mocht, als grote artiest, zo’n groep hier op de gang, voor de gevangenen opstellen. De huichelaar. Ik zou het maar doen. Omdat er zeven klassen waren en zeven klassenfraters waren er ook zeven kerstgroepen. Helemaal normaal wilde ik deze kerstgroep ook weer niet opstellen. Er moest een klein grapje ingewerkt worden, om Kruitwagen en consorten een beetje voor de gek te houden. Dus die kerstgroep werd artistiek opgebouwd, maar voor de grap poseerde ik zeven St. Jozef’s bij maar een maagd Maria. Moesten Kruitwagen en consorten maar uitzoeken wie de werkelijke “collaborateur” geweest was. De zorg voor ons zielenheil werd zover doorgevoerd, dat er met Kerstmis, om vijf uur s’morgens op de benedengang een nachtmis zou worden gecelebreerd. Kruitwagen kwam ons dit, klas voor klas, persoonlijk mededelen. Wij hoorden dat met gepaste eerbied aan maar ik kon weer niet nalaten om even hard op te vertellen dat het jammer was, dat ik daar niet bij kon zijn, want dan ging ik naar huis. Iedereen, zelf s Kruitwagen moest daar om lachen. Zo bijzonder was dat nou ook weer niet. Het stellige gerucht ging dat Mathijssen van kamer zes, de eliteklas, van de heer Konijn een paar dagen verlof had gekregen, in ruil voor een cassette zwaar verzilverd Gero-tafelbestek van achtenveertig delen. Dus waarom hij wel en ik niet?

In de late avonduren, toen de grootste bedrijvigheid op de kamers geluwd was, kwamen twee gevangenen naar mij toe geslopen. “Zeg Paij, ga jij morgen echt naar huis?” Natuurlijk was dat een grapje geweest, maar nu zij mij dat zo vol vertrouwen kwamen vragen, hield ik me sterk:. “Ja, morgen ga ik naar huis!” zei ik. “Echt waar?” wilden ze weten, “Mogen wij mee?” “Das goed!” Wij kropen gedrieën in een hoekje en begonnen een plan de campagne op te stellen. Ik had het Kruitwagen gezegd, dus als hij dat serieus had opgenomen, zou hij maatregelen moeten nemen. Maar ik zat er aan vast; ik was helemaal niet van plan geweest om de benen te nemen.

Theo Rokven en Marinus Groenland waren mijn twee nieuwe kompanen. Theo moest zo nodig eens naar zijn Joke en Marinus was van plan, eenmaal buiten, nooit meer terug te keren. “Hoe doen we het?” wilden ze weten, maar dat moesten ze maar aan mij, de grote expert op dit gebied, overlaten. Eerlijk gezegd had ik helemaal geen plan, maar dat hoefden zij niet te weten. Maar iets wilden ze toch weten. “Gaan we er van nacht nog tussenuit?” vroegen ze. “Nee, morgen vroeg, “voor de nachtmis, als iedereen druk bezig is, poetsen wij de plaat!” en beiden knikten wijsgerig: “Toch geniaal van de Paij bedacht!”

De volgende morgen kwam er om vier uur al leven in de brouwerij, allemaal vanwege kerstmis en ook ik ging me aankleden, dat wil zeggen, ik trok een Duitse Marine matrozenkiel aan, voor het een of ander bij iemand geruild, want ik vond die kiel zo verrekte mooi en... provocerend. Theo en Marinus waren al langer wakker en erg benieuwd hoe de vlucht zou gaan, als we tenminste de gelegenheid daar toe kregen. We zouden de benedengang eens overlopen en dat ging zeer gemakkelijk. In deze Heilige nacht waren er op de bovengang geen wachten. Maar beneden dubbel. Er werd door een paterke een altaar opgebouwd en Kruitwagen had het enorm druk om een harmonium van de fraters van de zolder af te slepen. Hans je was navraag aan het doen of er onder de gevangenen ook zangers waren, die dan deze plechtige nachtmis met gezang konden opluisteren. De vluchtweg was mij vagelijk bekend. Eerst op die loods zien te komen, aan de andere kant in Kosterkes tuin springen en dan naar huis. Dat was geen probleem, zoals al bewezen was. Maar als er drie man over moesten, moesten er ook drie verloren ogen blikken zijn en dat zou, ook in deze heilige nacht maar heel toevallig zijn. Dan was er nog het punt: Konden Theo en Marinus vlug genoeg in zo’n ijzeren loodspaal naar boven klimmen? Nee, die overgang, dat klimmen moest snel gebeuren, maar hoe. En daar ging mij een licht op. In de klasse een, het wachtlokaal, was een ladder. Als we die nou te pakken konden krijgen? “Een zeer brutaal gokje wagen?” Er was zo gauw geen andere oplossing. Theo en Marinus stonden van de zenuwen op hun nagels te bijten. Ik ging naar ze toe. “Opletten jongens; ik ga die ladder bij die wachten vragen, kom er mee naar buiten, door de grote deur en dan hup, die ladder tegen de loods, er snel tegen op, over die loods bij Kosters in de tuin en dan, ieder op zijn eigen, weg, naar huis!” “Ja maar Sjef, die ladder krijgde nooit; die wachten zijn toch niet helemaal gek!?” “Die zijn nog gekker als gullie denkt!” Brutaal als de beul, liep ik het wachtlokaal binnen waar die ladder was. Het zag er blauw van de rook en iedereen zat of hing rond de tafel waar door vier wachten gekaart werd. Visbeen zat, op zijn geweer geleund dat kaartspel aan te zien. De Rooie Doleweerd kaartte zelf niet mee, maar stond grijnzend achter een speler, het spel af te kijken. Knaapje Seebrechts lag naast zijn mooi geweer gelukzalig op de bank te slapen. Nog twee anderen zaten op de schoolbankjes, de armen voor de borst gevouwen, wat te soezen. “Zeg mannen, ik moet efkes die leer daar hebben!” zei ik. Een paar kaarters keken van hun spel op en zetten een gezicht van: Nou en wat let je!?” en kaartten verder.

Ik begon aan die ladder te trekken, aan het einde lagen er een paar van die Engelse soldatenkielen op. De Rooie Dolenweerd, zijn grijnzende snuit nog altijd op de kaarters gericht, begon de kielen gedachteloos van de ladder te nemen, lichtte dan aan die zijde de leer wat omhoog en begon ze mij toe te schuiven. Ik nam het gevaarte op mijn schouders en riep: “Ik zal ze dadelijk wel terug laten brengen!” Ik maakte Rechtsomkeert en de ladder maakte deze bewegingen mee en de brave soldaat, die zo ijverig die kielen mee van de leer had weggehaald, kreeg het zwaaiende gevaarte in zijn nek. “Verrekte Paij, sodemieter hier op met die leer, gij maakt er de grootste ongelukken mee. Vooruit, er uit hier!” en hij was nog zo vriendelijk om de klassedeur voor mij open te houden. Nou begreep er niemand nog iets van. Door de Rooie Dolenweerd, nota bene, werd ik uit de klas gelaten, met de ladder op mijn nek en hij hield de deur nog voor mij open ook. Nu bleef ik het brutaal verder spelen. Zwaar gebukt onder die lange ladder slofte ik op de grote buitendeur toe. “Doe Goddomme die grote deur open!” vloekte ik de wachten toe, “anders draagt zelf dit zware kreng naar buiten!” IJverig hielden ze de deur voor me open en ik sjouwde verder. Theo en Marinus schoten toe en hielden onzeker het uiteinde van de ladder vast. Met zijn drieën, nee, met zijn vieren liepen we zo de grote deur uit. Met zijn vieren, want Jan Hominen, een gevangen genomen boswachter passeerde juist om even naar het toilet te gaan en sloot de deur achter ons. In een mum van tijd stond die ladder tegen de loods en Marinus spurtte als eerste er tegen op, maar de leer schoof terug. Het had wat gevroren en de steentjes op de speelplaats waren wat glad. Jan Hommen ging er met zijn zware boswachterschoenen voor staan. Toen ging Theo de ladder op; ik ging als laatste. Aan Jan Hommen vroeg ik of hij ook mee ging, maar dat wilde hij niet. “Breng dan de leer maar weer terug en doe ze de groeten!” riep ik hem na en verdween ook. Marinus gleed weer uit, maar nu aan de goede kant van de loods en kwakte in een bevroren bloembed bij Kosters in te tuin. Hij kwam weer overeind en hinkend verdween hij naar de voorkant van de tuin, het woonhuis aan de Kerkstraat. Wij hebben hem nooit weer terug gezien, dat wil zeggen: Op de school of in een andere gevangenis. Theo en ik moesten naar achteren, de Vloedweg op. Mijn kompaan wilde over de brug bij de Wasserij Groenland, maar ik waarschuwde hem voor eventuele wachtposten. Ik zelf zou het over de Suisendijkbrug proberen. Deze keer was er niemand en ik liep door naar huis. In de keuken was moeder bezig een kerstmaal klaar te maken voor de kinderen en hoorde mij niet binnen sluipen. Ze schrok op toen ik achter haar stond en plotseling: “Hallo moeder. Een zalig Kerstfeest!” zei. “Maar Sjef dan toch; bende daar al weer; zeker weer weggelopen! Kom, ga maar op de bank zitten. Ge zult wel honger hebben!” en ze begon allerlei lekkere dingen voor me neer te zetten. Echt brood, wittebrood en dat smaakte toch bijzonder lekker, die beschuitjes op de school begonnen te vervelen. Ook was er Cornedbeef uit blikjes. En koffie, echte koffie.

Mijn zuster Truus had in het begin ook een paar dagen vastgezeten maar al vlug weer Vrij gelaten. Toen ze mijn stem in de keuken hoorde, kwam ze haar bed uit en als een kloek bleef ze mij maar lekkere dingen toestoppen. Onze Jan, mijn oudste broer, (getrouwd en woonde ergens aan de Baardijk) kwam achterom de keuken binnen. Hij had Theo Rokven al gesproken en wist dus dat ik weer de benen genomen had en daar had hij het grootste plezier in. Maar hij had een plan; met Theo had hij dat al doorgesproken, om ons, Theo en mij, naar België te brengen. Daar moesten we dan bij een boer gaan werken en net zo lang in het edel land der Belgen blijven, totdat de toestand weer normaal zou zijn. “Kom op Sjef, kleed oe eigen aan, laat ons moeder wat brood klaarmaken voor onderweg en dan wegwezen voor die rotzakken hier verschijnen om jou weer op te halen!”

Ik ging snel naar mijn slaapkamer om wat warme kleren aan te trekken. Moeder en Truus begonnen wat proviand voor onderweg klaar te maken. Buiten begon het al licht te worden. Maar daar kwamen ze, God hier en daar, weer aanmarcheren. De blonde Richard voorop, daarachter het knaapje Seebrechts en overal slopen gewapende figuren om My Home en hielden hun wapens op de ramen en deuren gericht. De “Bloemenkoopman” kwam, als alle strategische posten bezet waren, met een grote revolver in de hand uit zijn dekking omhoog. Met enkele korte sprongen dook hij opnieuw weg achter een van de stenen zuiltjes, waar aan het tuinpoortje was opgehangen. Toen er niets gebeurde (en wat zou er moeten gebeuren?) kwam hij opnieuw overeind en stormde naar de voordeur toe. Daar stond hij dan, met zijn rug tegen de muur, naast de deur. Onze Jan stond dat verbeten, voor het grote serreraam, aan de voorkant van het huis, aan te zien. “Ze zijn hartstikke gek!” riep hij, “kijk nou eens naar buiten; ziede dat. Godsamme, wat een stelletjes vlegels, wat een doorgedraaide idioten. Ik zou er heel hard om moeten lachen, als het niet zo treurig was!” “Paijmans, geef je over; het huis is omsingeld!” klonk het bij de voordeur. Ons moeder ging naar buiten. “Maakt oe nie zo dik, halve gare!” beet ze de man naast de deur toe, “onze Sjef zal dadelijk wel komen”. Doe die geweren weg; bende gullie nou helemaal gek geworden? Kwajongens die ge bent! Als gullie zo graag soldaatje wilt spelen, moette dat maar ergens anders gaan doen, maar niet in onze tuin. Voorruit van de plaats af!” en ze wees de man met een dreigende vinger naar het poortje. En de held ging, maar bij het poortje vatte hij weer post, trok opnieuw zijn pistool en leunde, de revolver in de aanslag, op dat hekje. Onze Jan was intussen in de clinch met de blonde Richard, die geprobeerd had, door de achterdeur het huis binnen te sluipen. “Stampt hem de stroom in, Jan!” gilde onze Truus, “die rotzak, slaat hem op zijn bakkes!” Door al die herrie waren de jongere kinderen ook wakker geworden en keken stom verwonderd naar deze wild.west film. Ze hadden er eigenlijk wel plezier in; bang waren ze in elk geval niet. Mijn broertje Jos, een ventje van tien of twaalf jaar, stapte resoluut naar buiten en begon de “bloemenkoopman” die nog altijd fier en heldhaftig met getrokken revolver op ons tuinpoortje leunde, van dat poortje weg te duwen. “Dat is ons poortje!” dreinde hij, “daar meugde gij niet op leunen!

Dan ging ik zelf maar naar buiten. “Hou toch op met dat gesodemieter; ik zal wel weer meekomen, nog eventjes mijn schoenen aantrekken en ik ben klaar!” Nu de helden de opgejaagde buit weer gezien hadden, kalmeerden ze. Twee wachten moesten naast de voordeur komen staan, maar dat wou ons moeder niet hebben. “Dit is onze plaats!” zei ze, “als gij op onze Sjef wilt wachten, moeten jullie dat maar bij het poortje doen, niet op onze plaats”. En ze gingen bij het poortje staan. Ik geloof dat moeder dat expres deed om de buren goed te laten zien, wat een snotneuzen, die soldaatjes waren. Zoveel herrie om niks. Ook de buren wisten wel dat ik eigenlijk maar een vrij onschuldige gevangene was. Onze Jan was weer verdwenen om nog voor de patrouille bij Theo Rokven te zijn. Hij wilde hem waarschuwen te verdwijnen voor ook hij opnieuw gearresteerd zou worden en een zelfde operette ook in de Heisteeg werd opgevoerd.

Op mijn allerdooiste gemak begon ik mijn schoenen aan te trekken. Van Sticht, onze naaste buurman, kwam naar ons toe. In zijn hand had hij een tas met appelen. Voor mij, omdat ik hem op de bevrijdingsmorgen, met zijn vrouw, naar de grote schuilkelder gebracht had. Bij het poortje moest hij die tas openmaken en de inhoud werd door het “overvalcommando” gecontroleerd. Dan zou ik mij maar bij het poortje gaan melden en me overgeven aan de soldaten van “Herrijzend Nederland”. Ze zouden eens ongeduldig kunnen worden.

Dan plotseling kregen ze versterking. Niet alleen de troep die My Home hadden bestormd, maar nog veel meer. De gewapende macht was wel tot twintig man aangegroeid. En in hun midden, met de handen omhoog stond Theo Rokven en daarnaast onze Jan, ook met de handen omhoog. Aan zijn gezicht zag ik dat hij ziedend was. Wat was er gebeurd? Ik moest mij bij deze fraaie troep aansluiten, ook met de handen omhoog en daar gingen we, nagejoeld door mijn zuster en jongere broertjes. Onze Jan kon elk ogenblik amok gaan lopen.

De optocht ging op deze eerste kerstdag over de Gemullehoekenweg en wij passeerden juist de nieuwe kerk, toen de heilige mis geëindigd was. De kerkgangers kwamen ons tegemoet, met het kerkboek, goud op snee, onder hun armen. Er waren veel vrienden en bekenden bij en wat konden wij anders doen, dan al deze passanten een “Vredig Kerstfeest!” toe te wensen. “En vrede op aarde aan hen die van goede wille zijn!” voegde ik er zo nu en dan aan toe. En dat allemaal met de armen omhoog. Maar de “Kruisweg” ging verder en de stoet ging de Kerkstraat in. Bij de protestante school, ook een kwartier van de “Binnenlandse Strijd krachten”, werd halt gemaakt. Wij werden in die school gedreven en opgesloten in een lege klas, maar dan ook helemaal leeg en werden alleen gelaten. “Wat is er allemaal wilde ik weten. Theo zweeg maar onze Jan moest eerst een paar keren vloeken. “Godnondeju! Godnondeju!. Wat zijn me dat toch voor vlegels? Die snotneuzen zijn echt gevaarlijk!. Ze hebben op me geschoten, Sjef. Echt waar; twee keren, vlak naast mij, in een boom, die rotzakken. Ik schrok me kapot; ik had nooit gedacht, dat ze dat ook echt zouden doen!” Mijn broer kon er maar niet over uit, hij was nog helemaal van de kook en ijsbeerde de zenuwachtig de lege klas rond. Toen hij wat bedaard was, kreeg ik het hele verhaal te horen. Onze Jan was wel voor de anderen bij Theo aangekomen om hem te waarschuwen zo snel mogelijk weg te komen, maar een andere groep had de woning van Theo al omsingeld en lagen verdekt opgesteld onder struiken en bosjes te wachten.

Toen kwam hij, onze Jan, aangerend om Theo te waarschuwen. Ze waren omhoog gekomen uit hun schuilplaatsen en sommeerde onze Jan de armen omhoog te doen. Maar onze Jan had ze uitgelachen en gezegd, dat ze “Verrekte Snotneuzen” waren, stak zijn armen niet omhoog en liep door. Toen waren er van twee kanten schoten gevallen en een schot, kogel, was vlak boven zijn hoofd in een boom terecht gekomen. Daar was hij toch wel van geschrokken. En ook verdomd kwaad geworden. “Maar ik blijf hier niet!” hij wou er uit en vlug (toch familie van mij). Toen zijn grootste woede voorbij was, begon hij een ontvluchtingplan uit te werken. Met zijn drieën, in plaats van twee, zouden we naar België gaan. “Maar jouw vrouw dan Jan; wat moet Agatha dan doen?” “Gurreguk moet maar voor zichzelf zorgen, die-en tijd dat ik in België zit!” besliste hij. De achterkant van die klas zou een groot venster gehad moeten hebben, maar het glas was natuurlijk kapot. Het grote gat was dicht gemaakt, door er domweg een groot tafelblad voor te timmeren met van die hele grote spijkers die mij bekend voorkwamen. Ik herkende de meesterhand. Verder was die klas leeg; geen bank, geen tafel, alleen een groot vuilnisblik met een massief ijzeren handvat. Dat was voldoende om, als het straks donker was dat tafelblad voor dat kapotte raam weg te breken en r opnieuw de benen te nemen. Ik had het grootste plezier. Nog een keer wat groots stuntwerk op de kop van die slome duikelaars. Die verzetshelden, die dappere ondergrondse, die “Binnenlandse Strijd of Grijpkrachten!” Ze weer voor aap zetten; direct weer de benen nemen. O, wat zouden dat Konijn en consorten nijdig zijn. Theo was op de vensterbank geklommen en keek door een speet in de afscherming op de Kerkstraat. “Verrekt Jan, daar is jullie vrouw, jullie Agatha” riep hij opeens. “Wat is ons vrouw hier?”, vroeg onze Jan verbaasd, maar voor hij op de vensterbank stond was Agatha al naar binnen, de school in. Wat zou er nu gaan gebeuren? Na een kwartier werd Jan uit de klas weggehaald en toen ik door die spleet stond te loeren, kwamen onze Jan en Agatha naar buiten en wandelden gearmd weg. Dus ze hadden onze Jan, op voorspraak van Agatha weer vrij gelaten. Weg mooi vluchtplan. Maar Theo en ik konden toch nog gaan!? Ook dat mislukte. Na een half uur werd ook Theo weggeroepen en zat ik alleen. Dan moest ik voor de rechter komen en die rechter was Konijn, dus dat was niet zo mooi.,

Theo, zo hoorde ik, was weer naar de terug gebracht, omdat hij gezegd zou hebben dat ik hem had overgehaald met mij de benen te nemen. Dus was ik weer het brein, de aanstoker van al deze trammelant geweest! “En waar zit Groenland?” vroeg Konijn mij. Dat wist ik niet. Hij had niet tegen mij gezegd, waarheen hij zou vluchten. En als hij dat wel gezegd zou hebben, zou ik dat nooit aan Konijn vertellen. Wel had ik er plezier in, dat tenminste een van de drie, tot heden toe, nog niet opnieuw gevangen genomen was. De fronten verhardden zich. Konijn wou van mij weten waar de voortvluchtige Groenland zich ophield, maar ik weigerde hierop enig antwoord te geven. Ik wist al waar het weer op uit zou draaien; een scherpe fouillering en weer terug in die koude klas en straks, als ik barstte van de kou opnieuw een verhoor. Maar ik was er op voorbereid. Een zelfgedraaid sigaretje, een stukje schrabber en twee lucifers had ik al tussen mijn bilnaad gestopt, dus wat te roken zou ik wel hebben. Dat zouden ze, naderhand, wel merken. “Uitkleden!” beval Konijn. “Wat?”, vroeg ik verbaasd, “uitkleden? Ben je nou helemaal gek geworden?” “Ja, uitkleden, ik donder jouw naakt in die koude klas; je kleren blijven hier, die worden eerst onderzocht en als wij er zeker van zijn, dat daar niets, maar dan ook niets in verborgen is wat jou bij al dat vluchten kan helpen, krijg je ze weer terug. Maar dat kan wel even duren!” Die vent was gek. Ik moest mij helemaal uitkleden en werd toen, helemaal naakt, terug in die koude lege klas gebracht. “Ik krijg jou wel klein, manneke!” riep hij me na. “Jawel, grote baas, ge doet maar!” antwoordde ik terug. Helemaal naakt, met de billen tegen elkaar geknepen vanwege de verstopte sigaret, zij dachten vanwege de kou, en het geweer in de rug, werd ik weer opgesloten. Amper binnen, haalde ik omzichtig het rokertje te voorschijn. Niet dat ik nou zo’n trek in roken had, maar tegen dat de wacht of het Konijn himself mij mijn kleren terug zouden brengen, moest die klas blauw van de rook zijn. En dat allemaal met die ene sigaret. Het lukte wonderwel omdat het niet om het roken ging, maar om het produceren van zoveel mogelijk rook. Na vijf minuten hing er een prachtige dikke tabakssmoor in de lege klas. De schrabber en de afgestreken lucifer had ik door de spleet in de raam naar buiten gegooid. Konijn himself bracht na vijf minuten mijn kleren terug. De tabakswalm sloeg hem in het gezicht. “Er is hier gerookt!” brulde hij tussen twee hoeststoten door. “Jawel mijnheer!” zei ik onderdanig, “het was hier zo koud en alle beetjes helpen!” Als blikken konden doden, had ik geen minuut meer geleefd. Wanhopig maakte hij een paar passen door de lege klas, vond het peukje, expres goed zichtbaar daar neergelegd. Het bleef voor hem onbegrijpelijk. Ik stond hem naakt en onderdanig aan te staren. Dat maakte hem helemaal overstuur. “Aankleden en dan ga je weer terug in de cel onder het gemeentehuis!” hij zei dat met een stem, waarvan ik koud zou zijn geworden, zo ik al niet koud geweest was. Dan riep hij de wachten en die kregen het bevel mij weer te gaan opsluiten in de cel van de gemeentepolitie. “En geen pardon bij dit kereltje!” beet hij de wachten toe, “bij elke verdachte beweging, schieten; geen nieuwe ontluchtingspogingen meer!” Door de donker wordende Kerkstraat, de Dorpstraat en dan over de Lind. Ik had om geen opzien te verwekken, normaal met de handen omlaag mogen lopen, dus hun “Goodwil” bij de dorpelingen begon zo langzamerhand toch op te raken.



Voor de tweede maal in cel onder het gemeentehuis.

Op het gemeentehuis was de chefveldwachter Verstappen aanwezig en die wou aanvankelijk helemaal niet meewerken aan mijn opsluiting. Na een fel twistgesprek, gaf hij dan toch toe. “Maar deze keer wordt de celdeur niet dichtgespijkerd!” beet hij de twee wachtmannen toe”, en ik sta er op, dat er driemaal per dag door jullie controle gehouden wordt, naar het wel en wee van de gevangene. Als dat niet gebeurd, nemen wij de zorg voor deze man over. Goed begrepen? En vertel dat ook tegen mijnheer Konijn!” Weer kreeg ik de middelste cel en de deur werd niet meer dichtgespijkerd. De cel was ook zuiver gemaakt, de emmer geleegd en het stonk er niet meer. Toen de wachten waren af gemarcheerd, bracht de hoofdagent mij ook nog twee dekens, waarbij de celdeur open moest en ik wat op de gang heen en weer mocht lopen. “Wij houden een oog je op jou, wat eten, drinken en verdere verzorging betreft maar doe het ons niet aan, om hier uit te breken. Wij krijgen dan de grootste herrie met die heren van “Herrijzend Nederland!”. Ik begreep dat en beloofde alle medewerking. Deze keer was het best uit te houden in die cel. Als het te donker werd in de cel, kreeg ik een lampje, boeken om te lezen en behalve de vier koeken, die elke dag door een wacht werden gebracht. Als zijnde mijn rantsoen, werd mij van gemeentewegen elke dag een emaillen pannetje met heerlijk warm eten gebracht. Ook elke morgen werd ik door de dan dienstdoende agent gelucht. De celdeur ging open, ik mocht mijn dekens buiten op de gang uitkloppen, de emmer gaan legen en de agent maakte zomaar een nietszeggend praatje tegen mij.

Zo was dit tweede arrest onder het gemeentehuis best te dragen. Per dag kreeg ik zelfs een pakje Aurorasigaretten, maar mij werd verzocht de peukjes in de emmer te smijten. Ik begreep dat helemaal. Kwam een soldaat van Oranje zijn controle houden en mij mijn dagelijks rantsoen overreiken, rammelde de dienstdoende agent, die de wachtman binnen moest laten, extra hard met zijn sleutels en treuzelde enorm lang, voor hij de diverse deuren, tot de gang en mijn cel open had. Ik zwaaide ondertussen met mijn lectuur door de cel, om de rook van de sigaret wat te verdrijven, als ik wat gerookt had. Nu het mocht, tenminste van de gemeentepolitie, zag ik er geen heil in, mijn cel vol blauwe dampen te blazen. De vier koeken, mijn dagelijks rantsoen werden mij door het luikje toegereikt, met een zaklantaren werd even de binnenkant van mijn cel bekeken en dan verdween hij weer. Die wachten zeiden niks en ik zweeg ook. Drinken kreeg ik niet, ze wisten blijkbaar niet dat een opgesloten mens ook wel eens dorst kon hebben. Maar de koffie, thee of warme melk, die ik van “gemeentewege” kreeg, maakte deze fout weer goed.

Een zoon van de chefveldwachter Verstappen was met onze Bertus op de St. Denisschool in Tilburg geweest. Op deze school was de broer van mijn moeder de “Prater Directeur”. Het was een soort handelsschool, waarin behalve de drie talen: Frans, Duits en Engels ook nog onderricht werd gegeven in Handelsrekenen en Boekhouden. Piet Verstappen en onze Bertus waren sindsdien altijd vrienden gebleven. ‘en andere zoon van deze politieman, Jo, was tot voor kort in Schalkhaar op de politieschool geweest. Dat had spanningen gegeven tussen de agent Berkers en zijn chef, de heer Verstappen. Gelukkig was het politiecorps in Oisterwijk nogal, om het met een mooi woord te zeggen “Neutraal ten opzichten van het verzet en verdere ondergrondse bewegingen geweest. Behalve die ene uitschieter: de agent Berkers. Maar die haalde de schade dan ook dubbel en dwars in. Tijdens de bezetting had hij een plezierig contact met de Duitsers en na de bevrijding maakte hij dat weer goed door een onplezierig contact met mensen, die niet alleen maar op de Duitsers gescholden hadden.

De twee overige cellen in het gemeentehuis, links en rechts van mijn cel, waren onbruikbaar. Op een morgen was ik mijn cel wat op orde aan het brengen onder leiding van de dienstdoende agent van politie, de heer Hendrix. Mijn cel stond open en ik was op de gang mijn dekens aan het uitkloppen. De agent moest even weg en liet mij alleen. Zomaar, uit nieuwsgierigheid, moest ik even in die twee andere cellen gluren. De deuren waren wel dicht, maar niet op slot. Bij een vlugge inspectie bleken die beide cellen vol kartonnen dozen en houten kisten te staan. Wat zou daar wel in zitten? Hoewel ik het steeds in gedachte had en het mij razend nieuwsgierig maakte, ben ik er nooit achter gekomen. De tijd was te kort, Op een avond zat ik, bij mijn olielampje het een of ander boek te lezen en kwam agent Verstappen mij mededelen, dat ik weer terug naar school moest, omdat de cel, mijn cel, een andere gevangene zou krijgen. Dat werd mij op zo geheim zinnige manier medegedeeld, dat dit toch wel een heel bijzondere gevangene moest zijn. Ik moest mijn spullen bij elkaar pakken. Dat was niet veel, dus nam ik mijn lectuur (van de gemeente) ook maar mee en stond eenzaam en nieuwsgierig op de gang voor mijn cel te wachten. De deur van de gang ging weer open en tussen twee; in volledig Engels uniform gestoken soldaten stond de heer Konijn. Ik kon mijn ogen niet geloven. Verstappen ging de twee soldaten voor en wees naar de nu vrijgekomen cel. En daarin werd de heer Konijn nu opgesloten. Die soldaten spraken geen stom woord en nog altijd geloof ik dat dit inderdaad echte Engelse soldaten waren en niet van die “Volksfrontachtige” figuren van de pas opgerichte club van “Herrijzend Nederland”. Konijn keek mij in het voorbij gaan niet aan en liet het hoofd hangen. Het klinkt misschien gek en overdreven sentimenteel, maar ineens had ik medelijden met die man.

Buiten op de gang stonden twee “normale” figuren uit de verzetsbeweging, wachten van onze school en ik werd tussen deze twee mannen terug naar de school van “De heilige Johannes den Doper”, onze gevangenis, terug gevoerd. Zoals gebruikelijk werd ik daar weer met een luid “Hoera” begroet. Maar eerst en vooral: “Wisten zij wat er met dat konijn was gebeurd, zodat hij in mijn cel was beland en ik weer terug op de school?” “Wist ik dat dan nog niet? Hij had gegapt. Bij de beter gesitueerde medegevangenen, daar had hij huiszoekingen gehouden en meegenomen wat van zijn gading was. Zilver en andere waadevolle artikelen. Er waren klachten op het bureau binnen gekomen, die niet meer te omzeilen waren geweest. Ook de gemeentepolitie was er mee gemoeid, omdat het hier niet meer om een politieke, maar om een criminele zaak ging. En die gemeentepolitie was niet te lui geweest om hier een diepgaand onderzoek in te stellen. En met succes!” Dat grote nieuws moest ik toch eerst even verwerken en toen ik dat allemaal op een rijtje had staan, sprong ik op de vensterbank en reikte naar de reeds bestaande karikatuur van de heer Konijn op de verduisterde vensterruit, om deze schets met verticale strepen te vervolmaken, aan de tijd aan te passen.

Met het verdwijnen van de heer Konijn werden de algemene regels voor orde en tucht, veel geweld aangedaan. Er waren tussen gevangenen en de bewakers hoe langer hoe meer punten van overeenstemming gekomen. Wij, de gevangenen moesten wel een zeker leedvermaak voelen over de arrestatie van de “Officier”, Maar ook menige wachtsoldaat lachte meesmuilend over die bijgewerkte karikatuur op het verduisterde vensterglas.

Om onder zo’n sullige bewaking weer de benen te nemen, kwam niet eens bij mij op. Dat interesseerde mij niet. Nee, als men het moeilijk ging doen, met sloten, prikkeldraad, grendels en obstakels met venijnige wachtmannen, die echt zouden schieten en kabaal maken, dan was het spannend en opwindend, ja, dan was ik er wel voor te vinden.

Ik, nota bene, mocht die avond mee naar de slachterij van, van der Eerden, waar onze warme hap werd toebereid. De lege bussen van de vorige maaltijd werden op een karretje gezet, om die dan, bij de slagerij, tegen volle in te ruilen. Met vier gevangenen en twee wachten werd de tocht naar en van de slagerij ondernomen. Behalve ik, mochten ook de gevangene van Oirschot, bijgenaamd “Het Vlooike” uit Moergestel, van Ostade en de directeur van de boterfabriek uit Udenhout mee op pad. Van Ostade had een verlamde linkerarm en werd daarom door ons “De Linksbinnen van Willem Drie” genoemd. De directeur van die Udenhoutse boterfabriek had een Duitse vrouw, was daarom opgebracht, want ook in de liefde en huwelijkstrouw kon men dingen doen, die het voormalige verzet mishaagd hadden.

Op zo’n tocht van en naar die slagerij zag men ook eens vrije mensen, kreeg men misschien wat lekkers of wat sigaretten toegestopt, mogelijk een briefje voor een medegevangene. Het schemerde al, toen wij bij de slagerij aankwamen en de hap was nog niet helemaal gereed. Wij moesten even wachten in de verlaten slagerij. De wachten bleven buiten staan praten. Elke gevangene zocht op zijn eigen manier naar iets wat eventueel te organiseren of te bietsen was. Kasten werden open gemaakt, laden opengetrokken. Janus van Ostade was onder een duister rek naar omhoog aan het reiken, maar kon dat wat hij zag, vanwege die lamme arm niet te pakken krijgen. Ik kwam naderbij en keek omhoog, want Janus bleef begeerlijk op en neer dansen. Hing daarboven, aan dat duister rek niet een stuk spek of zoiets aan een haak? Met een sprong had ik het en foefelde dat stuk spek vlug onder mijn jasje en knipoogde vertrouwelijk en samenzweerderig tegen van Ostade.

De hap was ondertussen klaar en werd door ons naar de school terug gereden. Weer in de klas terug, verdween dat stuk spek of wat het dan ook was, ongezien door de andere klasgenoten en maar half Boor ons, onder de strozak. Vanavond als iedereen sliep zouden we het stiekem onder elkaar, onder onze vrienden, verdelen. Tegen tienen, als het elektrische licht driemaal geknipperd had, trok iedereen naar zijn strozak en ging slapen. De vijf samenzweerders bleven bij de bewuste strozak en toen we meenden dat iedereen sliep of tenminste niet meer op ons lette, werd het stuk spek weer te voorschijn gehaald en met het grote zakmes van Janus van Ostade begon ik vijf plakken spek af te snijden. De rest voor morgen. Die schijf werd gulzig naar binnen gewurgd. Theo Rokven vond het eigenlijk te vet, te ranzig. “Man, ge hebt in maanden niet meer zulk lekker spek gehad; ge bent dat niet meer gewend, dat is het!” Maar de andere drie vonden het toch ook niet hele maal. “je dat”. We gingen toch tevreden slapen met het vooruitzicht van: Morgen is er nog spek. De morgen kwam en de vijf samenzweerders zaten weer rond mijn strozak voor nogmaals een schijf je spek. De halve kamer sliep nog. Geheimzinnig werd de “Zij Spek” weer te voorschijn gehaald, maar nu, bij meer licht als gister avond, zag er dat ‘kostelijke spek” toch niet zo “kostelijk” uit. “Verrekt! “, zei Janus van Ostade, “das gedomme geen spek; de is ene stierepees, zo’n ding waar vroeger de timmerman zijn zaag af en toe mee invette! “Wij kokhalsden, maar keken wel uit de anderen hier iets van te vertellen; we zouden ons voor eeuwig belachelijk gemaakt hebben.

Nieuwjaar ging voorbij en we zaten nu al maanden lang in dat koude sombere schooltje; want zo luidde het schone, zelfgemaakte vers. Maar zo koud en somber was het er ook weer niet. Als de leiding niets opwindends meer wist, vonden wij wel weer iets uit dat deining en trubbels veroorzaakte. Zo viel altijd wel iets te beleven in dat schooltje. De stoutste onder ons, jonge kerels, verdwenen voor een nacht en kwamen de volgende dag weer terug. Even naar de vrouw geweest. De ene helft van de wachtsoldaten en ook de leiding, waren dan razend, als ze dat, via derde of vierde hand te weten kwamen. De andere helft stond zich d verveeld in de haren te krabben en vroeg quasi verbaasd: “Hoe is dat in Godsnaam mogelijk? “Toen kwam het gerucht dat wij ergens anders zouden worden heengebracht. Zo links en rechts werden er nog wat arrestanten vrijgelaten. Grote Zwarthandelaren die dik in de centen zaten, werden naar huis gestuurd. Ook de nog aanwezige dames, al kregen die wel huisarrest. De dorpsnotabelen, o.a. de directeur van de Koninklijke Lederfabriek, de elite klas werd uitgedund. Arnold Meyer bleef onder arrest. In onze gevangenis krant kwam nog een laatste gedicht:

“Het zijn de “Jan met de petten,

“Die de “Jan met de petten

“vastzetten

“En de grote heren,

“kunnen weer Vrij marcheren.

“Zijn wij hier:

“Jan met de Pet,

“vastgezet door

“Jan met de pet?

Op een morgen kregen wij het bericht, dat we afgevoerd zouden worden. Waarheen? Het bureau zou het wel weten maar die heren vertelden het ons niet. Wij moesten het van de geruchten hebben. Wij werden, aldus deze geruchten naar Vucht gebracht. Onder zware bewaking werden wij tegen tien uur naar de schoolpoort gevoerd en moesten daar in vijf gereedstaande militaire vrachtwagens stijgen. Het hele dorp was uitgelopen om vrienden nog een laatste groet te brengen en de vijand een boze blik toe te werpen. Er was een groot cordon van gewapende Herrijzend Nederland soldaten en veel contact was niet mogelijk. “Rotzakken! “ schreeuwde er iemand. Het was niet met zekerheid te zeggen of het ons of de gewapende mannen betrof. Onder de grootste spoed moesten wij instijgen. Ongeveer veertig gevangenen in een vracht wagen. Er waren vijf wagens, dus nog altijd ongeveer tweehonderd gevangenen. Thijske Laak, de ouwe Bungelaar en nog een paar konden de hoge opstap in die legerwagen niet zo vlug meesteren. Ze werden door behulpzame handen vanuit het zeildoek geholpen. Vanuit de toegestroomde mensenmenigte, nu op een veilige afstand werd er: “Rotzakken, tuig, moordenaars! “ geroepen, maar nu duidelijk bedoeld voor diegene die de wapens droegen. De zeildoeken flappen werden neergelaten en vastgezet en het laatste contact met Oisterwijk was verbroken.

Twee van die stoottroepers kwamen bij ons achter in de wagen zitten. Beiden hadden zo’n goedkoop uitziend mitrailleurtje bij zich aan een linnen bandje om hun nek. Meteen daarna zette de stoet zich in beweging. Waarheen? Wij wisten het niet, dachten westwaarts te rijden. Iemand meende, uit het schokken en botsen van de vrachtwagen op te maken, dat we zo juist de spoorwegovergang aan de Tilburgse weg gepasseerd waren. Men telde de bochten en de prognose luidde, dat we nu op de Boschseweg reden, richting Tilburg. Dus niet naar Vucht; dat lag de andere kant uit. Zien konden we niets. Af en toe stak een bewaker zijn gehelmd hoofd onder het zeildoek, keek wat dreigend rond in de duisternis, maar even later trok hij zijn kop weer terug in de frisse buitenlucht. Na een goed kwartier, twintig minuten, stopte de wagen, het zeil waaide wat omhoog en iemand keek vlug even naar buiten. Hij vertelde ons dat we inderdaad in Tilburg waren en wel op de Bredase weg. Vijf minuten gebeurde er niets, dan trok de truck opnieuw op, reed honderd meter en stopte dan weer. En weer wachten; buiten geloop en geschreeuw. Tien meter terug en weer stop. Dan ging het zeildoek open, de klep omlaag en we moesten uitstijgen. De wagen stond nu met zijn achterwielen tegen een trottoir band geparkeerd en we keken tegen een groot gebouw aan met bronzen letters:”Het ST. Odolphus Lyceum”. De vijf meter brede trottoirband was aan beide zijden geflankeerd door een stelletje tuig in uniform en hier tussen door, moesten wij spitsroede lopen. Hier kreeg iemand een klap met een stuk hout, daar werd een ander met een geweerkolf in de rug gestompt. Thijske Laak, die wat sukkelde, kreeg een klap midden in zijn gezicht, iemand vloekte luidop en overal werd getrapt, geschopt en geslagen. Het was haasje repje, om binnen te komen. Maar daar was het niet veel beter. Ook hier sloegen leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, verzetshelden, ondergrondse figuren en soldaten van Oranje in de wilde weg op de binnenkomende gevangenen in en nog met meer animo dan buiten, omdat hier geen toeschouwers waren. De algemene richting waarin we geslagen werden was de trap op. En dat ging in ijltempo. Een klassedeur stond uitnodigend open en daarheen vluchtten we. De laatste gevangene werd binnengeschopt, viel languit neer en de deur ging toe. Eerst moesten wij wat van de schrik bekomen en nahijgen van die feestelijke inhaalceremonie. Dan gingen wij de schade opnemen.

Kees Horvers had een klap met een gummistok gekregen. Hij stond over zijn geblesseerde bovenarm te wrijven en zag spierwit. Was het van woede, van de schrik of de pijn? Thijske Laak had een dik gezwollen oog en deed niks als godferen en sakkeren. Harm Ensing had een schop tussen zijn benen gekregen , wreef pijnlijk over zijn kruis en beweerde dat zijn huwelijk voor goed naar de knoppen was. De ouwe Piet Bungelaar, een blauwe wachter, liep met houterige passen de klas rond en verkondigde luid, dat hij ze allemaal kapot had moeten schieten, toen hij daar nog de gelegenheid voor had. Hij had tijdens de bezetting ergens met een geweer op de schouder bij een Wehrmachtslager rondgelopen. Hoogst waarschijnlijk had de man nog nooit een schot gelost, maar nu was hij in alle staten. De klassedeur ging weer open en vier jochie’s met een stengun kwamen binnen, hielden ons onder schot en een paar schuchtere, afgemagerde mannen, (ook gevangenen) brachten onze bagage binnen die wij in onze snelle loop bij deze hartelijke ontvangst in de legerwagen hadden moeten achterlaten. Deken voor deken, koffertje na koffertje werden door deze bange mensen uitgerold en open gemaakt. De knaapjes met de stenguns schopten wat door dekens, schreeuwden tegen de bange knechten, dat zij die dekens beter moesten uitrollen, zodat dan meegesmokkelde sigaret ten of eetwaar beter te voorschijn zou komen en keerden in een machtswellustige beweging het zoveelste koffertje ondersteboven. En O wee, als er al eens een doosje Aurora of wat Zwieback werd aangetroffen. “Van wie is dat, godvernondejuse vuile landverraders?” Maar niemand die dat kon of wou zeggen. De wanorde was zo groot, alles lag zo door elkaar, dat niemand nog kon zeggen, wat nou van hem of van zijn collega was. Alles wat buit gemaakt was, werd in beslag genomen. Daarna iedereen de gang op, een voor een, om gefouilleerd te worden. Die fouillering werd hoofdzakelijk met de gummistok uitgevoerd. Vonden ze echter niets, dan waren “Ze” kwaad en werd de man in de klas terug geslagen. Vonden ze wel wat, dan waren “Ze” ook kwaad en werd de man eveneens in de klas terug geslagen. Verbijsterd zaten we met elkaar na afloop van deze onderzoeking, in de klas en likten onze wonden. We dachten met weemoed aan Oisterwijk, de school, aan Onze Lieve Heer Kruitwagen en aan de inheemse bewakers. Jan de Rooij was in de voering zoom van zijn colbertjasje naar wat kruimels tabak aan het zoeken; hij moest wat roken om de zenuwen de baas te worden. Harm Ensing zat nog altijd tussen zijn benen te wrijven om de pijn wat te milderen. Hij constateerde toch een vooruitgang in onze algemene situatie. “Eerst hebben wij de lagere school doorlopen en nu zijn we op de middelbare school om onze studie verder te vol tooien!” “Waar studeer jij dan voor?” werd aan Harm gevraagd. “Ik studeer voor advocaat, dan krijg ik jullie later allemaal als klant, als jullie gaan protesteren tegen deze onmenselijke behandeling!” beweerde Harm. Daar zat wat in. Van Meel, de spoorwegman, wou nu gaan studeren voor dokter. “Want, “zo zei hij, “dan krijg ik al de gevangenen te behandelen, voor de kneuzingen, kwetsuren en verwondingen, opgelopen tijdens de “Heropvoedende” periode!” Vanuit de klassenvensters keken wij op het grote kerk hof aan de Bredase weg. Daardoor wou Frans Robben dan maar verder studeren voor pastoor, om ons met een troostwoord in het uur van sterven bij te staan; ons de Heilige Olie te geven en een grafrede te houden: “Hij was een goede kameraad!” Maar niemand zag die studie van Frans Robben zitten. Uitgerekend Frans Robben wou voor pastoor spelen en Frans was de grootste rabauw van deze “Studenten!”. Bij de gedachte deze figuur in een pastoorstoog te zien rondhuppelen, moesten we weer glimlachen.

De avond viel en we zaten of lagen maar in die klas te niksen. Kaartspelen of andere gezelschapsspelletjes waren verboden; trouwens alles was in beslag genomen, ook de kaarten. We hadden ook geen zin om iets te doen; we hadden honger en overdachten de algemene toestand en die was er niet beter op geworden al zaten we op de Middelbare school, Op gezette tijden kwamen de wachten binnen. Dan moesten we allemaal recht gaan staan, kaarsrecht zoals we dat bij de S.S. geleerd hadden, want plotseling waren we allemaal bij de S.S. geweest en dat was de vrijbrief voor die die soldaten van Oranje, om ons naar eigen goeddunken de klas rond te trappen of met een stuk hout te bewerken. Lag het slachtoffer versuft op de grond, spuugde de brave soldaat nog eens op zijn slachtoffer en verdween dan maar weer. Eten kregen wij die dag niet. We werden toch allemaal kapot geschoten, waarom onze penzen dan nog volstoppen met dat kostbare eten!?

Een bewaker, een knaapje van hooguit zestien jaar was helemaal hysterisch geworden. We moesten horen wat die allemaal had meegemaakt onder de bezetting. Bij een of andere heldendaad, was hij door de Moffen opgejaagd en achtervolgd, had jaren ondergedoken gezeten, was door de S.S. opgepakt en naar een concentratiekamp gesleept. Wat voor folteringen hij daar had ondergaan, kon niemand zich voorstellen. Wij dachten er het onze van. Maar hij was weer ontsnapt en weer ondergedoken, enz, enz. En dat zou hij ons betaald zetten. Hij zou ons op de zelfde manier te pakken nemen, als de Moffen hem te pakken hadden genomen. Het ventje schuimbekte van woede. “Heeft jouw grootvader, jouw vader of jij zelf dat allemaal meegemaakt!? “Ik kon het weer niet laten. Dat MOEST ik dat ventje even vragen, ik wist dat ik hiermee en geweldig pak slaag riskeerde, maar ik kon niet anders. Dat had ik er voor over. Maar het ventje stond perplex, hapte even naar adem, dacht na en verdween. “Nou Paijke, dat hedde er goed afgebracht; we dachten dat hij jou een ongeluk aan ging doen!” vond de hele klas en dat had ik zelf ook gedacht.

Maar een week hebben wij “Middelbaar” onderwijs genoten op dat St Odolphus Lyceum, maar die week zit ons diep in het geheugen gegrift. Drie maal hebben wij daar eten gehad, maar dat werd ons zo liefdevol toegediend, dat ons de appetijt wel verging. Eigenlijk gunden ze ons dat eten niet, maar we mochten nog niet dood gaan, want ze hadden nog allerlei leuke dingen voor ons in petto.

Een van die wachten vertelde ons, bij het uitdelen van wat waterachtige soep, dat als die soep wat zout was, dat kwam omdat al die wachten eerst in die soep hadden staan zeiken, voor ze aan ons werd uitgedeeld. Maar daarom die soep laten staan? Nee, daarvoor waren we te uitgehongerd. Dan weer de bewering dat ze rattekruid door de waterige aardappelpuree gedaan hadden. Je kon nooit weten met een zo over hun toeren gedraaide troep. Op het eind van de week stonden we grauw van de honger naar buiten te staren, op het aangrenzende kerkhof waar juist iemand begraven werd. “Jammer van al dat goeie vlees, dat ze daar zomaar onder de grond stoppen!” liet de rabauw Frans Robben zich ontvallen. En ik ging er over nadenken in hoeverre die verhaaltjes over menseneters waar kunnen zijn. Als men maar honger genoeg had.

Bewarings- en verblijfskamp Vucht. Maart. 1945.

Dan naar Vucht. Wij wisten dat niet, maar op een morgen luidde het bevel: “Aantreden met bagage!” dus wij werden weer versleept. In militaire legertrucks. Erg vreugdevol was deze tocht niet. We hadden ondervonden dat deze soldaten van Oranje geen humor verstonden en elk lachje bij ons in de kiem smoorden. De zeilflappen gingen dicht en de tocht begon. Zelfs de meest fanatieke navigator was al gauw de kluts kwijt en wist ook niet meer waarheen de tocht ging. Draaien, remmen, stoppen, optrekken, weer over slecht geplaveide wegen, botsen, hotsen en door elkaar geschud, tot we allen krampen in de lege maag kregen en van pijn in elkaar gehurkt op vloer van de donkere truck zaten of lagen. Na de zoveelste hots- en botspartij, stond de vrachtwagen voor de zoveelste keer stil. Daar waar de auto deze keer was blijven staan, liepen soldaten rond. Zo nu en dan werd er met de loop van een of ander schietijzer de flap wat opgelicht en keek een grimmig gezicht naar binnen in de duistere laadbak. Dan konden we ook even buiten kijken en zagen wat groene dennetjes en wat heidestruikjes. Een paar uren bleven we zo staan, dan kwam er weer beweging en de wagen trok weer enkele meters verder. Direct daar op gingen de zeilklappen open, de laadklep ging omlaag en iemand schreeuwde:

“Al dat tuig uit de wagen komen; bagage meenemen! Het geschreeuwde bevel werd opgevolgd en we keken neer op een groot stenen gebouwencomplex met een grote ingangspoort. Dit was kamp Vucht. In en om het gebouw wemelde het van soldaten; allemaal in uniform, deze keer. Maar wel hadden velen een Duits geweer. Dus een heuse compagnie van de “Binnenlandse Strijdkrachten”. Die hele compagnie stelde zich achter ons op en we werden onder de poort heen gedirigeerd. Eenmaal binnen die poort was het weer: “Halt!” en we moesten pal en stram in de houding blijven staan. “Dat hebben jullie toch wel bij de S.S. geleerd!?” De haat tegen die S.S. zat er schijnbaar diep in. Onze groep, hooguit vijfendertig, veertig personen, werd omringd door een grote menigte kerels en kereltjes van rond de achttien jaren oud. De ene helft hield constant een schietijzer op ons gericht, de andere helft liep voor en door onze groep heen, schopte deze of gene in de houding, als de orde en tucht wat verslapte. Er waren ook zogenaamde herkenningen. Ineens, zo maar bij een toevallig iemand, kreeg zo’n jonge snuiter, die de groep inspecteerde, het op zijn zenuwen. Hij had dan onder het zo juist aangekomen transport gevangenen, zijn vroegere kampbeul ontdekt. En dan ging het van dik hout zaagt men planken. De onwetende man protesteerde en beweerde nooit bij de S.S. geweest te zijn. Dat hij nooit iets met een kamp te maken had gehad. Het hielp niet veel. Er werd in grote stijl geschopt, geslagen en getrapt, zodat de vermeende kampbeul al gauw tegen de grond lag en zijn armen beschermend voor zijn gezicht hield om de woeste en wilde trappen te ontwijken, die de heldhaftige soldaat, zijn op de grond liggend slachtoffer aan het toedienen was. De leiding van het kamp stond vanachter de vensterruiten van een lokaal lachend toe te zien en na veel lachen, gieren, brullen kwamen ze dan toch eindelijk ook naar buiten en riepen de dolgedraaide soldaat weer tot de orde. De aangevallene mocht weer van de grond omhoog komen, opnieuw in de houding staande, werd hem, en tevens aan ons allen verzekerd, dat wij hier in het kamp Vucht een rechtvaardige behandeling zouden krijgen. Dit was geen Duits kamp (wel geweest) maar hier werden de politieke delinquenten tot hun veroordeling in verzekerde bewaring gesteld en, dat was het hoopvolle nieuws: “Heropgevoed!”. Dat woord hebben we zo dikwijls moeten horen, te pas en te onpas, maar meestal te onpas, dat dit woord voor ons alleen maar ellende betekende. Wij werden “Heropgevoed” en “Ondervoed” en bijna “Niet Gevoed” en “Gevoed” met een grenzeloze haat tegen al die soldaten van Oranje, die hun frustraties van een hele oorlog op ons moesten afreageren op de meest hardhandige manier. Wat de Duitsers allemaal gedaan hadden wisten zij nog niet, die verhalen waren nog nauwelijks in omloop gebracht. Bij stukjes en beetjes sijpelde er wat van door. Wij weerloze gevangenen hadden dat mee op ons geweten, al waren we nog niet eens veroordeeld. Maar dat speelde geen rol. Wat uit de Duitse concentratiekampen naar die soldaten overwaaide, werd meteen op de gevangenen geprojecteerd. Wij stonden daar op dat plein, achter de poort in de houding. Als de aandacht wat verslapte, of iemand wat ging verstaan, of zich het zweet, van dat lang moeten staan, van zijn voorhoofd wiste, was dat “Sabotage!” “Ondermijning van de heersende kampwet!” en het regende vuistslagen, schoppen, trappen en stompen om de kerel weer tot de orde te roepen. “Een S.S. er weet toch wel wat orde en tucht is! Toen jullie dat vuile Moffenuniform aan hadden, stonden jullie toch ook urenlang in de houding, als de Führer voorbij zou komen. Waarom kunnen jullie dat nu opeens niet meer!?”

Het werd avond voor we ergens ingedeeld waren en ondergebracht konden worden. Barak 29 A. In die barak werden we feestelijk ontvangen. Waar kwamen wij vandaan? O, uit Oisterwijk. De meeste inwoners van barak 29 A kwamen uit Tilburg. De kameroudste, de man die voor de rust en orde binnenshuis moest zorgen, was de heer van de Waarde, tot voor kort de grootste bioscoopeigenaar van Tilburg. Ook de gebroeders Smarius zaten hier te zitten en nog vele andere prominente Tilburgers, die met de vijand gecollaboreerd hadden. Er was nog plaats in de barak en ik kreeg op de slaapzaal een bovenkrib toegewezen, omdat ik jong was en beter kon klimmen. Jammer, dat we niet eerder ingedeeld waren geworden; dan was er nog wat te eten geweest. De kamer had om een of anderen reden, deze avond een “Overschep” toegewezen gekregen, maar die was nu op. Wij hoorden ook nog, dat er elke middag een half brood werd uitgereikt. Dat was dan met een soort avondpap of soep, ons dagelijks rantsoen. Elke morgen en avond was er een appel voor de barak en verder op de meest onwaarschijnlijke tijden, naar gelang de stemming bij het wachtbataljon van de soldaten van “Herrijzend Nederland”. Dat was meestal ‘s nachts en kon soms wel uren duren. Goed, we zouden dat morgen allemaal wel zien en kropen op de slaapzaal om wat uit rusten. Het was een vermoeiende en leerzame dag geweest. Wij barstten van de honger, maar daar was niets tegen te doen en slapen met zo’n lege maag zou wel niet lukken.

Het eerste morgenappel in Kamp Vucht. Om zeven uur stonden voor elke barak de gevangenen opgesteld en de kameroudste telde de mannen. Daarna op de plaats rust tot dat de gewapende macht kwam en ons opnieuw secuur telde. Dat wachten duurde vaak heel lang. Maar eindelijk was het peloton soldaten dat controle hield, bij onze barak aangekomen. Gewoonlijk verliep dat opnieuw tellen nogal rustig. Met chagrijnige gezichten liepen die mannen tussen de rijen door, gaven hier een stomp, daar een trap. Soms kwam de trap of stomp zo hard aan dat het slachtoffer tegen de grond ging, met drie, vier toegeschoten soldaten werd de man weer in het gelid terug geschopt en de telling werd voortgezet. Als het helemaal fout ging, werd er met de knuppel geteld. Twee soldaten gingen bij de ingang van de barak staan, de meute werd naar binnen gejaagd en elke passant kreeg bij de ingang van de barak een opdonder met een stok. Na enige tijd werden we voor deze slagen immuun en lieten de slag daar neerkomen, waar hij het beste te verdragen was. Weer terug in de barak werden de wonden gelikt. Men bleef binnen totdat alle barakken geteld waren en de groep soldaten vertrokken. Er was veel te zien en te ontdekken, die eerste dagen.

Het hele complex, het kamp Vucht was onderverdeeld in sectoren waarin de diverse gevangenen zaten opgeborgen. Het grootste gedeelte was voor Duitse burgers en stond onder Engels toe zicht. Deze hadden het niet zo slecht. Natuurlijk was daar ook een appel en allerlei andere controlemaatregelen, maar geslagen werd daar nooit. Ook het eten was daar veel beter. Het Duitse gedeelte werd van het Nederlandse gedeelte gescheiden door twee meter hoog prikkeldraad. De Duitsers mochten vrij aan hun zijde van deze afrastering komen, voor de Nederlandse gevangenen was dat streng verboden. De Duitsers hadden veel beter en ook meer te eten, kregen zelfs in hun dagelijks rantsoen wat sigaretten. Dus werd er van Nederlandse zijde geprobeerd om contact te leggen met die bevoorrechte Duitsers om wat eten en vooral wat sigaretten te bemachtigen. Achter de rug van de Nederlandse bewaker werden er pakjes over de afscheiding gegooid. De Engelse bewaking keek daar niet naar om.

Een kleiner gedeelte was voor de Nederlandse gevangenen. Twee barakken, vier vleugels, lagen met de ingang tegenover elkaar. In elke vleugel huisden zo’n honderd vijftig man. De nummering van die barakken begon bij twintig en eindigde bij veertig. Voor barak twintig was een afrastering, daar zaten de vrouwelijke gevangenen, de N S B vrouwen, de kameraadskes, de collaboratrices, de Moffenhoeren enz Aan de ene kant van de barakkenvleugel was een weg, die wij gebruikten om een beetje te wandelen, allerlei mensen uit andere barakken te ontmoeten en wat gedachten uit te wisselen. Aan de andere kant een brede strook met wat berkenboompjes en een grasveld. Op korte afstand een tiental stenen afvalbakken. Dan de grote cementpalen met prikkeldraad en de gracht met vuil water met daarin de rollen roestige prikkeldraad Over die gracht heen was nog een net van prikkeldraad gespannen, behangen met bellen en andere rammeldingen. Helemaal aan de overzijde was een breed voetpad voor de buitenwacht, die hier regelmatig patrouille liep. Daar weer achter lokte de vrijheid.

Aan het eind van de wandelgang, de Promenade genoemd, waren nog meer barakken. Dat was een gevangenis in de gevangenis. De barakken met nummers boven de veertig. Hier zaten de zware gevallen. S.S. ers, kampbeulen en verdere zeer grote misdadigers. Om deze barakken was weer extra prikkeldraad en er stonden rietmatten omheen. Want wat zich daarbinnen allemaal afspeelde, mochten zelfs wij niet zien, wel horen. Altijd klonken er gillen en schreeuwen binnen die omheining en heel dicht durfden wij niet bij deze onheilsplek te komen. Als we toch eens probeerden wat dichter bij deze rietmat te komen, begonnen de soldaten van Oranje direct met hun stengun te spelen.

Een barak was als kerk ingericht, want wij zouden heropgevoed worden en dan was een kerk noodzakelijk. Een pastoor Hermeyer zorgde voor ons zielenheil en in een van de preken, die ik van hem hoorde, vertelde de man met veel nadruk: “dat onze koppen gekraakt zouden worden!” Daarom ging ik er ook nooit meer heen. In het deel van het kamp dat onder Nederlandse supervisie stond zaten alleen maar mensen van de drie zuidelijke provincies. Het andere gedeelte was nog niet bevrijd, dus vandaar geen gevangenen van boven de Moerdijk. Het was een zeer gemengde bevolking. Boosdoeners uit Maastricht en collaborateurs uit Bergen op Zoom; fabrikanten uit Tilburg, die zo als alle fabrikanten, tijdens de oorlog voor de bezetter hadden gewerkt, maar om speciale redenen waren gevangen genomen en uiteindelijk in kamp Vucht verzeild waren geraakt. Ook Arnold Meyer, die wij tijdens de verhuizing waren kwijt geraakt, zagen we hier weer terug. Er was een pastoor met een toog aan; vier nonnen uit een of andere Duitse orde, alle in habijt. Een oud heertje met de Militaire Willemsorde op. Waarom hij daar maar zo ongehinderd met dat ereteken mocht rond lopen, was mij een raadsel. Misschien waren de soldaten van “Herrijzend Nederland” nog niet zo ver in rangen en graden onder wezen en kenden zij deze hoge onderscheiding nog niet. En niet te vergeten veel ex N.S.B. burgemeesters, N.S.B, ers, uit de zuidelijke provinciën. Er werden gedachten uitgewisseld en opnieuw hoorden wij schokkende dingen over de bevrijding en de daarmee gepaard gaande arrestatie’s en opsluitingen. Verschrikkelijke taferelen hadden zich afgespeeld bij verdachte mannen en vrouwen en zelfs kinderen. Kinderen waren er in de Nederlandse kampementen geen, in tegenstelling tot het Duitse gedeelte, waar wel veel kinderen rondliepen. De kinderen van om politieke redenen gevangen genomen ouders, waren ergens ondergebracht en werden, ontzet uit de ouderlijke macht, opnieuw heropgevoed.

Tegen de middag was iedereen weer terug in zijn barak, want dan werd het halve roggebrood uitgereikt. Die broden werden per barak afgeleverd en een gevangene zat dan die broden secuur door de midden te snijden. Ieder kreeg zijn half brood en de man die zo precies die broden had verdeeld, mocht de kruimeltjes hebben. Om zes uur kwam de warme maaltijd,’ door ons Oranjesoep of goudvissensoep genoemd. Het gerucht ging, dat deze soep eigenlijk het spoelwater van de Engelse keuken was, waarmee de koks hun ketels reinigden, als zij voor hun Duitse geïnterneerden een avondsoepje gekookt hadden. Maar met een paar wortels opgesierd, was het toch een welkome warme plons voor de Nederlandse gevangenen, die onder de verantwoording van “Herrijzend Nederland” stonden.

De Nederlandse gevangenen stonden juist buiten aangetreden voor het avondappel en de soldaten probeerden ons te tellen, maar een soldaat raakte in de war en de man die het dichts bij hem stond kreeg daarvoor een klap in zijn gezicht, zodat hij uit het gelid tuimelde. Juist passeerde de groep, die naar de keuken was geweest om de kost soep op te halen. Vier gevangenen trokken een karretje, waarop de grote ketel vol dampend heet water stond, door de optimisten soep genoemd, die onder streng toezicht van een viertal bewakers vervoerd werd. De geslagen man struikelde verder en hief zijn beide armen beschuttend tegen de verdere klappen en stompen, voor het gezicht, keek niet uit en donderde tegen de juist passerende wagen met soep. Die ketel, door iedere gevangenen natuurlijk fel in het oog gehouden, kieperde om en de soep kwakte tegen de barak en droop verder omlaag in de goot. In een mum van tijd liepen, kropen en lagen de gevangenen in die goot als een troep hongerige varkens, steunend op hun ellebogen en handen en slurpten wat er nog te slurpen viel van de morsige soep. De hele compagnie van soldaten begonnen daarna met schoppen en trappen en met de kolf van het geweer op die hongerige mannen in te houwen en met godferen en vloeken terug in de houding op de appelplaats te drijven. Maar dat hielp niet veel. Deze soep was eenmalig en schoppen, trappen en stoten in de rug met de kolf van het geweer, konden we elke dag krijgen, zoveel en nog meer als we wilden. De orde kon pas dan hersteld worden, toen de goot schoon gelikt was en de telling werd hervat met de knuppel. Een voor een de deur door, na een slag met een stok. Een man was handig en glipte de deur door, zonder de klap te incasseren. Maar dat was sabotage! Terug met die vuile landverraders, opnieuw buiten aantreden en nu beter. Vier soldaten hadden hem, die vuile saboteur nu in de gaten. Deze keer was er geen ontkomen aan. Een heldhaftige soldaat versperde hem de toegang tot de deur, sloeg de man steeds terug naar zijn drie kameraden, die gewetensvol de stok hanteerden en sloegen waar ze hem raken konden. Al gauw lag de man tegen de grond en toen werd het schopwerk; bukken voor een op de grond’ liggend slachtoffer was te vermoeiend. Toen de arme kerel niet meer op de gemeenste trappen reageerde en zich willoos liet schoppen en trappen, was de lol er af. De helden gingen er van door en dat was voor ons het sein om de gekwetste man verder in de barak te slepen, op zijn krib neer te leggen en de blessure’s met koud water af te deppen. Een oog zat dicht en uit zijn krampachtig gesloten mond sijpelde wat bloed en speeksel. Verder overal builen, blauwe plekken en kneuzingen.

Al gauw waren we aan dit kamp gewend; we beleefden de dingen van de dag en zaten in de vroege voorjaarszon tegen de barak onze koude botten te warmen en luisterden naar geruchten en andere verhalen. Als er weer een nieuwe lading gevangenen binnenkwam, werden die door ons ondervraagd en uitgehoord. Waar kwamen ze vandaan? Wat hadden ze gedaan?. Waarom waren ze opgepikt en naar Vucht overgebracht? Een geliefkoosde bezigheid van sommige gevangenen was, om bij andere gevangenen allerlei recepten van lekkere dingen te weten te komen en die dan op te schrijven voor later. De oudste gevangenen, zij die als eerste het kamp bevolkt hadden, hadden al een heel bundeltje van deze recepten. Het papier was een soort W.C. papier, kleine witte vierkante velletjes die ook nog werden gebruikt als sigaretten papier.

Er werd natuurlijk druk gehandeld in het kamp. Een half brood, het dagelijkse rantsoen, kon tegen drie sigaretten geruild worden. Een paar Wehrmachtslaarzen kostten ook weer drie sigaretten. Dus moest ik mijn broodrantsoen voor drie sigaretten ruilen en met deze drie sigaretten kon ik in het bezit komen van een paar Wehrmachtslaarzen. Mannen die getrouwd waren en nog een trouwring droegen, konden deze ruilen voor vijf sigaretten. Vooral de “Wachtsoldaten” zagen wel iets in dit handeltje. Het is voorgekomen dat een gouden trouwring voor vijf sigaretten aan een soldaat “verpanjerd” werd en direct na de ruiling, deze soldaat dan zijn kar waarschuwde, die dan meteen de man ging fouilleren en de vijf sigaretten weer in beslag nam, Op de kleine witte velletjes W.C. papier begon ik een kort dagboek bij te houden, met de voornaamste wetenswaardigheden. Van al het wel, maar vooral van al het wee. Maar bij een of andere fouillering is mij dit weer afgenomen. De drie sigaretten, geruild tegen het dagelijks broodrantsoen, werden over de dag verdeeld. Met die W.C. papiertjes werden van een echte sigaret drie andere sigaretten gemaakt. Een sigaret voldoende voor zes of acht trekjes.

In het kamp waren allerlei klusjes te doen en als men het kon versieren in een of andere werkgroep te komen, had men kans iets te organiseren. Vooral in die ploeg, die de onderkomens van de Engelse soldaten, die het Duitse gedeelte van het kamp Vucht onder controle hadden, moesten gaan schoonmaken. Het lag daar vol. met sigarettenpeukjes. Als men dan ‘s avonds, weer in de onze eigen barak terug was, een twintigtal sigarettenpeuken had weten te bemachtigen en goed door de controle was gekomen, was men als een koning zo rijk. Alle gevangenen waren dan je beste vrienden. In het kamp waar de Nederlandse collaborateurs zaten, was niets te vinden. Van gedroogde berkenblaadjes probeerde men wel eens een sigaret te draaien, om toch iets te roken te hebben, maar een tweede keer werd dat niet geprobeerd. Op een dag zat een moedeloze gevangene in een van de stenen afvalbakken langs de Boulevard of de Promenade, zoals wij die noemden, zomaar om wat te doen te hebben, met een stokje door de afval te roeren. Alles was misschien al wel tientallen keren door andere gevangenen overhoop gehaald; daar was niets te vinden. Een natte kapotte lomperige deken, vies en stinkend stro en wat besmeurde todden en lompen. Aan de voorkant van die bakken, die aan een zijde open waren, lag laag van een halve meter dik vuil; naar achteren oplopend, tot een meter. De man krabde en groef verder. Wat had hij anders te doen? De op en neer wandelende andere gevangenen keken medelijdend naar die eenzaam wroetende figuur. Er was niets, maar dan ook niets in die hoop te vinden. Maar de man had wel succes! Na uren graven en wroeten in de onderste lagen, kwamen er allerlei lekkere dingen te voorschijn, zoals korsten kaas, verschimmeld brood, sinaasappelschillen en enkele natte sigaren en sigaretten peukjes. Deze laag, ontdekten we later, was nog van de geïnterneerden uit de Duitse tijd en overblijfselen van Rode Kruis pakketjes, toenmaals aan de gevangenen gestuurd. Toen de ene bak zo succesvol was uitgegraven, begon men enthousiast alle andere bakken te bewerken. Soms was er nog een halfvergane, onleesbare label te vinden, of een stuk papier met een onherkenbaar adres. De kaaskorsten werden afgeschraapt, de verschimmelde broodkorsten in de zon gedroogd en de natte peuken in lege tabaksdozen verzameld. Het was me het dagje wel. Maar de bewaking had onze activiteiten opgemerkt en de volgende dag werden de bakken, door een werkploeg onder leiding van een aantal gewapende soldaten, tot op de bodem toe schoon gemaakt en de rotsooi afgevoerd. Er mocht niets achterover gedrukt worden, alles moest op een kar worden geladen en de schatgraverij was hiermede ten einde.

Waarom kregen de gevangenen uit de Duitse tijd wel Rode Kruispakketjes en wij niet? Wij waren toch ook geïnterneerde mensen, die nog altijd niet veroordeeld waren. Langzaam begonnen de bakken toch weer vol te raken. Als er weer een groep gevangenen werd binnen gebracht, werden die in de barak eerst ontluisd, met poeder overspoten en oude lompen en kleren, die sommige gevangenen droegen, werden afgenomen en in die bakken gesmeten. Zij kregen dan wat anders om aan te trekken. Veel was dat niet, maar men was in elk geval toch weer gekleed en goed verzorgd, zoals dat met een schone spreuk dan heette.

Soms was ik zo gelukkig in een corvee groep ingedeeld te worden. Ook in het vrouwenkamp waren van die stenen containers of afval bakken en die moesten ook leeg gemaakt worden. Niet omdat die vrouwtjes ook hongerig waren en die bakken onderzocht hadden. De meegekomen, ons bewakende soldaten letten, eenmaal in dat vrouwenkamp, niet meer zo erg op ons. Ze hadden meer aandacht voor die vrouwtjes die daar rondhuppelden en lieten ons onze gang gaan. Zolang wij maar daar bleven en niet wegkropen, vonden ze het wel goed. In een van die bakken vonden wij bruin, blond en zwart haar, in pieken en krullen en dat lag allemaal op een hoop. Alles plakte en kleefde aan elkaar met een rode stroperige vloei stof. Eerst dachten wij dat het bloed was, maar na een kort onderzoek was het rode menie. Want als op de bevrijdingsmorgen die Moffenhoeren waren opgehaald werden eerst de koppen kaal geschoren en dan met rode menie ingesmeerd. En dat kunststukje zou in het begin in het kamp Vucht ook wel toegepast zijn. Maar nu, na vele maanden internering zagen er die vrouwtjes toch niet zo beroerd uit als de mannelijke gevangenen. Op een gegeven ogenblik werden we zelfs uitgenodigd, om bij die vrouwtjes een kopje thee te komen drinken met een gebakje. Wij konden onze oren niet geloven, maar de thee was echt en de gebakjes waren dunne sneetjes Engelse witte mik met diverse soorten Engelse jam er op, maar heel gezellig op een heus wit boterhammenbordje uitgestald. Och ja, die meisjes hadden zo links en rechts wel eens een Engelse en ook een soldaat van “Herrijzend Nederland op bezoek. Er waren heus wel leuke kerels bij, verzekerden ons die vrouwtjes. Vandaar.

“Ik wou dat ik ook een meidje was!” zuchtte Harrie Bekkers, een medegevangene, die ook in die werkploeg zat. Hij ruilde zijn dagelijks half brood meestal voor drie sigaretten. Hij kon eenvoudig niet buiten een sigaret en was daarom zo mager als een lat. Hij staarde mistroostig naar zijn smalle borst; daar was niets mee te verdienen. Sigaretten hadden die meisjes ook. Vrouwen, die al wat hier soldaat was, wel dood konden kijken, verdienden niks. Deze trotse stukken kon men er zo uitpikken, ze waren vermagerd en verslonsd. Zij zouden nooit vergeten, hoe zij in die eerste dagen, in het kamp Vucht, met hun blote voeten door de sneeuw hadden moeten draven, met een meute van dat Volksieger achter zich aan. Ook zwangere vrouwen en meisjes waren daarbij en daarop hadden deze bewakers het speciaal begrepen. Als zo’n arm vrouwtje kwam te vallen, werd deze met knuppel en de kolf van het geweer weer overeind geholpen. “Allemaal Moffenhoeren!” was de slogan en onder dit motto was alles geoorloofd. Vreselijke taferelen hadden zich toen afgespeeld, vooral als dit tuig ook ‘s nachts in de vrouwenbarakken verscheen, om aan hun botte wraaklust vrij spel te geven. Er werd geslagen, gefolterd en gemarteld op een primitieve manier. Eenmaal had men een vrouwtje vastgebonden, de kleren van het lijf gescheurd en toen een dikke winterwortel in haar onderlijf gestompt. Maar met de komst van een Engels bataljon bewaking voor de Duitse gevangenen, was dit gelukkig wat gemilderd. Voor ons hadden deze figuurtjes wel belangstelling. Er werden gesprekken gevoerd, waaruit bleek dat die hele bewaking, die Binnenlandse Strijdkrachten een grote verzameling tuig was. Daar waren wij het roerend over eens. De afvalbakken in dit gedeelte van het kamp waren nu ook geleegd en netjes uitgeschrobt, de bewaking keerde met hun gevangenen terug en wij kwamen weer in onze barak. Maar er werd over gekletst, omdat wij wat sigaretten hadden weten binnen te smokkelen en die zelfde avond moest dezelfde werkgroep weer aantreden, maar nu onder een andere groep bewakers, die erg chagrijnig deden en ons onder een streng commando, in het donker naar een uithoek van het kamp dirigeerde. Bij een groot donker gebouw werd halt gemaakt en wij moesten naar binnen. Nog nooit was iemand van ons hier geweest en wij kenden dat gebouw niet. Vanaf een platform keken wij in een soort grote kelder, met allemaal sloten en goten, waarin een vuil drabbig water ronddreef. Wij werden naar onderen gestuurd en nu merkten wij een verschrikkelijke stank, die boven dit vuil drabbig water hing. Dit was de drainering of riolering van het hele kamp Vucht. En wij gevangenen moesten, mochten, onze kousen en schoenen uittrekken en die goten en sloten gaan schoonmaken. Sommige van die slootjes waren zo diep, dat wij tot ons middel in de smurrie wegzakten. En met grote heibezems moesten wij de aangekoekte drek losmaken en verder door de gootjes weg bezemenen. Het traag stromende water begon nu nog erger te stinken. Het bassin was misschien veertig bij veertig meter en de vijf en twintig gevangenen ploeterden in die vieze stinkboel rond. De bewakers, boven op de galerij, stonden ons maar te pesten en riepen ons allerlei schunnige woorden toe. “Die stront is toch van jullie vrienden, die Rotmoffen. Ruiken jullie dat niet? Dat moet voor jullie toch heerlijk zijn om daar zo in te mogen rondspringen!” Soms gingen die wachten, daarboven op die galerij even, naar buiten, want ook daarboven, was die stank, door al ons geschrob en geveeg, niet meer om uit te houden. Dan verscheen er plotseling een Engels Officier boven op die galerij. Een bamboestokje onder de linkerarm geklemd, maar met de andere hand hield hij al vlug een zakdoek tegen zijn neus gedrukt en keek vol afgrijzen naar die besmeurde figuren onder in die kelder. Hij begon iets tegen die soldaten te grauwen en te snauwen; helemaal akkoord met wat hij daar beneden zag, was hij niet. De hele meute, boven op die galerij stond nu stram in de houding, eerbiedig naar die Officier te luisteren. Nog een paar dreigende woorden, een snukken met het hoofd, een korte militaire groet en hij verdween weer. Van boven kwam het bevel op te houden met de werkzaamheden en uit de smurrie te komen. Buiten weer aantreden en afmars naar een andere barak. Dat was een grote douchecel en daar volledig uitkleden en onder de spuitkoppen. Afwisselend koud en warm water. Jezus, wat deed ons dat goed. We kregen zelfs de tijd om onze smerige broeken uit te spoelen en te drogen. En met heel grote tegenzin werd ons door die wachten. een grote zak met Engelse cake’s gebracht en onder ons verdeeld. Zo in ons nakie zaten wij in dat warme lokaal, van die cake’s te smullen terwijl onze kleren droogden. Van louter plezier begonnen we nog te zingen en nog wel heel bekende mars- en soldatenliederen. De wachten merkten dat heel goed, maar durfden niets te zeggen; die hadden de schrik van hun leven. Nog eenmaal kwam onze weldoener om het hoekje van het waslokaal naar ons kijken. Uit dankbaarheid gingen wij, naakt als we waren, eerbiedig in de houding staan. Nog strammer als de soldaten van Herrijzend Nederland.

Op een dag kregen wij van de kameroudste, in opdracht van het bureau, allemaal een soort briefenveloppe, die beschreven moest worden en daarna dichtgeplakt weer ingeleverd. Op dit papier moesten wij onze zonden opschrijven, dus dat we tijdens de bezetting hadden “fout” gedaan en daarna ondertekenen. Dit allemaal om straks de grote tribunalen vlotter te doen werken. Dat was toch wel het toppunt! Zouden er mensen zijn, die hun “Misdaden”, begaan tijdens de vier bezettingsjaren op dat papier zouden gaan schrijven en dan nog ondertekenen ook!? Maar al die mannen uit West-Brabant en Zeeland, die al maanden vastzaten en “Heropgevoed” waren, waren zo versuft van honger en ellende, dat ze niet goed meer wisten wat ze deden. Misschien dachten ze, als zij hun “Misdrijf” zo maar openlijk bekenden en ondertekenden, dat ze dan vlugger vrij kwamen. Men kreeg een paar dagen tijd om deze openlijke biecht samen te stellen, op papier te zetten en dan te ondertekenen. Ik sjouwde van barak naar barak, om deze schriftelijke bekentenis te saboteren en mijn medegevangenen op te wekken, vooral niets neer te pennen, waar ze later de grootste spijt van zouden kunnen hebben. “Doe het niet mannen! Laat ze zelf maar uitzoeken, wat wij dan misdreven hebben. Schrijf in Godsnaam niets op dat papier wat later tegen je gebruikt kan worden en zeker niet ondertekenen!” Maar veel succes had ik niet. De mannen waren versuft van honger en ellende; om een sigarettenpeukje kon de grootste ruzie ontstaan. Het halve brood, ‘s middags, werd meteen naar binnen geschrokt. Ten eerste barstte men van de honger en ten tweede kon het dan niet meer gestolen worden. Er waren wel bevoorrechten die via wachten allerlei dingen naar binnen gesmokkeld kregen, maar die hadden een af sluitbare koffer op de slaapzaal, waar overdag niemand mocht komen. En moest de man, die in zijn koffer op de slaapzaal wat proviand opgeborgen had, daar overdag naar toe, ging de kamerwacht mee en kreeg, die ook wat uit de voor de goede oppas en bewaking. Om dat plan van die openlijke en schriftelijke bekentenis te saboteren, zou ik ten aanschouwen van iedereen mijn enveloppe in het openbaar verscheuren. Een paar vrienden kwamen mij waarschuwen, omdat toch vooral niet te doen. Ik zou een ongenadig pak slaag krijgen en misschien wel in de bunker, de barak 40 a opgesloten worden. Daar waar de S.S. mannen, de Sicherheits-Polizei, kampbeulen en ander hoogst gevaarlijk gespuis zat. “Schrijf nou maar een mooi verhaaltje op dat papier, niet meer als gij kwijt wilt zijn; dan zijn “Zij” tevreden en gij wordt verder met rust gelaten!”

“In die barak 40 a kom ik toch wel terecht, dat voel ik; waarom zou ik nu dan braaf zijn?” Om iedereen dan maar tevreden te stellen, heb ik dat papier beschreven en ingeleverd: “Dat wat ik tijdens de bezetting gedaan heb, weet iedereen. Ik heb nooit geheimzinnig gedaan. Mijn leven tijdens de vier jaren bezetting was een open boek!” en ik dacht aan die tekeningen van: “Stalin, als gij ons komt bevrijden! en: “Vandalisme, Nihilisme, Churchilisme!” dat in een N.S.B. blad had gestaan. Maar dat schreef ik niet op dat papier; dat moesten ze zelf maar uitzoeken, zo ze dat al niet wisten.

In het kamp Vucht kon ik het tekenen ook niet laten. Er waren zo veel merkwaardige figuren, die ik beslist op de kleine velletjes W.C. papier moest tekenen. Helaas zijn die tekeningetjes bij de zoveelste fouillering van mij weer afgenomen en verscheurd. Voor de medegevangenen was een zeer geliefd schetsje in omloop. Ieder een wou zo’n tekeningetje hebben voor later, als herinnering. Maar het was alleen bedoeld voor de jonge getrouwde mannen, wiens vrouw alleen thuis was en zich door de moeilijke situatie, van zonder man zijn, heen moest slaan. Het tekeningetje stelde een gevangene voor, die na een jaartje dan eindelijk naar huis mocht. Thuis stond er een wiegje met het etiketje “Made in Canada!” op hem te wachten; zijn vrouwtje, blozend en welgedaan bij het wiegje. Er was een oud-huzaar van mijn lichting, ook om een of andere redenen gearresteerd en naar kamp Vucht gebracht. Die had het geluk een permanente corveedienst te hebben bij de Engelse barakken. ‘s Avonds kwam hij weer in zijn eigen barak terug en had dan zijn zakken vol sigarettenpeukjes. Hij was een “Koning” onder de andere gevangenen. Van deze huzaar kreeg ik wat tekenmateriaal toegespeeld en kleine witte stukjes karton. Daarop teken de ik molentjes meisjes in klederdracht uit Volendam op klompen en tulpenvelden en kleurde deze ansichten wat op met het bijgeleverde kleurpotlood. “Remember Holland” en deze plaatjes vonden gretig aftrek bij de Engelsen of Canadezen. Ik werd uitbetaald in idem zoveel peuken, die ik weer ruilde voor brood en andere dingen. Er kwam een order van het bureau, dat alle pannetjes en potjes, die we bezaten, ingeleverd moesten worden. Zo er per barak al eens een “Overschep” verdiend werd, zou deze op normale borden uitgedeeld worden, die in plaats van al dat pannetjesgedoe, beschikbaar werden gesteld. Een handwagen werd het kamp binnengerold en de inzameling, begon. De kar raakte over beladen vol met allerlei potjes, pannetjes, eetketels, en blikken bussen. Een werkploeg werd opgesteld om deze in beslaggenomen galanterie af te voeren en ergens, buiten het Nederlandse kamp, te gaan begraven. Ik meldde mij ook, en werd ingedeeld. Met de over laden kar zeulden wij het kamp uit, onder leiding van een tiental bewakers. Ergens in een stil hoekje, achter op het terrein, tegen de omrastering aan, werd halt gemaakt en moesten wij een kuil graven om de hele sante kraam in te begraven. Een eindje van ons af stond, onder wat bomen een stenen oventje. Ik dacht eigenlijk een soort bakoventje, want de ijzeren ovenklep, kwam mij bekend voor. Elke boerderij had wel een bakoven met zo’n typisch ijzeren deurtje. Toen de kuil diep genoeg was, de hele wagenlading er in gestort en weer met zand toegedekt, moesten wij gevangenen, bij dat oventje komen staan. “In de houding!” en zo blijven staan.

“Dat oventje, “zo vertelde ons de begeleidende wachtsoldaat, “was door de Moffen gebruikt om duizenden en nogmaals duizenden gevangenen te verbranden. De wachtsoldaat raakte hysterisch over zijn eigen trieste verhaal en begon met de kolf van zijn geweer links en rechts op de gevangenen in te beuken. Viel de man onderste boven werd hij weer recht gedirigeerd en opnieuw in de houding getrapt, om gepaste eerbied bij dit Nationale Monument te bewijzen. Wij hadden nog wel op een overschep gerekend voor al ons harde werken. Dat was dus een tegenvaller. Na een paar uur zo stram in de houding te hebben gestaan, mochten wij weer naar onze eigen barak terug. Zonder overschep. De mannen van de kerk hof ploeg, die altijd in actie kwam als er weer eens iemand, op welke wijze dan ook, dood gegaan was, kregen na hun arbeid altijd een “overschep”. Misschien wel, omdat voor de doden uit het Duitse kamp, dat onder Engels protectoraat stond, ook door de zelfde ploeg, het graf gegraven werd. De gestorven mensen, Duitse of Nederlandse, werden ergens buiten het eigenlijke kamp begraven. Er zouden, volgens een man uit die ploeg, ongeveer honderd en zeventig graven zijn. Tot heden toe, en het was nu eind februari. Een klein rekensommetje. Er waren ruw geschat vijf a zes duizend gevangenen in het kamp Vucht, de Duitsers niet meegerekend. Kamp Vucht onder Nederlandse vlag, bestond vanaf midden November; dus ongeveer vier maanden. Ongeveer zo’n drie procent doden; meestal wel op natuurlijke wijze, dat wil zeggen, door honger, koude, ontbering en uitputting gestorven. De toestand werd er niet beter op en er kwamen steeds nieuwe contigenten gevangenen binnen. Er was alle kans dat dit percentage voor de Nederlandse gevangenen wel zou stijgen.

Soms, als we overdag zomaar doelloos door het kamp, over de boulevard slenterden en naar het laatste nieuws en de laatste geruchten luisterden, kwam er vanuit de barak 40 a, achter de rietmat een paar soldaten met in hun midden een gevangenen in het zebrapakje en een kaal geschoren hoofd. Helemaal kaalgeschoren koppen hadden ze niet. Er was een brede baan van voren naar achter over hun hoofd geknipt en uitgeschoren, de twee overgebleven banen, aan weerzijde van hun hoofd, waren blijven staan. “Een startbaantje voor de V.l!” noemde de bewakers dat. De trieste optocht ging dwars door ons kamp, langs de afscheiding tussen het Duitse en Nederlandse deel. Deze ongelukkige werd dan naar het bureau gedreven om daar opnieuw ondervraagd te worden. Deze kerels waren er nog beroerder aan toe dan wij. Wat die allemaal in die barak, achter die rietmat hadden meegemaakt en nog moesten meemaken, loog er niet om. Vooral ‘s nachts ging het er beestachtig naar toe, in die bunker, achter die rietmat. Er werd gegild en geschreeuwd, overstemd door een lachsalvo, maar dat laatste was van de soldatenbewakers, die daar binnen een bal “Champetter” hielden. Helemaal bij die afscheiding te komen en door die rietmat gluren, durfden niemand van ons. Wel hadden we diep medelijden met die mannen, die daarachter gevangen zaten.

Als de zon scheen, was het ook een zeer geliefkoosde bezigheid van de gevangenen van het vrije kamp, om tegen de muur van de barak in de warmer wordende zon, elkaar allerlei verhalen te vertellen en diegenen die nog een pijp hadden, rookten, op de kachel gedroogde, gele en groene berkenblaadjes. Binnen in de barak was dat verboden; het stonk te veel. Een contingent soldaten van “Herrijzend Nederland” kwam de poort door gemarcheerd om de oude wacht af te lossen. Zij waren nieuw in het kamp. “Verrekt, daar loopt onze Jan!”, riep opeens een Bergen op Zoomse boer, die met ons tegen de barak zat, en stond haastig op, om zijn zoon te gaan begroeten, die daar zo mooi in uniform kwam binnen marcheren. Had hij dat maar niet gedaan. Zo gauw de zoon zijn vader in de gaten kreeg, nam hij zijn geweer van zijn rug en begon als een wilde op zijn vader in te houwen, te hakken en te stompen met de kolf van zijn geweer. “Maar Jan toch!” kreet de boer verbaasd en wankelde onder de slagen en stompen van zijn geliefde zoon tegen de grond. De boer hield wel beschermend zijn armen om zijn hoofd, maar werd toch bont en blauw getrapt, door Jan in uniform. Welke beestachtige omstandigheid had de vader zoon verhouding zo verslechterd? Wij zijn dat nooit te weten gekomen. De boer bleef verder angstvallig over zijn lief zoontje zwijgen. Nee, daar wou hij niets over vertellen.

Soms werden er fluisterend verhalen verteld over het leven achter die rietmat en die verhalen logen er niet om. Bij onze wandeling op die boulevard, werd er, vijftig meter voor de barak 40 a, door ons halt en keert gemaakt. De slungelige wachtsoldaten, die voor de smalle ingang op wacht stonden, de stengun met een linnen bandje schietklaar om de nek, werkten krachtig mee om deze angstwekkende indruk te versterken.



Ontvluchting uit het Interneringskamp Vucht.

De denneboompjes ver over de gracht met prikkeldraad en allerlei andere obstakels, deden mijn heimwee naar de vrijheid geweld aan. Voor mij zelf was ik altijd bezig om vluchtplannen uit te werken. Als ik nou hier onder de draad doorkroop en links bij dat boompje in die gracht dook en daar dan weer onder dat prikkeldraadnet met bellen door ging, moest ik toch al een heel eind op de goede weg zijn! Het waren allemaal maar fantasieën, om de geest levendig te houden; vast omlijnd waren deze plannen nog niet. Totdat ik iemand ontmoette, die zich met dezelfde plannen bezig hield. De man heette Akkermans en was een vriend, kampvriend van Jan van Berkel. Bij die twee was het vaste prik, dat zij hun broodrantsoen voor de klotige drie sigaretten omruilden. Ze zagen er allebei slecht en vermagerd uit. En ze wilden naar huis. Maar dat wou iedereen. Akkermans was een Limburger en had een grote snor, vandaar dat hij ook wel “De Snor” genoemd werd. Jan van Berkel was een Oisterwijker, zat al van de dag af vast en kende mij dus goed. Ik meen dat Jan een blauwe Maandag bij De “Blauwe Wacht” geweest was, maar dat wist ik niet zeker en hij hield daar wijselijk zijn mond over dicht.

Van Jan hoorde de “Snor” dat ik de grote uitbreker was, dus kwam hij mij eens polsen, hoe mijn plannen waren, om dit onzalige oord te verlaten. Maar definitieve plannen had ik nog niet; wel had ik vaag allerlei vluchtroute’s in het hoofd. Deze gedachten werden uiteengezet, vergeleken met zijn plannen en verder doorgesproken. Er zaten riskante details in, want de wachten hier waren zo fanatiek, dat die zonder pardon zouden schieten en raak zouden schieten, voor zo ver ze werkelijk schieten konden. Maar de wachten die niet schieten konden, waren dubbel zo gevaarlijk. Wat zij aan goed richten misten, zou gecompenseerd worden, door hele salvo’s op ons af te vuren. Dat zou even beroerd zijn. Maar er uitbreken zonder dat we voorbij die wachten moesten ging (nog) niet. In een werkgroep zien te komen en vandaar uit de benen nemen? Maar hoe kregen wij het voor elkaar dat alle drie, Jan, de Snor en ik , in zo’n zelfde groep zouden kunnen komen. Maar we hadden zeeën van tijd en gaven het niet op. Overdag liepen wij gedrieën over de Boulevard en inspecteerden de hele versperring. Van de cementpalen, de gracht met het pinnekensdraad tot het gevlochten net van hetzelfde materiaal, kwistig met bellen en andere rammeldingen behangen. Het was en bleef een hele puzzel.

Zonder een schietgrage wacht achter onze kont was het al een hele opgaaf om door al dat gewirwar van prikkeldraad te komen. Hadden we maar een goede knijp of snijtang gehad, maar die lagen hier ook niet voor het oprapen. Hoe de wachten hun rondes maakten, waar ze liepen en wanneer, welke de gevaarlijkste en meest schietgage helden waren, zat al allemaal heel vast in ons hoofd. Maar hoe meer we er over nadachten, hoe meer moeilijkheden wij begonnen te zien. Steeds doken er weer nieuwe problemen op. Hoeveel meter was het eigenlijk? Hoe breed was de gevarenzone waar de prikkeldraad begon en de wachten op ons zouden gaan knallen? Strategisch bezien: Hoe groot was de afstand tussen het punt op de Vrije wandelboulevard en de veilige(?) dennenbosjes aan de overzijde van al die hindernissen? Vijftig meter? Honderd meter? De Snor had contacten met de Duitsers, aan de andere zijde van onze barakken. Van daar kreeg hij meestal zijn sigaretten en wat eetwaar over de omheining gegooid, als de Nederlandse wachten weer eens stonden te slapen. Die afscheiding tussen het Duitse en Nederlandse kamp was maar een draad, wel in rijen boven elkaar. Dus technisch gezien, maar een dun wandje. Als wij nu eerst eens in dat andere kamp probeerden te komen en dan doorstoten naar de andere zijde van het hele complex: Kamp Vucht. Hoe zag het er daar uit? Welke en wat voor wachten stonden daar? Was daar ook zo’n gracht met water en in dat water ook weer rollen prikkeldraad? Was daar ook zo’n gevlochten net met allemaal bellen er aan, die begonnen te rinkelen als men het net aanraakte? Dat was een mooie opdracht voor de Snor om dat allemaal via zijn Duitse vrienden aan de weet te komen. Dus begon de Snor die informatie te verzamelen. En dat duurde lang. Die Duitsers hadden geen ontvluchtingplannen. Zij hadden het onder de Engelsen Vrij goed, kregen goed en voldoende te eten en waarom zouden zij vluchten. Hun Heimat was een grote “Trummerhaufen” en nog maar gedeeltelijk bevrijd (of bezet) en het was daar nog altijd oorlog. Maar eindelijk hadden wij dan toch een vaag overzicht van de andere zijde van het kamp. De wachtdiensten langs de hele omrastering van het kamp, scheen door de Nederlandse troepen waargenomen te worden. Dat was een tegenvaller; daar stond tegenover, dat de Engelse bewaking beter zouden schieten, maar niet zo vlug. Eerst zouden zij sommeren om te stoppen met de handen omhoog “Hands-up”. Zij zouden niet zoals die verrekte gekke dilettanten van Herrijzend Nederland er maar domweg op los gaan knallen. Een positief punt was, dat wij ons wel een paar dagen in het Duitse gedeelte konden verstoppen, tot de grote zoekactie’s wat verflauwd waren, om dan rustig met de eigenlijke uitbraakpoging te beginnen. Restte ons alleen nog de dag en het uur. Als wij het daar over eens waren, zou dat aan onze Duitse vrienden gemeld worden en zouden die ook hun aandeel in de vluchtpoging van start doen gaan. (In welke barak wij zouden onderduiken enzovoorts.) Was dat allemaal uitgekiend en geregeld zou een Duitser op de avond van te voren, voor zijn barak een trompetsolo de lucht in blazen:” Wenn ich komm, wenn ich komm, wenn ich wieder, wieder komm!”

Voor mij was dat allemaal te gecompliceerd en overdreven, maar met zijn drieën hadden wij het plan gemaakt en ieder wou er zijn eigen cachet aan geven. De Snor wou bij zijn vlucht met alle geweld een grote aluminium pan meenemen. Hoe hij aan die pan was gekomen, wist ik niet, maar om die pan had hij allerlei verhaaltjes geweven, van lekker in koken en zo, als we weer vrij zouden zijn, of, zoals nu: vluchten. Wij zouden aan de lopende band kippen stelen en die, onder de vrije hemel gaan bakken en braden en koken en weet ik allemaal wat. Dus die pan moest mee. En ook een deken, ieder een deken, want die moest over de prikkeldraad gelegd worden, om er zo, zonder last van die pinnetjes te hebben, overheen te kruipen. Elke man apart zou zijn eigen oversteek moeten wagen met een tussenruimte van vijftig meter. Eigenlijk zou ik het allemaal veel liever op mijn eentje doen, dat vond ik minder riskant en niet zo overdreven moeilijk, maar afspraak was afspraak en dus hoopte ik er het beste maar van. We zouden ‘s morgens na het eerste appel voor de barakken, naar het Duitse kamp zien te komen, daar een dagje bij de Duitse vrienden van de Snor onderduiken en dan tegen de avond van daar uit door de prikkeldraad en verdere afrasteringen en hindernissen zien te komen en dan weg: “In de vrijheid!” Nee, deze keer zou ik niet naar huis gaan, daar zou ik zeker weer opgewacht en terug naar het kamp gestuurd worden. Nee, wij zouden bij elkaar blijven in de bossen, een schuilhut bouwen en de omgeving af stropen naar lekkere dingen, kippen en zo en we zouden een mooi leven hebben.

Tot grote ergernis van mij, kwam er vlak voor het van start gaan van dat mooie plan, nog een vierde man bij. De Snor kwam er mee aan. Het was ook een Limburger, die het spuugzat was om hier maar opgesloten te zitten. Hij was een vriendje van Akkermans. Als dat maar goed zou gaan! Als het plan ook in het Duitse gedeelte georganiseerd was, zou de avond van te voren die trompet een solo geven en de volgende morgen zouden wij dan in het Duitse kamp verschijnen en daar de verdere dag onderduiken. Het duurde allemaal nog een paar dagen en de drie anderen werden steeds nerveuzer. Jan van Berkel had een stuk elektrische buis weten te organiseren en zat zijn tijd te verdoen, om hier een mes van te maken. Als wij kippen zouden jatten, als we weer in vrijheid waren, moesten die toch ook geslacht worden en daarbij was een mes broodnodig. De veertig centimeter buis werd voor de helft plat geslagen. Dat was het lemmet of werd het eigenlijke mes. Het niet platgeslagen stuk buis werd het handvat. Als men nu maar lang genoeg met een steen op dat stuk plat geslagen buis bleef hameren, werd dat scherp genoeg om er een kip de kop mee af te snijden. En Jan kon zijn gespannen zenuwen wat afreageren.

De avond kwam en plotseling werd er ergens in het Duitse kamp een trompetsolo in de lucht geblazen. Het was een spoorwegman van de Duitse Reichsbahn, die de solo blies. De man had zijn uniform nog aan, maar de adelaar met het hakenkruis was er afgerukt. Op de hoek van zijn barak gaf hij de serenade weg en het klonk heel mooi, vooral voor de vier mannen in het Nederlandse kamp, die er nog zenuwachtiger van werden. Ik zag dat hele plan niet meer zo zitten. Het was te gecompliceerd geworden. Eerst het ene kamp uit, het andere kamp weer in, daar een hele dag ondergedoken blijven en in de zenuwen zitten. Dan weer opnieuw in actie komen en de eigenlijke doorbraak maken. En dat met vier man. Nee, als ik mijn zin kon doen, dan in een dolle ren op al die hindernissen afstuiven, zigzaggen, vallen, opstaan en wegduiken en proberen er in een korte actie uit zien te komen. Of niet natuurlijk, maar dan was alles in een kwartier gefikst en wist men waar men aan toe was. Punt. Uit. Amen. Deo gratias! of Requiem Pacis!

De volgende morgen kwam; het appel werd gehouden en misschien werden wij vieren wel voor de laatste maal geteld. Terwijl, na de telling en controle, de soldaten weer afmarcheerden, de andere gevangenen weer in hun barak terug gingen, kwamen wij vieren in actie. Ik geloof als ik nu nog gezegd zou hebben, dat het hele plan niet doorging, de andere drie er met een grote zucht van verlichting, mee ingestemd zouden hebben. Maar het moest dan maar gebeuren. Ieder voor zichzelf en God voor ons allen! “EN WE RAAKTEN ER OVER!” of er onder door, dat weet ik niet meer. Naar na wat gehijg en gestuntel, stonden we alle vier aan de Duitse zijde van de af scheiding. Met de dekens en de pan. Niemand had iets gemerkt. Nergens was er enige opwinding of beroering, behalve dan bij ons. Terwijl we nog verbaasd over het gelukken van de eerste stunt stonden na te denken, werden we in een Duitse barak getrokken. Aan die kant waren de voorbereidselen dus goed georganiseerd. Die Duitsers zaten toch heel wat comfortabeler als wij. Een hele familie zat in een soort huiskamer aan een tafel en meteen kregen wij het gevoel, dat we al een heel stuk vrijheid veroverd hadden. De spoorman ging wat rondjes buiten de barak lopen, om te zien of aan de Nederlandse zijde alles nog rustig was. Al vlug was hij weer terug. Niets aan de hand, geen opwin ding bij de Nederlanders, dus van onze snelle oversteek, uitbraak had nog niemand iets gemerkt. Ik kreeg weer wat moed en zag het hele plan niet meer zo somber. Maar we hadden nog een hele dag voor ons en zaten maar te zitten bij die Duitse mensen in die barak. Er was koffie, die te drinken was, natuurlijk, als men maanden lang alleen maar pompwater te drinken had gehad. En Engelse cake’s, zoveel we maar lusten. De dag duurde verschrikkelijk lang en we werden hoe langer hoe nerveuzer. Als het donker zou gaan worden, zouden we aan het tweede gedeelte van ons vluchtplan beginnen. Tot zover zaten we vol zenuwen, aten nog wat Engelse cake’s en dronken iets dat op koffie leek. Af en toe verdween die Duitse spoorwegman nog eens naar buiten om het zoveelste rondje te lopen om de toestand in het Nederlandse kamp te bestuderen. Nog altijd was het daar rustig; dus van onze ontsnapping was nog niets gemerkt. Wij probeerden wat te slapen, wat natuurlijk niet lukte. Na de zoveelste wandeling van onze Duitse gastheer, langs de afscheiding tussen het Duitse en Nederlandse gedeelte, was er nieuws. De barak 29 a stond volledig buiten aangetreden en er werd geteld door een heel peloton Nederlandse Strijdkrachten. Eindelijk dan toch was onze vlucht bemerkt en dat luchtte ons toch wel op, want eigenlijk zaten we daar al de hele dag op te wachten. Er werd daar gebruld en geschreeuwd en de commando’s waaide tot in onze (Duitse) barak over. Het werd weer een daverend feest van tellen en hertellen, afgewisseld met schoppen, slagen en trappen. En dat was allemaal onze schuld, dat hadden wij vieren op ons geweten, maar aan zo’n extra appel waren die mensen in het Vrije kamp wel gewend geraakt in de loop der tijd, troostten we onszelf. Het appel van de barak 29 a bleef maar duren en het werd al schemerig buiten. Terwijl onze barak buiten, in de houding, voor de zoveelste keer werd herteld, begonnen wij aan het tweede gedeelte van onze ontsnapping. Alle aandacht was op de aanwezigen gevestigd en de afwezigen konden ongehinderd verder verdwijnen. Aan niemand hadden we verteld, dat wij zouden uitbreken en zeker niet hoe en op welke wijze.

Van onze gastheer kregen we nog wat aanwijzingen; bij paal zoveel was de aangebrachte versperring niet zo stabiel. Als we onder de eerste draad door zouden zijn, moesten we ongeveer tien meter langs de gracht lopen, want daar was de plaats waar de rollen prikkeldraad tegen elkaar lagen. De ene rol hield op en de volgende begon daar. Alleen als men het wist kon men die las vinden en er tussen door lopen en onder het net van prikkeldraad door rollen; nooit er overheen kruipen, want dan gingen alle bellen rinkelen. “Gluck—auf!” wenste ons die Duitser en daar gingen we. Dwars door het Duitse kamp en zo bereikten we de andere kant van het grote verblijfs- en internering kamp Vucht. Als wij ook deze hindernis, dit obstakel genomen hadden, zouden we werkelijk vrij zijn. Zoals afgesproken, zouden wij gezamenlijk door de eerste versperring kruipen, ook gezamenlijk door de gracht met de rol prikkeldraad tussen die las doorwaden, maar daarna, ieder voor zich zelf ergens met een tussen ruimte van vijftig of zestig meter, onder dat net met bellen doorkruipen. Fase een gelukte, door de gracht met prikkeldraad zien te komen gelukte ook, al konden wij de las niet vinden, maar de tijd drong dus lieten we ons over de onder water liggende rollen draad maar heen rollen. Zonder kleerscheuren ging dat niet, maar het lukte. Ik zeulde nog altijd met de deken en de pan van Snor Akkermans, maar in de schemering was ik mijn makkers kwijt geraakt. Nu onder dat net door zien te komen. Gelukkig waren we danig afgeslankt en op mijn rug liggende boog ik draden omhoog en opzij en rolde verder de vrijheid tegemoet. Akkermans en Jan van Berkel zag ik niet meer, maar die nieuwe Limburger lag een dertig of veertig meter van mij vandaan, op zijn rug, totaal van de kook en op van de zenuwen met grof geweld als een waanzinnige aan dat netwerk te rukken.

Hij raakte helemaal verward in dat net en begon groot lawijt te schoppen. Jezus, wat een kloot; kon hij het niet wat rustiger aan doen? Hij bracht niet alleen zich zelf, maar ook ons in gevaar. Ik was ondertussen goed opgeschoten en lag al aan het andere eind van dat net, nog een paar draadjes weg buigen en het was gefikst. Toen kwam die soldaat aanrennen. Zoekend liet hij een schijnwerper over de versperring glijden. Ik rolde mij op, ging met mijn gezicht in het gras gedrukt liggen en ook mijn witte handen stak ik onder mijn lijf en het licht ging over mij heen, maar zwaaide zonder haperen verder, dus was ik niet ontdekt. Nu kwam die Limburger in het vizier en ik moest toch even kijken, zonder al te veel mijn witte gezicht bloot te geven. De ronde witte cirkel licht van die sterke zaklantaren stond nu stil. In die cirkel zat mijn kameraad, hopeloos verward in de draad en staarde met grote angstogen in de felle schijn. “Handen omhoog!”brulde de dappere soldaat en begon zijn schiettuig op de man te richten. Dus een Nederlandse soldaat; het had ook een Engelse kunnen zijn. Dat waren echte soldaten en niet zo gevaarlijk. Vertwijfeld wou die Limburger zijn handen omhoog steken, maar hij zat hopeloos in dat net van prikkeldraad verward; hij kon voor noch achter uit, laat staan zijn beide armen onder dat verdomde net omhoog steken. Een schot knalde, nog een. “Niet schieten, niet schieten!” brulde hij. Een derde schot. “Auw!” kermde hij en weer: “Moeder!” Een minuut lag hij gillend te krijsen, dan hield dat plotseling op en was er alleen nog maar een zacht rochelen te horen, Ik hoorde het alleen maar, want ik lag opgerold, met mijn gezicht in de grond gedrukt, van angst en ellende te beven en te scho1 De soldaat verplaatste zich verder van mij af en bleef met zijn lantaren de aangeschoten man belichten. “Ik moet hier weg!” zei ik tegen me zelf, “maar wel kalm blijven en onder die laatste draad doorschuiven. Geen geluid maken, want als hij jou hoort, zal hij zeker ook op jou gaan schieten!” Mijn hart klopte in mijn keel, grote zweetdruppels liepen over mijn gezicht en ik moest op mijn tanden bijten om een groot schokgevoel dat ergens in mijn maagstreek zat, tegen te gaan. “Nu!” Voorzichtig, heel voorzichtig begon ik de laatste draad weg te buigen, met mijn gezicht van de lamp afgewend; als die lamp eens een rondzwaai zou gaan maken en ook mij in het vizier zou krijgen? Door dat geconcentreerde bezig zijn, werd ik wat rustiger; ik wist dat dit mijn enige kans was. De laatste draad terug- en wegbuigen, dat was het probleem en niet meer denken aan wat zal gebeuren als ook die lantaren mijn kant uitzwenkte. Meer soldaten kwamen aanhollen, met zaklantarens gewapend en belichtten alleen maar de “Buit!”. Niemand kreeg het, voorlopig althans, in zijn stomme kop, om een verdere controle te houden over die donkere versperring. IJskoud nu, werkte ik verder, heel rustig duwde ik mij onder de laatste draad door en rolde nog wat verder achter een dennenstruikje en bleef daar liggen. De pan en de deken had ik nog bij mij; volkomen automatisch had ik deze bepakking met mij meegezeuld. Het soldatendom was nog altijd bezig de aangeschoten buit in het volle licht van hun lantarens te houden. Even keek ik nog naar die roerloze figuur, die daar in dat net hing. Even moest ik rillen, maar dan weg wezen. Nu kon het nog. Ze hadden al lang met die verdomde schijnwerpers de verdere omgeving moeten aflichten.

Waarom ze dat niet deden, was me een raadsel. Ik holde niet in paniek weg, nee, heel kalm en rustig verdween ik in de donkere bossen. Met de pan en de deken. Wel zat er ergens in mijn buik een spanning, een veer, die een enorme druk op mij uitoefende om redeloos en radeloos te gaan hollen. Maar ik bleef mij zelf de baas en wandelde rustig en ontspannen verder. Oren en ogen wijd open. Bij een open vlakte in dat bos, bleef ik lang stil staan, voor dat ik deze, door de maan verlichtte opening overstak. Terug in duisternis, onder de dichte bomen, doemde een paar grote gebouwen op. Een kazerne? Maar er was niemand, alles scheen verlaten. De paniekerige stemming was nu weg; ik voelde mij plotseling geen vluchteling meer, maar een late wandelaar op dit verlaten kazerne complex. De deur van een van die gebouwen stond open, dus schoof ik voorzichtig naar binnen. De maan verlichtte het interieur. Even stond ik peinzend naar de grote muurschilderingen te kijken. Een groot beukenbos met een krijgshaftige Batavier, met een lans bewapend en een helm met horens op zijn lange blonde haren. Een dood wild zwijn lag op zijn schouders. Dit moest een Duitse kazerne zijn geweest, behorende bij het Kamp Vucht. Maar waarom hier niemand meer was, Engelse of Amerikaanse soldaten, was mij een raadsel. Er stond een grote tafel en de vloer was bezaaid met sigarettenpeukjes, die ik ijverig begon te verzamelen. Mijn pijp had ik bij mijn vlucht meegenomen, maar ik had geen lucifers. Maar die zou ik nog wel ergens opduiken. Ik had alle tijd en onderzocht het gebouw verder. Overal op de muren tekeningen met de zelfde strekking. Blonde Germanen in krijgstooi. Dan stond ik weer buiten. Wat nu? Zou die Limburger dood zijn. Ik wist het niet en even liep er nog een rilling over mijn rug als ik aan dat tafereel terug dacht. De man had pech gehad. Waar zouden de Snor en Jan van Berkel uithangen. Geronk van een moter en voor ik weg kon duiken, draaide een grote legerwagen het plein op. Even stond ik in het felle licht van de koplampen, die plotseling werden ontstoken. Geen paniek nu en ik bleef staan, waar ik stond. De legertruck stopte en iemand kwam uit de cabine hangen. Hij wenkte mij.Ik kwam naderbij en de soldaat begon iets tegen me te vertellen. Maar veel verstond ik er niet van. Maar ik moest achter in de laadbak plaats gaan nemen, dat begreep ik wel. Zou hij begrepen hebben dat ik een ontsnapte gevangene was uit het kamp; maar dat lag wel voor de hand. Maar extra voor mij uit die cabine komen en veel tralala maken, zoals die soldaten van Herrijzend Nederland zouden doen, deed hij niet Dus liep ik zelf maar naar de achterkant van die vrachtwagen. De zeilkiep hing open en eerst smeet ik mijn pan en deken maar naar binnen. “Ready?” vroeg de soldaat, die nog altijd met zijn bovenlijf uit de truck leunde. “Yes!” brulde ik terug en de wagen trok weer op, met mijn pan en de deken, maar zonder mij, in het nachtelijke duister.

Dat was geluk hebben! Maar nu wel echt weg wezen. Het hele plan lag nu wel goed door elkaar. Ik was alleen en waar Jan en de Snor uithingen, wist ik niet. Waren ze wel uit het kamp gekomen? Ik zou maar alleen naar Oisterwijk zien te komen, zonder mijn vrienden. Ergens uitbreken lukte me altijd, maar er uit blijven, was het grote punt. Maar deze keer zou ik me niet meer laten vangen. In Oisterwijk zou ik een voorlopige schuilhut in de bossen maken, contact met onze Jan opnemen en vragen of hij mij naar België kon brengen. Nee naar huis, naar My Home, ging ik deze keer niet; of toch maar even, om wat proviand voor een paar dagen op te halen en wat dekens? Om ten minste een paar dagen te kunnen leven.

Naar het zuidwesten toe was Oisterwijk. De maan was nu helemaal op en gaf aan het bos een sprookjesachtig licht. En ik was vrij, weg uit dat vervloekte kamp. Ik liep nu door een of andere buitenwijk. Zo nu en dan stond er een grote villa mat te glanzen in het maanlicht. Fruitbomen stonden in volle bloei en geurden bedwelmend en de grond waarover ik liep was bezaaid met witte bloemblaadjes. Ik liep niet, maar ik zweefde en ik voelde mij oneindig gelukkig. Haast had ik niet; dit sprookje moest lang blijven duren. Voor mij kwam een grote verkeersweg. De Boschseweg en die kende ik. Daar moest ik overheen, terug in de bossen, want ik zou wel gek zijn als ik die grote weg zou gaan volgen. Dan hadden ze me weer direct te pakken en deze keer was ik er uit en wou er uit blijven. Een militaire colonne vrachtwagens met afgeschermde lichten had voorrang, maar toen die voorbij was, stak ik de macadamweg over en belandde weer in een park. Mijn geluk kon niet op. Hier stond de Perus Japonica in volle bloei en mijn pad was nu bezaaid met roze rode bloesemblaadjes. Na dit park kwamen er weilanden. Er hing een ijle mist en hier en daar stonden wat koeien met hun lijf boven de nevel uit. Nieuwsgierig stonden ze mij aan te staren. Ik begon het koud te krijgen. Met het door de gracht trekken, bij mijn vlucht uit het kamp, had ik tot mijn middel door dat drabbige water moeten waden. In die spanning van toen, had ik er niets van gevoeld. Ook in het bos en dat villa park had ik mij gelukkig gevoeld, daar dacht ik niet aan kou. Maar mijn broek was verre van droog en mijn onderlijf verkilde. Bij een vredig neerliggende en herkauwende groep koeien, ging ik ook maar liggen. Die koeien bleven waar ze waren. Ze stoorden zich niet aan mij en herkauwden verder. Ik kroop tegen die warme lijven aan. Even moest ik toch uitrusten en de verdere plannen overdenken. Een staande koe kwam op mij toegesjokt, om, nieuwsgierig zoals alle koeien nu eenmaal zijn, eens te komen kijken, wat voor een raar kalf haar vriendin daar gebaard had. Een kwartiertje zou ik zo uitrusten; het werd een half uur. Toen stond ik weer op en trok verder in de richting Oisterwijk. De omgeving begon mij hier bekend te worden. Hier was ik meer geweest. Daar ginds moest Haren liggen. Links van mij lag een boerderijtje, vlak langs de wegrand. Een hofhond kwam kwispelstaartend naar mij toe.

Ouwe loebes!”, zei ik en streek het dier over zijn kop. Toen zag ik dat bakhuisje; het deurtje stond half open. Toch maar even binnen loeren; je kon nooit weten. Ik rook het al gauw. Er was kortelings gebakken. De geur van vers brood stroomde mij tegen. In het bakhuis hing nog de warmte van de oven en in een trog, langs de wand, onder een jutte zak, lagen de warme broden. Voor ik het wist had ik zo’n warm rond korsterig brood onder mijn arm. De hond keek mij weer vragend aan. “Vooruit dan, ouwe loebes!” Met de rechter hand pulkte ik een korst van dat brood en wierp het de hond toe. Hij slokte het uit de lucht weg, likte zijn lippen en keek mij opnieuw vragend aan. Maar nu was het genoeg. Met het ronde brood onder mijn arm geklemd, liep ik het erf weer af; de hond vragend achter mij aan. “Ga terug beest!” fluisterde ik, “vort naar je baas!” Het trouwe dier bleef mij aanstaren, hopende op nog een stuk brood. Hij begreep er niets meer van. Maar verder ging het avontuur; op naar Oisterwijk. Onder het lopen plukte ik hele korsten van het brood; het smaakte heerlijk. De kruim was nog lekkerder. Jammer dat het zo vlug op was.

Nu liep ik over een smal zandweggetje met diepe karrensporen en als ik me niet vergiste zou ik nu uit moeten komen, ergens voor bij het Harens kasteeltje, tegen de spoorlijn Boxtel-Oisterwijk. “Halt! Wat was dat?” Een lichtje, voor mij, vijftig meter verder op de grond. Midden op de weg. Ik begreep het niet helemaal. Het bewoog zich niet; het leek wat afgeschermd. Heel voorzichtig kwam ik naderbij, tot het uiterste gespannen, klaar om weg te rennen, als er onraad zijn zou. Maar er gebeurde niets. Toen ik er vlak bij was, zag ik dat dat lichtje onder een soort wit kussensloop stond, vandaar dat diffuse licht. Die zak of kussensloop lag midden op de weg en er zat iets in. Allerlei bultige en hoekige vormen, staken af onder dat witte doek. Met een grote boog liep ik om dat pakje heen. Ik kon er geen hoogte van krijgen en vertrouwen deed ik het niet. Maar beter niet aanraken, hoewel ik reuze benieuwd was wat er in zou zitten; voor wie het bestemd was en wie het daar had neergelegd. Met een grote boog liep ik om dat geheimzinnige obstakel heen en verwijderde mij van dat kussensloop met dat lichtje er onder. Over de spoorlijn tot het Harens kasteeltje en dan langs de schone stroom naar My Home. Hoe laat was het nu? Het kon twaalf uur zijn, maar ook drie uur in de morgen. Mijn polshorloge had ik evenals mijn vulpen en nog enkele andere persoonlijke dingen bij mijn aankomst in het kamp Vucht moeten afgeven. Ook mijn portemonnee: inhoud zes gulden en drie en veertig cent.

Het laatste stukje was me helemaal bekend. Ik zou achter My Home nogmaals door het water moeten waden, door de stroom heen en dan alles nauwkeurig bekijken, voor ik me in huis zou wagen. Maar niets wees er op dat het niet veilig zou zijn. Toch klom ik op het platte dak van de bijkeuken en drong zo het huis binnen. Niets of niemand roerde zich; alles en iedereen sliep. Ik sloop naar de slaapkamer van mijn moeder en ging vertrouwelijk op de bedderand zitten. Voorzichtig maakte ik haar wakker. Ze opende haar ogen, sloot ze weer vermoeid en zei dan: “Bende er weer uitgebroken? Maar Sjef dan toch!” Dan wou ze overeind komen, maar ik zei dat ze maar moest blijven liggen. Ik zou zelf wel het een en ander bij elkaar gaan zoeken en dan weer verdwijnen. “Is er wat te eten in huis?” wilde ik weten. Maar stond ze toch op; ze wou dat zelf voor mij klaar gaan maken. Er waren blikjes Corned Beef en ander vlees. Er was ook brood. Dan moest ik nog een vork, mes en lepel hebben, een doosje lucifers en een pannetje. Na een kwartier was ik weer o pad, gewapend met een pannetje, wat levensmiddelen en een dikke deken. “Wat gade nou doen?”, vroeg mijn moeder zorgelijk. Ze zag het allemaal niet zo zitten. Ik zou ziek kunnen worden en als “Ze” te weten zouden komen, dat ik mij ergens in de bossen schuil hield, zouden er grote klopjachten georganiseerd worden, enzovoorts. “Het zal allemaal wel meevallen, moeder; deze keer krijgen ze me niet. Onze Jan moet me na een paar dagen naar België brengen. Daar kan ik wel onderduiken en bij een boer gaan werken!” Ze zou vandaag nog aan onze Jan gaan vertellen, dat ik er weer uitgebroken was en dat ik naar België gebracht wilde worden. Als dat geregeld was, zou onze Jan me wel ergens in de bossen weten te vinden. “Nou, houdoe wor, en maakt oe maar geen zorgen. Onkruid vergaat niet!” Het schemerde al toen ik ons moeder goeiendag zei, die mij hoofdschuddend stond na te kijken. Ik had een pakje shagtoeback van haar gekregen, maar ik kon de peukjes van vannacht toch ook weer weggooien. Daarmee werd een eerste pijp gevuld. Mijn natte broek had ik thuis uitgetrokken en een andere aangedaan. Dat deed me goed, want ik had het koud gekregen, na zo’n een hele nacht in een natte broek rond te zwerven.

Over een weiland, naast het hotel Bos en Ven, verliet ik My Home. Toch maar beter om geen vroege wandelaars tegen te komen, die me zouden kennen. Het zou dan weer als een lopend vuurtje door het dorp gaan: “Zeg, hedde het al gehoord?. Sjef Paijmans is er weer uitgebroken!” Het Militaire Gezag, zou het dan direct te weten komen, want zoals mijn moeder zei: “De verraders slapen niet!” Bij het hotel liep een verslapen wacht zijn rondjes. Een Engelse of een soldaat van Oranje? Het was me een zorg; mij kreeg hij niet te zien. Nu voelde ik dat ik doodmoe was. Als ik ergens een rustig plekje zou vinden, zou ik mijn deken uitrollen en gaan slapen. Dat moest achter de Belvert zijn, daar kwam geen mens en ik zou me daar volkomen veilig voelen. Er stonden van die lage dennenbomen met hun takken tot aan de grond. De bodem was van droog geel zand. Als wij vroeger, met vrienden en kameraden, door bos en hei zwierven, kropen we daar onder als het regende. Al voor de Belvert hoorde ik de wulpen jodelen en het driftige roepen van de grutto. Kievieten tuimelden door de lucht en alhoewel ik doodmoe was, kreeg ik toch een heerlijk gevoel van Vrij zijn. Hoe zouden de mensen in het kamp het maken? Uit barak 29 a? Zouden ze lang op dat strafappel hebben moeten staan, vanwege onze ontsnapping? Zou ik de pest in hebben, als ik zo lang buiten voor de barak in de houding moest staan en trappen en schoppen te incasseren kreeg, omdat er iemand ontsnapt was? Nee, zeker niet; ik zou het grootste plezier hebben, omdat die snotneuzen van Herrijzend Nederland weer eens voor aap gezet waren en in stilte de gevluchte personen veel geluk toewensen en hopen dat ze nooit meer gesnapt zouden worden.

Op de heide, achter de Belvert was een mooie den, met breed uitgewaaierde takken tot de grond toe. Nogmaals speurde ik de omgeving af naar onraad, maar wie zou hier zo vroeg in de morgen door die verlaten heide rondstappen? De meegezeulde dikke, gestikte deken werd onder de den uitgespreid; de zak met proviand en mijn matrozenkiel als hoofdkussen en mijn leger was gereed. Ik rolde me in de deken en sliep meteen. Na een tijdje werd ik wakker van de kou. De deken was bovenop vochtig, dus had het wat geregend terwijl ik sliep. De lucht was grauw. Daar waar de zon achter de wolken schuil ging, was zo ongeveer het zuiden. Twaalf uur, dus had ik toch wel drie a vier uur geslapen. Voor de komende nacht maakte ik mij zorgen; als het weer zou gaan regenen, zou ik van de kou niet kunnen slapen. Maar wie dan leeft, die dan zorgt. Ik stak mijn pijp op van de peuken, die ik vannacht gevonden had en dat deed me nog meer van mijn vrijheid genieten. Terwijl ik zo, half onder die deken, aan mijn pijp lag te lurken, had ik het ook niet meer zo koud. Naast me stond een blikje Cornedbeef, dat ik met mijn zakmes geopend had. Af en toe nam ik daar een hapje van. Tussen de takken van mijn den door, keek ik over de heide en het moeras. De water- en heidevogels vlogen af en aan. Het jodelen, tureluren en roepen was niet van de lucht. Een haas liep met stijve poten tot aan het moeras. De wind waaide over mij heen, naar het moeras toe, dus moest hij weten, dat er een mens in de buurt was. Verder was alles vredig en rustig en ik lag stil te genieten van mijn vrijheid. Ik had er veel voor geriskeerd.

Dat van die Limburger was niet zo mooi. Toen ik daar over na begon te denken, zakte mijn stemming weer onder nul. Het waren rotzakken en beestmensen, die soldaten van Oranje. Wie schiet er nou op een weerloze gevangene, die hopeloos in het prikkeldraad verward zat en zich bijna niet meer bewegen kon. Dat was toch niet nodig geweest. Hij, die soldaat, had de man heel duidelijk in het licht van zijn lantaren. Hij had moeten zien, dat er van verder vluchten geen sprake meer was. Waarom dan nog twee, drie maal schieten? Toen kwam bij mij de vraag op: In hoeverre was ik schuldig aan de dood (was hij dood?) van die man? Ik had als eerste dat ontvluchtingsplan gehad; ik had de anderen meegesleept! Maar die anderen kenden evengoed als ik de consequentie’s van dat vluchten. Er zou geschoten worden als men ontdekt werd; dat wisten wij maar al te goed. Ik had ze niet gedwongen om met mij de benen te nemen. Alle vier hadden we ingestemd met de vlucht en de risico’s aanvaard.

Ik werd uit mijn gedachten opgeschrikt door een kieviet, die als een idioot over heide en moeras begon te tuimelen. Er was gevaar, uitkijken nu! Over de brandgang kwam iemand aan, nog wel veraf. Het leek geen politieman of soldaat. Een vroege wandelaar, maar zo vroeg was het niet meer. Zeker al twaalf uur, zo niet later. Ook de grutto’s en wulpen gingen op de wieken en protesteerden tegen die indringer. Die liep verder over die brandgang en verdween tenslotte weer. Mijn donkerblauwe matrozenkiel, geruild voor een paar sigaretten bij een soldaat van de Kriegsmarine, was onder die den zeker niet te zien geweest. Die brandgang lag zeker twee honderd meter van mijn schuilplaats af; De rust keerde weer. Kievieten, grutto’s vlogen terug naar hun plaatsje in het moeras of op de heide. Een wulp daalde misschien veertig meter van mij af, terug op zijn buntpol. Keek nog even spiedend rond, waaierde even met zijn vleugels en liet zich in ruststand op de pol zak ken. Die wulp zou daar zeker zijn nest hebben en dat betekende voor mij eieren, vier grote eieren. Als die nog zuiver waren konden ze gebakken of gekookt worden. In de benen dus en op zoek naar buit. Die wulp .ras vlug gevonden en er waren inderdaad vier van die lichtgroene, met donkere stippels versierde eieren. De waterproef wees uit dat ze nog zuiver waren. Alle vier zakten ze als een baksteen naar beneden toen ik ze in een moeras kuiltje liet zakken. Bakken of koken? Maar in beide gevallen betekende dat: Vuur maken met niet al te droog hout en dat zou enorm roken en misschien een wandelaar of boswachter attent maken op mijn aanwezigheid. Dus geen vuur; maar ook rauwe eieren smaken goed, beweerde men en het zou nog gezond zijn ook. Dus ter plaatse verorberen, rauw en wel. Een gaatje aan de punt en nog een aan de andere zijde en dan maar slurpen. Eerst lukte het niet al te best dus harder zuigen en toen kwam de hele inhoud van dat ei in mijn mond gespoten. Nee, lekker was dat niet; ik kokhalsde er van en trek in de drie resterende eieren was er niet meer. Ma wulp kreeg haar drie ongeboren jongen weer in het nest. Ik liep terug naar mijn schuilplaats. Voor de komende nacht moet ik een ander onder komen zien te vinden; met die vochtige deken zou ik rillen van de kou en niet slapen kunnen. Een boerenschuur of zoiets, maar waar stond zo’n ding en liefst niet te dicht bij de boerderij zelf. Een broer van mij werkte bij een boer, hier niet zo ver vandaan. Als ik daar nu eens heen ging en dan eerst probeerde mijn broer alleen te pakken te krijgen. Hem dan vragen of hij mij, met of zonder goedvinden van zijn boer, een voorlopig onderdak kon verschaffen. Ik pakte mijn spullen bij elkaar en trok naar de Locht, een gehuchtje van zes of acht boerderijen. Tijdens de oorlogsjaren hadden er nog al wat onderduikers gezeten. Boer van Baast, die er ook woonde, was op het einde van de oorlog doodgeschoten. Een Engels vliegtuig was daar neergekomen. Alle boeren uit de omtrek waren toegestroomd en toen een Duitse patrouille verscheen om de piloten van dat vliegtuig gevangen te nemen, begonnen die piloten zich zigzagsgewijs tussen de toegestroomde boeren en burgers te verwijderen. Dat Duits commando begon nog te schreeuwen, dat alle boeren en burgers moesten gaan liggen, maar dat bevel werd genegeerd. Toen die Duitsers met een mitrailleur begonnen te schieten, werd boer van Baast dodelijk getroffen. Daarom maar beter dat die boeren niet zagen. Dwars door de bossen trok ik naar de Locht. Eerst een kijkje nemen of mijn broer op een of andere akker aan het werken was. Ik had geluk. Na het zoveelste bosje door getrokken te zijn, kwam ik bij een van de akkers van Louis, de boer waar mijn broer bij werkte. In de beschutting van de boskant keek ik over de akker en aan gindse kant was mijn broer inderdaad ergens mee bezig. En dat was belangrijk: hij was alleen. Hij zaaide kunstmest en liep hot en her over de geploegde akker. Nu van mij af, maar straks aan het einde van de akker zou hij weer op mij toekomen. Vlak bij mij, stonden een paar zakken kunstmest. Als zijn bak leeg was, moest hij die hier komen vullen. Dus rustig afwachten en de hele omtrek nogmaals goed in ogenschouw nemen. Niets roerde zich, behalve mijn naarstig werkende broer. Nu kwam hij mijn kant weer uit, niet vermoedend wat voor een verrassing hem te wachten stond. Zijn hak was leeg en bij de zakken terug, snoot hij eerst zijn neus, zomaar tussen duim en wijsvinger. Een zakdoek kende een boer alleen bij begrafenissen en zo. Dan kwam ik uit de beschuttende bosrand. “Hoi Sannie!” begroette ik hem. Hij schrok, werd spier wit, maar dan lachtte hij toch. “Bende weer ontsnapt, verrekte Sjef!” en kwam bij me in de boskant staan. “Ik ben vannacht al eventjes thuis geweest, maar daar kan ik niet blijven; ze komen daar zeker kijken. Witte gij geen warm plekske waar ik een paar dagen wat kan uitrusten en slapen, totdat onze Jan mij op komt halen om naar België te brengen? In den Bels kan ik wel een tijdje onderduiken. Is er nergens achteraf een schuurke met wat hooi of strooi? Buiten slapen is me toch te koud. Mijn deken is al nat!” en ik wees hem op mijn bagage. “Gij komt toch zeker bij ons in de schuur!” zei mijn broer. “Vindt Louis da wel goed?” vroeg ik. “Natuurlijk vindt hij da goed, ge kent Louis toch wel; ge bent toch zat in den oorlog bij ons geweest; op den akker helpen en zo!” “Maar de buren, de van Baasten en zo; het is toch beter da ze mij nie zien!” “Wacht hier maar efkes; ik ga subiet naar Louis toe en leg hem da wel uit. Hedde nog iets nodig?” en hij taste in zijn zakken en gaf me een dan een paar sneden brood, dik belegd met spek. Hier!” zei hij dan, “des mijn brood voor vier uren op den akker! Tot dadelijk!” en hij stapte weg, de zaadbak en de zakken bleven achter, daar mocht ik op passen.

Het boerenbrood met spek deed me goed na dat rauwe ei van daar straks. Na een kwartierke kwam onze Sannie weer terug; hij zwaaide al van verre dat het goed was. Toen hij bij me kwam staan, glunderde hij van plezier dat hij iets voor me doen kon. “Alleen Louis hee geren, da ge pas komt as ‘t donker is. ‘t Is beter de er niemand iets van afweet. Overdag moette wel in de schuur blijven en oe eigen aan niemand laten zien, ook aan de kender nie, die zon durre mond mer vorbij praten, ge snapt de wel he!” “Welke schuur moet ik in, San?” wilde ik nog weten. “De hooischuur, achter het huis; ge wit wel, mi de groot gat in het dak, kruipt mar op het schoorke en maokt het oe eigen mer zo makkelijk mogelijk, slaopt mar wa of zo!” “Goed als het donker is, koom ik, afgesproken?” Onze boer ging weer aan het werk. De zaadbak werd weer gevuld en hij stapte wijd uitzwaaiend met de arm, over de akker. Terugkomens werd de bak weer bijgevuld en maakten we een praatje; ik bleef natuurlijk in den boskant staan. De laatste zak kunstmest raakte leeg en in het bos achter mij begon het al te donkeren. Mijn broer ging terug naar de boerderij. “Ik neem de deken en verdere spullen maar vast mee en zal ze op den hooizolder leggen, dan witte strak waar gij zijn moet; tot over een half uurke dan en paast op de oe de van Baasten nie zien!” “Ja, daar paas ik voor op, tot straks dan!” en mijn broer verween met de lege zakken, de zaadbak en mijn spullen over de snel donker wordende akker. Na een half uurke of zo, vertrok ik ook naar de boerderij toe, wist waar ik zijn moest en belandde in het hooi. Daar lag mijn deken en nog een tweede al netjes opgedekt klaar. Mijn bedje was gespreid. In de boerderij klonk het gemur van koeien; ergens anders werden de varkens afgevoerd en dat gaf een luid geknor en geschreeuw. Achter de stal werd er met emmers gerammeld. Een vijfjarig kind van Louis moest naar het “Huske”, dat ergens buiten tegen een stal aan stond, maar was ook weer vlug terug. Onder mij werd het paard gestald, kreeg hooi en water en ik hoorde het beest het water met lange teugen opzuipen. De emmer rammelde wat toen het dier uitgedronken was. Dan werd het rustig op het erf.

De avond schoof verder; door het gat in het rieten dak scheen de maan. Na een half uurke kwam er weer iemand naar buiten, liep mijn schuur in, ging onder het schoorke staan en onze Sannie riep naar boven: “Sjef komde!?” en ik kwam omlaag. Onze San ging mij voor, we liepen de stal binnen die aan het woonhuis vaststond en belandden zo in de verlichte huiskamer waar Louis grijnzend op me stond te wachten. Ook Anna, de boerin was daar; de kinderen lagen al te bed. “Kom et oe, schuif bij!” zei Anna en ik moest aan tafel bij schuiven en er werd gegeten. En hoe. Eerst dikke erwtensoep, dan gebakken aardappelen, appelmoes en een lap vlees; dan griesmeelpap met krenten en toen ik bijna op springen stond kwam er nog “Mulkepap”. Veel werd er niet gezegd tijdens de maaltijd; alleen onze Sannie keek mij tevreden aan, omdat ik zo goed mijn best deed. Louis vroeg of het smaakte. Anna zorgde er voor dat mijn bord niet leeg kwam. Na de maaltijd gingen we om de plattebuis zitten en ik mocht mijn laarzen uittrekken om mijn wat vochtige sokken op de nikkelen onderplaat te drogen. Van de boer kreeg ik nog een vooroorlogse sigaar. Anna zat aardappelen te schillen voor de volgende dag. We praatten wat over het weer, het natte voorjaar, over de koeien en het paard en zo verder. Ons bakske koffie stond warm te blijven achter op de platte buis. Tegen tienen ging men slapen. Ik kroop terug naar mijn schuur. Opmerkelijk was wel, dat er de hele avond niet over het kamp Vucht of ontvluchten gesproken werd. Zij vroegen er niet om en ik begon er daarom niet over. Toch fijn van deze boer om mij zo spontaan te ontvangen. Zou hij er zich later ook op beroemen, zich op de borst kloppen en beweren dat hij (weliswaar na de bevrijding) idem zoveel vluchtelingen geholpen had? Zoals nu bijna iedereen deed om luid te verkondigen hoeveel piloten, verzetsstrijders en ondergrondse figuren hij, de grote vaderlandse held, had geholpen en laten wegduiken. Vooral de geestelijkheid had daar een handje van Zo voor het oog waren deze pastoors en kapelaans normale mensen geweest in de vier jaren bezetting. Zielzorgers anders niets. Werd er al eens een huiszoeking in een pastorie gedaan, waren het natuurlijk totaal onschuldige en neutrale mensen, die nergens iets mee te doen wilden hebben. Ze wisten het dan nog zo te plooien, dat die huiszoeking eigenlijk een verkapte geloofsvervolging was van de Nationaal Socialisten tegen de Katholieke kerk. Maar na de bevrijding beroemde er zich bijna elke geestelijke op, idem zoveel piloten geholpen te hebben te ontsnappen en verzetstrijders en ondergrondsen onderdak verleent te hebben. Maar ik zou het wel uit mijn lijf laten, om nu, na de oorlog, als ontsnapte politieke delinquent, bij een pastoor of kapelaan om hulp te vragen.

In de vroege morgen, nog voor mijn boer Sannie de koeien ging melken, kwam hij al op mijn hooizolder geklommen met een hele stapel boterhammen en warme melk, genoeg voor de hele dag. Ook Katholieke Illustratie’s om te lezen en de dag verder door te komen. Over een paar dagen zou hij naar huis gaan om ons moeder gerust te stellen en aan onze Jan te gaan zeggen, waar ik zat, zodat die mij wist te vinden als hij een plaatsje voor mij wist bij een Belgische boer om voorlopig daar onder te duiken. Ik vermaakte mij overdag op die hooizolder best, bladerde door die oude jaargangen van dat Katholieke prententijdschrift en sliep veel. ‘s Avonds als de kinderen naar bed waren, werd ik door mijn broer van mijn zolder geroepen en gingen we gezamenlijk met de boer en de boerin, de avondmaaltijd in de huiskamer gebruiken. Morgen zou onze Sannie op de fiets naar huis gaan, om het een ander voor te bereiden. Maar dat liep helemaal fout.

De volgende dag was onze Sannie inderdaad naar huis gefietst, om het een en ander te regelen, maar toen hij tegen de avond weer terug naar de Locht reed, was hij verschillende keren, door soldaten, vertegenwoordigers van het Militair Gezag aangehouden en die moesten weten of hij mij ergens gezien had, want ik zou hier ergens in de bossen ondergedoken zitten. Mijn broer deed zeer verbaasd. “Is er de verrekkes verreke alweer uitgebroken? Ge zult toch een bietje beter op hum moeten gaan letten. Hij maakt er maar een potje van. Maar hij zaat nouw toch in het kamp Vucht, niewaar? Hoe kan hij daar nou uit komen? Of staan die mannen, ie daar op wacht staan maar een bietje te slapen?” en meer van die opmerkingen om die mannen op te stangen en voor aap te zetten. Dus op de boerderij blijven kon ik niet; al vond onze Sannie van wel. Als die drijfjacht deze kant uitkomt, is het nog tijd zat om de benen te nemen. Maar dat kon ik Louis niet aan doen; als ze ontdekten dat ik daar op de boerderij had ondergedoken gezeten, kon Louwie daar het grootste gedonder mee krijgen. Dus ik verdween. Het schemerde al flink buiten, zodat ik ongezien kon vertrekken. “Ruim dit allemaal bij tijds weg, Sannie; es ze komen, meugen ze da nie zien en breng die deken maar naar ons moeder terug, bedank Anna en Louis veur de goeie zorgen; ik trek er tussen uit, naar België!” Weg wezen hier, ik had toch geen rust meer. “Zij voorzichtig Sjef!” zei mijn broer nog, “die lui zijn zwaar bewapend met revolvers en geweren. En es ze jouw zouwen zien, schieten ze oe kapot”. Dat wist ik maar al te goed, daarom zou ik dubbel opletten. Die zwaar bewapende troep, zou zich als een olifant, dwars door de hei en bossen walsen en enorm veel keet schoppen. Ze vonden het maar wat fijn om soldaatje te spelen en de held uit te hangen; ze zouden dat met groot machtsvertoon doen. Als ze maar een konijn hoorden wegvluchten zouden ze al hele salvo’s afvuren. Ik bleef gewoon over de weg lopen. Als er gevaar dreigde, kon ik altijd nog wegduiken. En ze kwamen inderdaad. Mijn plan was om even langs onze Jan te gaan en een vlugge afspraak voor een reis naar België te maken en dan weg te duiken, totdat mijn broer Jan me kwam halen om weg te brengen; nog deze nacht als het even kon. Op de kruising van de Franse baan stonden ze en hielden krijgsraad. Sigaretten gloeiden in het donker op, zaklantarens flitsten zoekend in grote cirkels rond en de hele troep stond als een stelletje kakelende hennen hij elkaar, ik moest wat dichterbij zien te sluipen om te zien en te horen wat hun plannen waren. Agent Berkers had schijnbaar de leiding. Hij viel op, omdat hij als een politieman gekleed was; de rest in “Battle Dress”. Nu keurig in uniform, dat wel. De mengeling van allerlei uniform stukken van de Duitse Wehrmacht: helmen, Wehrmachtslaarzen en koppels met “Gott mit Uns” er op, waren afgeschaft. De agent Berkers voerde het woord en terwijl hij sprak lieten de omstanders hun lantaren over hem en over elkaar en door de omliggende donkere bossen spelen. Sigaretten peukjes werden weggesmeten en nieuwe sigaretten opgestoken. Bij de aangestoken lucifer of aansteker had ik zicht op de man en kon zijn bewapening vaststellen. En dat loog er niet om. Kleine stenguns hingen met een katoenen bandje om hun nek; sommigen hadden hun vinger nonchalant om de trekker. “Als wij hem opgespoord hebben, direct onder vuur nemen; hij mag onze deze keer niet meer ontsnappen!” zei de commandant, de geüniformeerde politieagent Berkers. Hij moest mij toch geweldig haten. Waarom eigenlijk? Hij had toentertijd bij dat “Vlag veroveren” bij de N.S.B. ster, mevrouw Minkman, een zeer dubieuze rol gespeeld. Dus vond hij het veiliger mij in verzekerde bewaring te hebben. (Of dood, dan kon ik helemaal niks meer zeggen). De troep zette zich in beweging. De allermoedigsten liepen door de bosrand en lieten daar hun lantarens rondspelen. Als zij me zouden ontdekken, zou het wel spannend worden. Hele salvo’s zouden op mij worden afgevuurd. En dan had ik weinig kans. Tenzij ik ook een wapen had. Maar ik had toch een pistool. Thuis verborgen op de vliering. Dat zou ik eerst even gaan ophalen. Niemand hoefde mij te zien. Over het platdak omhoog, naar mijn kamer lopen, het pistool pakken en weer weg wezen. Eerst naar huis dus. De patrouille was de richting naar de Lacht ingeslagen. Daar zou ik weinig last van hebben, want ik moest de andere kant uit. Tenzij er nog meer van die groepjes rond marcheerden. Dwars door de bossen kwam ik zonder wetenswaardigheden bij My Home. Voorzichtig liep ik om het huis hen. In de huiskamer brandde licht en door een kier in het gordijn, kon ik naar binnen kijken. Verrekt, daar zaten een paar Engelse militairen binnen; of tenminste soldaten met Engelse uniformen aan. Zo te zien hadden ze geen wapens. Eerst moest ik mijn pistool hebben. Heel voorzichtig klauterde ik tegen de regenpijp van het platte dak op, schoof naar binnen en sloop naar de vliering. Mijn pistool was er nog, in een lap gewikkeld en ik stak het bij me. Zeven patronen in de kolf en een in de loop. En nu terug.

Na een paar minuten stond ik weer achter in de tuin. Om het huis heen lopen en over de gewone weg naar mijn oudste broer in de Heisteeg wandelen? Het was wel het makkelijkste, maar als ze mij zouden snappen en ik was gewapend, dan waren de poppen helemaal aan het dansen. Dus maar weer de stroom door aan de achterzijde van het huis. Dat was weer een koude bedoening, maar wel de zekerste. Nu maar langs die stroom lopen, een keer een weg over steken en dan zo maar verder naar mijn broer toe. Mijn oudste broer was getrouwd en woonde achter de villa Dennenoord in een vrijstaande stal of schuur, die tot een woongelegenheid was omgebouwd. Dus eerst weer een controle bij de villa; dan naar de daar achter gelegen stal (woongelegenheid). Geen onraad, niets en niemand. Eerst loerde ik door de vensters in de huiskamer. Jan zat in een stoel naast de kachel, las een boek en rookte een sigaret. Agatha, zijn vrouw, zat te breien. Ik tikte tegen de vensterruit. Direct kwam mijn broer overeind, schoof de gordijnen dicht en kwam door een voorportaal naar buiten. “Zo, bende daar eindelijk; ik verwachtte je al!” en ik werd naar binnen getrokken. Ik zei mijn schoonzuster goedendag en ging zitten. “Ze zoeken jou; witte da wel?” vroeg mijn broer. En of ik dat wist.

“Maar de eerste paar uur bende hier wel veilig. Wilde iets eten? Allee vrouw, ga iets te eten maken veur onze Sjef!” En terwijl Agatha in het keukentje iets aan het klaar maken was, bespraken wij het plan. Straks als ik wat gegeten had moest ik hier weer weg gaan, want ge kon nooit weten. Dan naar de schuur van Jan Oomens gaan, die vrij in het veld stond en daar de nacht afwachten. Op het schoorke lag voldoende hooi en ik moest maar wat slapen. Morgen al heel vroeg zou hij me dan komen ophalen en naar België brengen. De afspraak met dien Bels is al gemaakt; hij weet er dus alles van. Gij kunt wel hier blijven, maar dan is er alle kans dat ze vannacht nog eens komen kijken!” Nee, dat gevaar wou ik niet lopen; als ik wat had gegeten zou ik verdwijnen naar de afgesproken plaats. Agatha kwam weer binnen met een bord soep, wat sneetjes brood en een tas koffie. Uit een andere kamer kwamen alsmaar kleine mekker geluidjes. Ik had dat al een paar keer meer gehoord, maar nu vroeg ik: “Zeg Jan, we hoor ik toch, hedde daar in die kamer een klein geitje staan?” Bij mijn oudste broer konde alles verwachten. Hij was er gek genoeg voor om een geit, of God weet welk ander beest in die voorkamer neer te poten. “Nee man, dat is onze tweede Rein!” Mijn boterham bleef in de lucht hangen. “Jullie tweede Rein?” vroeg ik verbaasd. “Hoe zo dan?” Wist ik veel, dat Agatha een tweede baby verwacht had. De eerste Rein was een jaar oud geworden en in 44 gestorven. Ik had het gedichtje voor het bidprentje gemaakt en nu was er een ander kindje, een tweede Reinier. Dat had mij niemand verteld; daar wist ik niets, maar dan ook niets van. “Allee vrouw, gaat de kleine eens halen en laat hem onze Sjef eens zien!” Even later zat ik met dat mensje, hoogstens drie maanden oud, op mijn schoot. God wat een schoon kindje en daar had ik niks van geweten. Ik was er heel gelukkig mee en ik realiseerde mij plotseling, dat de gezochte misdadiger, de landverrader en wat al niet meer, opgejaagd door een heel peloton soldaten, hier nu doodgelukkig met een baby op zijn schoot zat te zitten. Maar dat kon niet lang duren; ik moest de koude nacht en de kille werkelijkheid weer in. Nergens had ik rust en werd gejaagd door een stelletje avonturiers met pistolen en stenguns, die zeker zouden schieten als ze me zagen. Waarom? Wat had ik gedaan? Agatha nam de baby weer van mij over om het in zijn bed je te stoppen. “Agatha, tot ziens en bedankt voor de soep. Jan, ik zie jou morgenvroeg bij die schuur van Jan Oomens. Allee, kom houdoe!”

Nu naar die verlaten schuur; onder het lopen door dacht ik de kleine tweede Reinier. Daarom was onze Jan met kerstmis vrijgelaten, toen Agatha bij dat Konijn op bezoek was geweest in de Protestantse school. Anders hadden wij nu al in België gezeten. Onze Jan, Theo Rokven en ik. Het plan was toen niet doorgegaan. Langs omwegen en dwars over de donkere weilanden kwam ik bij die schuur. Een deur was er niet. Beneden was er onderdak voor de koeien of een paard, de bodem was een modderpoel, maar in de zolder was een vierkant gat, dat naar een schoorke leidde, hele plukken hooi hingen uit dat gat in de nachtwind heen en weer te waaien. Daarboven zou ik vannacht slapen. Maar eerst nog even buiten kijken of alles veilig was; of mij toch niet iemand stiekem gevolgd was. Alleen het paard van Jan Oomens liep sufferig de wei rond. Dat was het enige levende wezen in de verre omtrek. Nu maar proberen wat te slapen om fit te zijn voor morgen, want het eerste gedeelte zouden we zeker te voet moeten afleggen. Op het schoorke trok ik eerst mijn laarzen uit, dan mijn matrozenkiel die ik netjes opvouwde en daarbovenop de olielap met het pistool. Ik kroop onder het hooi en sliep meteen. Het was een spannende en vermoeide dag geweest. Ik sliep lang en vast; eenmaal werd ik wakker, er had iets gebonsd beneden in de schuur. Zou dat slome paard wel zijn en ik sliep verder. Toen werd ik opnieuw wakker, maar nu wel heel erg wakker. Buiten klonken er bevelen en werd er geschreeuwd. Dat was helemaal fout. Er was een gat in dat rieten dak van die schuur en daardoor keek ik naar buiten. Om in tranen uit te barsten; de hele schuur was omsingeld door soldaten, de stengun schietklaar in de hand. En die cirkel soldaten marcheerden langzaam maar zeker op mijn schuilplaats toe. Op de weg stonden enkele jeeps en er kwamen er nog meer aanstuiven. Maar ik had toch een pistool. Er zaten acht patronen in. Acht van die figuren zou ik aankunnen. Och, het was zinloos; als ik begon te paffen, werd het alleen maar erger. Dat pistool mochten ze niet vinden; dus het werd opnieuw in de lap gewikkeld en diep, zeer diep onder het hooi begraven. Nu maar gelaten wachten op de dingen die komen gingen. De cirkel buiten, werd steeds kleiner en dan werden er enkele salvo’s afgevuurd. Nieuwsgierige boeren en burgers gingen haastig achter uit. De moedigsten van die soldaten stormden plotseling de schuur binnen. Een stuk of tien, want toen ik door dat gat naar beneden keek, keek ik in tien lopen van stenguns, die allemaal op dat gat gericht waren. “Kom naar beneden en laat je plat op de grond vallen!” klonk het in gebroken Duits. Waarom dat nou weer? Er zat niets anders op, dus vooruit dan maar. Ik sprong en belandde midden in de modder en drek en meteen werd ik door die mannen besprongen. Zeven paar soldaten laarzen werden in mijn rug, nek en benen geplant en mijn gezicht werd diep in de modder gedrukt. Ik stikte bijna. Eindelijk mocht ik opstaan, ondersteund door alle lopen van het schiettuig dat in de stal aanwezig was. De modder en smurrie droop van mijn gezicht en vaag kon ik de soldaten onderscheiden. Ze stonden zenuwachtig om mij heen te dansen en porden met hun lopen in mijn zij, buik of tegen mijn hals. Natuurlijk stond ik met de handen omhoog; de show ging anders niet door. Een soldaat was bijzonder actief. Hij bracht mij naar buiten en de druk van zijn geweer op mijn rug was zo hevig, alsof hij bezig die loop door mijn rug heen te duwen. Buiten in de zon stond de heer Berkers grijnzend op mij te wachten. Tussen de boeren en burgers, die waren toegestroomd om niets van het schouwspel te missen, stond mijn oudste broer Jan. Hij zag krijtwit en beefde van woede. Ik keek over hem heen en deed alsof ik hem niet zag om zeker geen gedachte op te wekken, dat hij er meer van wist. Jan Oomens, de boer van wie deze schuur was, stond mij verbaasd aan te gapen. Op een of andere manier begreep hij er ook niets meer van en stond met zijn boerenkop heen en weer te schudden. Meer tijd om nog wat rond te kijken kreeg ik niet. Er kwam een vrachtwagen tot vlak bij me gereden en daar moest ik instijgen. De zeildoeken flap ging dicht en de wagen trok meteen op. Opnieuw terug naar het verblijfs- en interneringskamp Vucht om verder te worden “Heropgevoed”.

Wat was er nu gebeurd? Het zevenjarige zoontje van Jan Oomens, de boer van deze schuur, had een vogeltje weten wonen boven in de stal waar ik die nacht geslapen had. Elke morgen, als zijn vader bezig was om in de wei de koeien te melken, ging hij naar dat nestje kijken. Hij was op het schoorke geklommen, had iemand zien liggen slapen, half onder het hooi, had die laarzen en de militaire matrozen kiel daar zien staan en was holder de bolder weer van dat schoorke gesprongen en naar zijn vader gerend. Hakkelend en stotend en helemaal buiten adem stotterde hij: “Vader, daar ligt unne Duitser bij ons op het schoorke van de schuur!” De boer wist ook niets beters te doen, dan haasje repje, naar het hotel Bosch en Ven te rennen, om daar aan de compagnie stoottroepers of wat het dan ook was, te vertellen, wat zijn zoontje op dat schoorke ontdekt had. “Groot Alarm!” het hele soldatendom, dat op dat ogenblik het hotel bevolkte, was in vol ornaat uitgetrokken om met die ene Duitser slag te leveren. Dat was het dan. Uitgesproken verdomde veel pech voor mij.

De “Heropvoeding” begon al meteen in de vrachtwagen. Vier dappere soldaten waren met mij in de laadbak gestegen om mij te bewaken en verder aangenaam bezig te houden. Als eerste hadden ze mij de handen op de rug geboeid, veiligheidshalve. Twee wachten aan de ene zijde op houten banken, twee aan de andere zijde. Ik moest blijven staan. Bij de eerste bocht vloog ik al tegen de wand en viel neer. Door de op mijn rug geboeide handen kon ik mijn even wicht niet bewaren en bij het neerkomen ook niet mijn armen uitsteken om in mijn val, mijn gezicht te beschermen. De resultaten van die eerste val waren een kapotte lip en een zere kaak. Maar het spelletje werd voortgezet. Ik werd weer overeind gehesen en stond weer midden in de laadbak en probeerde krampachtig mijn evenwicht te bewaren. Bij de volgende bocht was het weer prijs. Onbeschermd, door de geboeide handen op de rug, viel ik weer in een hoek van die wagen en werd daar liefdevol opgevangen, door de loop van een stengun, die diep in mijn pens boorde. De soldaat, die deze stengun toebehoorde, stampte mij met zijn gelaarsde voet naar de andere hoek, waar zijn kameraad mij opving. Nu kreeg ik een geweerloop in mijn rug. Ook dat kwam hard aan en ik viel weer voorover, plat op mijn snuit. Ik gromde van de pijn en wou blij ven liggen. Maar dat was de bedoeling niet; weer werd ik overeind gehesen. Mijn linkeroog deed geweldig zeer en het enige wat ik met mijn geboeide handen kon doen, om de pijn wat dragelijker te maken, was met dat oog te knipperen. Nog beter was het dat oog maar helemaal dicht te houden. Weer een bocht, maar ik begon het spelletje al zo’n beetje te kennen. Niet meer voor of achter over vallen, maar bezijden uit. Iets van de val kon ik dan opvangen, door mijn geboeide elleboog wat uit te steken. Ik werd opgevangen door een van deze beulen, die mij ijverig door trapte naar zijn kameraad. Dat was altijd nog beter, dan met de armen op de rug in die laadbak te vallen. Nog een keer kon ik het niet voorkomen, dat ik weer op mijn gezicht op de vloer viel. Ook mijn rechteroog raakte nu geblesseerd en begon pijnlijk te tranen. Ook dat hield ik nu zo veel mogelijk dicht en zag de grijnzende tronie’s van mijn bewakers niet meer. Na de volgende bocht weer rondgetold te zijn, van de ene soldaat naar de andere getrapt en uiteindelijk toch weer op de vloer terecht gekomen, wou ik blijven liggen. Maar het spelletje ging door; wij waren nog altijd niet in Vucht terug. Weer werd ik overeind gehesen. Alles deed me pijn, mijn beide ogen zaten dicht en klopten en bonsden en zonder dat er een bocht in de weg kwam, was ik al duizelig genoeg om neer te vallen. Die kerels hesen mij weer overeind en stutten mij met de loop van hun schiettuig. Kwam er een bocht, trokken zij die stutten weg en daar ging ik weer. Voorover of achterover of bezijden uit. Het kon me niks meer schelen; de pijn voelde ik nauwelijks meer; ik raakte helemaal versuft. Weer omhoog en weer zakte ik in elkaar. Die kerels hadden er echt plezier in. Plotseling stond de wagen stil. Zouden we terug in Vucht zijn? Gelukkig maar, dan zou dit spelletje tenminste ophouden; ik kon niet meer.

Het was Vucht. De laadklep ging omlaag, mijn begeleiders sprongen naar buiten en ik mocht er uit komen. Mijn armen werden losgeknoopt. Ik moest meekomen. Een op wacht staande soldaat kwam naderbij gesloft; een geweer aan de schouder. “Wie is dat?” vroeg hij aan de begeleidende mannen. “Ga op zij man; dit is een heel gevaarlijke S.S. er!” De reactie kwam. Bliksemssnel had hij zijn geweer van de schouder gerukt en een vijfde loop was op mij gericht. Als ik nu gedacht zou hebben, dat ik zo maar zonder meer, weer naar mijn eigen barak, barak 29 a zou worden terug gebracht, was dat helemaal fout. Eerst werd ik voorgeleid voor de heer Luyendijk, wachtmeester bij de marechaussee. Bij dat bureau aangekomen stak een van mijn begeleiders zijn hoofd door de deur en meldde, dat hij de ontvluchte gevangene terug kwam brengen.

Zo direct ging dat niet. De heer Luyendijk was bezig. Wij moesten op de gang blijven wachten. De wachten zaten op een bank uit te rusten van hun vermoeiende bezigheid, maar ik moest stram in de houding blijven staan, totdat het de heer Luyendijk behaagde zich met mij bezig te houden. Na een half uur was het dan zo ver en ik werd voorgeleid. Ook daar weer, netjes stram in de houding, voor zijn bureau komen staan. Eindelijk legde hij een of ander papier terzijde en keek mij aan. “Wat zie jij er uit. Hoe komt dat?” vroeg hij op neutrale toon. Ik veegde even over mijn gezicht, dat gloeide en klopte. Keek dan naar mijn hand, zag dat daar wat bloed aan zat en zei met zachte en lispelende stem en met dikke tong: “Dat hebben die soldaten in de vrachtwagen gedaan, ze hebben me geslagen en getrapt!” Luyendijk stond op, kwam achter zijn bureau vandaan, liep op mij toe en bekeek mijn geschonden gezicht en vroeg dan verwonderd: “Hebben ze jou geslagen?” en meteen, zonder dat ik daar op bedacht was, gaf hij met zijn vlakke hand mij een klap in mijn gezicht, zodat ik op de grond terecht kwam. “Er wordt hier nooit geslagen, dit is geen Duits kamp meer, begrepen?” Nee, ik begreep er niets van. Pijnlijk kwam ik overeind en stond opnieuw voor zijn bureau. Hij had ondertussen weer plaats genomen. “Laten we even duidelijk vaststellen: Er wordt hier nooit of te nimmer geslagen!” Ik haalde mijn schouders op; die vent was gek. Met de beide armen zijn kop ondersteunend, zat hij mij van achter dat bureau venijnig aan te staren. Ik staarde venijnig terug. Dat duurde een paar minuten, dan bulderde hij plotseling: “Waar is Arnold Meyer?” “Eeeh.... wat zegt U?” Ik had hem wel verstaan, maar begreep het niet. “Arnold Meyer!!!” bulderde hij. Nog altijd begreep ik dat niet. “Wat bedoelt U met Arnold Meyer?” Weer kwam hij achter zijn bureau vandaan. “Jij hoort zeker niet goed, of wil je niet horen; dan zal ik dat wel eens in je oren toeteren!” Hij kwam vlak voor me staan en schreeuwde: “Voor de laatste keer. WAAR IS ARNOLD MEYER?” “Dat weet ik toch niet!” Weer kreeg ik onverhoeds een lel, zodat ik door de kamer vloog en ergens tegen de verwarming bleef liggen. Maar hij was alweer bij mij. “Waar is Arnold Meyer?” en ik kreeg een trap in mijn buik. Die man was gek, volkomen gek, maar hij kreeg geen antwoord meer, al zou hij mij ter plaatse doodtrappen. En ik bleef liggen, mijn lippen vast op elkaar geklemd. Dan liep hij naar de deur, opende die, riep: “De wacht!” en een soldaat kwam binnen.

“Raap die kerel daar op en zet hem weer in de houding voor mijn bureau!” Hij zelf ging weer breeduit in zijn stoel zitten. De wacht schopte naar me, sleurde me dan o en bracht mij weer voor dat bureau, waarachter de heer Luyendijk zat. “Nou moet je eens goed naar me luisteren!” begon hij. “Gisteren is Arnold Meyer ontvlucht. En daar weet jij niets van!? Waarom heb jij dan een brief van “Kameraad Meyer” bij je vlucht uit het kamp meegenomen, en aan wie moest die worden afgegeven?” Dat moest ik toch allemaal eerst eens verwerken en op een rijtje zetten. Dat Meyer de benen genomen had, vond ik prima, maar dat van die brief die ik bij mijn vlucht mee uit het kamp genomen zou hebben, ging me toch te ver. Die heer Luyendijk liep met molentjes. Gek was hij; hardstikke gek, maar ik zat er maar mee! Ik had besloten om niks meer te zeggen, dus klemde ik demonstratief mijn lippen op elkaar en staarde naar het plafond. “Punt een: Jij vertelt mij de waarheid over Meyer en die brief en ik laat je gewoon naar je eigen barak terug gaan. “Punt twee: Wanneer jij blijft zwijgen en dan laat ik jouw kop kaalknippen en gooi je in de bunker!” Doch ik bleef zwijgen en perste mijn lippen nog vaster op elkaar. Nog een keer keken wij elkaar in de ogen. Hij met machtswellustige blikken van :“Ik ben hier de baas en ik krijg jou wel klein!”. Ik bekeek hem minachtend en dacht: “Valt kapot, rotzak!” “Wacht, haal de kapper en gevangeniskleding! De wacht trok af en ik stond weer alleen met die idioot, maar ik bleef zwijgen. Hij zat vragend en zenuwachtig met zijn vingers op zijn bureau te roffelen van: “Nou, komt er eindelijk wat? Maar er kwam niks. Ja, de wacht kwam terug met de kapper en mijn zebrapakje. De kapper droeg ook zo’n kostuumpje, dus was een bewoner van de barak 40 a. Eerst uitkleden, mijn burgerkleding werd in beslag genomen en ik kon dat zebrapak aantrekken. Innerlijk was ik razend, dat ze me dit aandeden; ik zou ze dat, God hier en daar betaald zetten. Uiterlijk bleef ik doodkalm; het ging me allemaal niks aan, ze moesten maar doen wat ze niet laten konden. “Zitten!” blaf te de heer Luyendijk en schoof een stoel naar voren. Mijn collega, hij had immers dat zelfde pakje aan als ik, trad op mij toe en begon mij te knippen. Eerst met de schaar, een brede strook van voren naar achteren, dwars over mijn schedel, dan werd die baan met een tondeuse wat uitgediept en als laatste nog met scheermesje uitgeschoren. De kapper leverde zijn instrumenten weer in en de vier wachten kregen de opdracht om mij dwars door het kamp in looppas naar de barak 40 a te brengen. “En niet te lui of te langzaam!” zei hij nog en de wachten wisten wel wat hiermee bedoeld werd. Het werd een zwaar parcours. Eerst in snelle draf het voorterrein over tot aan de wachtpost bij het begin van het Nederlandse kampgedeelte. Die wacht daar zag me al aankomen, want dat was een prettige onderbreking van zijn saaie wacht. Hij mocht of deed dat tenminste, toen ik passeerde, mij een harde trap onder mijn kont geven, lichtte mij in de gauwigheid een voetje en ik struikelde het Nederlandse kampgedeelte binnen. Toen in volle galop het oude, het zo genaamde Vrije kamp door. Mijn oude vrienden zagen mij rennen, opgejaagd door de vier soldaten, die bewapend met een soort bamboe stokjes links en rechts, van voren en van achteren, sloegen waar het maar trof. En ik maar duiken om die slagen te ontkomen. Bij de rietmat, die de bunker, de barak 40 a omsloot, weer een stop om de wachten ook daar in de gelegenheid te stellen, zich een weinig op mij uit te kuren. Bij de eigenlijke deur, de intree van de bunker zelf, kreeg ik de laatste opdoffers en ik struikelde, uitgeput naar binnen.

De barak 40 a was een gevangenis in de gevangenis, omgeven met een rietmat en natuurlijk extra bewapende wachtposten. Hier zaten de beruchte S.S. ers, de S.D. en de kampbeulen. Of zij die er van verdacht werden. En allemaal in het zebrapakje. Op dat ogenblik was de binnenplaats leeg, want de zon scheen. Als het regende en koud was, moesten ze buiten marcheren en allerlei oefeningen doen, zoals kikkeren en robben, vooral als er veel plassen stonden. Maar nu was iedereen binnen. Eerst werd ik voor de heer Witteveen geleid, de kameroudste, die in de barak een eigen kamertje had. Hij werd met zeker respect behandeld door deze soldaten van Oranje. Hij was ook een gevangene, maar wat hij eigenlijk gedaan had, of geweest was, was onduidelijk. De inwijdingsceremonie was maar kort en dan werd ik naar de grote zaal, het dagverblijf, gebracht en was dus officieel in de gemeenschap opgenomen. De indeling van de barak 40 a, was hetzelfde als in de barak 29 a, alleen deze zaal was helemaal leeg, geen stoelen, banken of tafels. Niets helemaal niets behalve een oude verroeste kachel. De gevangenen hingen maar wat rond, stonden in groepjes tegen de muur geleund of zaten of lagen zomaar op de cementen vloer. Op de kachel zat een aapachtig manneke, ook in zebra-uniform. Ik werd naar binnen geranseld en met een doffe klap belandde ik tegen de dichte deur van de slaapzaal, het nachtverblijf, waar voor overdag de toegang streng verboden was en bleef daar even versuft liggen. Eerst moest ik bijkomen van alle emotie’s. Heel veel belangstelling had ik niet, men liet mij gewoon liggen. Ze vonden dat allemaal heel gewoon en normaal als er iemand naar binnen getrapt werd. Eindelijk begon er toch een gesprek los te komen. Was ik ook bij de S.S. geweest, maar toen deze vraag ontkennend werd beantwoord, had men nog maar weinig belangstelling voor mij. De aanwezige S.S.ers vormden een soort gemeenschap; hingen als klitten te samen. Kampbeulen, collaborateurs en ex N.S.B.burgemeesters etc. werden door hun als minderwaardig beschouwd. Daar werd geen of nauwelijks contact mee opgenomen. Had ik soms wat rookwerk mee binnen kunnen smokkelen? Dat was ook niet het geval. Maar uiteindelijk moesten ze toch weten, waarom en waarvoor ik in de bunker was terecht gekomen. Wat voor een gevaarlijk misdadiger ik was. Ontvluchting!? Daar door steeg ik wat in de achting bij die S.S. ers. Verder geen bijzondere dingen gedaan tijdens de oorlog? Geen N.S.B. er geweest of zoiets? Nooit in het leger geweest, hetzij de S.S., Standaard Westland of een of ander legioen, dat in Rusland tegen het communisme gevochten had. Misschien de blauwe wacht? Ik moest toch iets gedaan hebben! Bij de Duitsers gewerkt of veel geld verdiend met de zwarte handel of het smokkelen? Want als ik Brabander was, kon dat wel eens een reden zijn, als een naijverige collega mij de das om wilde doen. Om ze tenslotte enig houvast te geven zei ik dan maar: “Geestelijk contact met de vijand!” Daar moest diep over worden nagedacht; dat kon van alles betekenen.

“O ja, en dan ben ik nog bij de Huzaren geweest in 39 en 40 en heb de vier Meidagen als soldaat meegemaakt!” In de barak 40 b zat een wachtmeester der Huzaren. Als er straks gelucht werd, zouden ze mij hem aanwijzen. Misschien kende ik hem wel. Witteveen verscheen in de barak, hij nam mij mee naar de slaapzaal, om mij een krib aan te wijzen. Dat was toch iets waar ik recht op had. Een krib met een dunne strozak, maar geen dekens. Als het erg koud was, het was nu half April, kroop men met drie a vier man op een krib dicht tegen elkaar aan om tenminste wat warmte te hebben. Alleen was het heel de nacht een woelen en draaien om in het midden van die groep te blijven. Elke dag tegen twaalf uur werd het halve brood uitgereikt; het dagelijkse rantsoen en soms in de middag nog een slok warme thee, een overschotje uit de Engelse keuken. De theekopjes waren een paar lege conservenblikjes. De hele barak moest dan voor die ketel komen staan en die vier of vijf conservenblikken gingen van mond tot mond. Ook hier kon men zijn half brood, zoals in het vrije kamp, ruilen tegen een rokertje. In het Vrije kamp was dat drie sigaretten; hier in de bunker een sigaret. Toch waren er mannen in de bunker die elke dag reikhalzend naar hun half brood zaten uit te kijken en het direct na de uitdeling weer verruilde voor die sigaret. Deze kerels, die al van het begin af in het kamp, in deze bunker zaten, waren dan ook vel over been. De anderen ook wel, maar bij deze nicotine-verslaafden was het toch wel heel erg. Hier lag eigenlijk het discussiepunt tussen de S.S. en de overige gevangenen. De S.S. ers vonden het een schandaal, dat het weinige dat we kregen, nog voor een kloterige sigaret geruild werd. Zo’n afgemagerde man werd bij de uitdeling van dat halve brood scherp in de gaten gehouden en bij ontvangst van dat brood min of meer gedwongen het meteen op te eten. Tegen twaalf uur stonden de mannen al door het venster te loeren of die kar met brood al in aantocht was. Dat was het hoogtepunt van de dag. Behalve dan de onregelmatige gymnastiek uurtjes of langer, onder leiding van de soldaten. Het brood kwam en wij moesten netjes op een rij, wachten tot het secuur was doormidden gesneden. Ook ik kreeg zo’n homp en nu maar eten. De eerste ogenblikken wist ik er geen raad mee. Ik had nu wel een half brood, maar hoe at ik dat op? Geen tafel, stoel of bank, geen mes, geen bordje of plankje en geen boter of zoiets. Dan deed ik maar als de anderen; ging ook op die kale cementen vloer zitten en begon stukken van dat harde brood af te breken en stak die in mijn mond. Iemand naast mij zat van het kruim van die kleine deegballetjes te kneden, rolde die in een soort zakdoek en stak die lap dan in een zak van zijn zebra-uniform. Zo kon er tenminste niets gestolen worden. Weer een andere slokte haastig de homp naar binnen. Een derde zat uren lang met die homp te spelen, brak er elke vijf minuten een brokje af, stak dat in zijn mond en zat er lang en nauwkeurig op te kauwen.

Er was weer wat geloop en gedraaf, buiten voor de barak. Plotseling werden de vensters ruw opengestoten en geweren en stenguns werden naar binnen gestoken. Meteen gingen alle inwoners van de barak plat op de grond liggen. Ik werd door een S.S. man ruw omlaag getrokken. Geen seconde te vroeg. Een salvo barste los; het ratelde en knalde. In de muren verschenen kleine ronde putjes en stof, kalk en kruitdamp warrelde op in ons dagverblijf. Even plotseling als dat schieten was begonnen, hield het ook weer op. De geweer- en stengunlopen werden weer uit het venster terug getrokken. Ik was stom verbaasd en dan werd ik echt woedend. “Jamaar dat gaat toch te ver!” bulderde ik. “Ze proberen ons kapot te schiet Een S.S.man lachte. “Het is een spelletje en wij kennen de regels; als je maar op tijd languit op de vloer gaat liggen, kan je niks gebeuren! Verbijsterd en ongelovig bleef ik met mijn hoofd schudden. Ik kon er niet over uit. “Trek het je toch niet zo aan; het helpt je niks. Probeer eerst maar om er hier levend uit te komen. Dat is de hoofdzaak. Dan kunnen we altijd nog verder zien!” Toch kon ik het nog niet goed verwerken; ik bleef er over nadenken. Zulke rotzakken, zulke ploerten. Moesten nodig iets van de S.S, zeggen. Waren zelf geen haar beter.

Vandaag zouden we wel binnen moeten blijven; het was buiten mooi weer en in de zon lekker warm. Als het zou regenen en akelig koud en nat was buiten, kwamen er altijd wel een paar soldaten met van die halve tentzeiltjes om, om ons naar buiten te jagen en dan kikkeren, robben door de plassen en de modder, ons bij het minste of geringste te trappen en te schoppen en ons allerlei scheldwoorden naar het hoofd te slingeren.

Uit tijdverdrijf zat ik over mijn half kale schedel te wrijven. Het voelde toch maar idioot aan zo’n halve haarbos en dat kale middengedeelte. “Een startbaantje voor de V.1!” zoals ze dat noemde. Iemand had een stuk spiegel en daarin mocht ik mij bewonderen. Ik zag er wel heel komiek uit. De haren die niet wegge knipt waren, de zijkanten dus, waren nog lang genoeg om er vlechtjes in te draaien. Toen ik daar mee klaar was begon ik die vlechtjes over die kale baan heen te knopen. Nu leek ik op een neger uit de Bantoestam in krijgstooi. Maar de kale strook was verdwenen. Ik ging voor een van de vensters staan om dit aan de wacht buiten te tonen. Eerst zag hij me niet; hij stond sigaretjes te roken en verveeld voor zich uit te staren. Maar dan zag hij mij en moest nadenken over dat rare hoofd van mij. Ik lachte en spuugde nadrukkelijk op de grond om mijn minachting te tonen. Toen werd hij razend. “Een soldaat van herrijzend Nederland werd door een gevangen genomen S.S. er uitgelachen!” Dat zou hij me afleren!!! Eerst werd er een tweede wacht bij gefloten, die ijlings kwam aandraven. Dan kwam mijn wacht als een razende Roland de barak binnen stuiven. Ik moest met meekomen naar het waslokaal. “Wist ik wel wat ik gedaan had, was ik me wel bewust wat voor een heiligschennende daad ik bedreven had? Een soldaat van de Binnenlandse Strijdkrachten beledigd!” Dat nam hij niet en meteen kreeg ik een harde trap in mijn kruis. Die kwam niet zo hard aan omdat ik zo langzamerhand de mentaliteit van dat tuig doorkreeg. Maar ik deed alsof ik lag te krimpen van de pijn. Dat deed hem goed. “Klein smerig vies S.S.mannetje, waag het nooit meer om een soldaat van de Binnenlandse Strijdkrachten uit te lachen!” en zijn vinger ging dreigend voor mijn gezicht heen en weer. “Maar ik krijg jou wel!” Jansen, ook een gevangene, moest komen. Jansen was Sanitäter, hij had een stompe schaar en met wat uitgewassen lompen en gebrande houtskool was dat zijn enige uitrusting als geneeskundige. “Helemaal kaal!” beval hij de man en wees op die naar Bantoe-aard gekapte hoofdtooi van mij. De rest van mijn krullen viel op de vloer. Er waren een paar schrammen te voorschijn gekomen, die ik op mijn tocht hierheen had opgelopen. “Ook nog een kletskop; maar dat genezen we wel!” wist de soldaat me te vertellen. In een van de bakken van het waslokaal lag een vieze afgesleten borstel, die overal, maar dan ook overal voor gebruikt werd. Zelfs de diarree W.C.s werden daar mee schoon gemaakt, als het te erg werd. Eerst werd mijn hoofd onder een waterkraan gehouden. Daarna en dat deed de rotzak zelf, begon hij met die vieze oude borstel mijn kop af te schrobben. Soms bonkte het houten handvat tegen mijn hoofd, maar daar lette hij verder niet op. Toen was de reiniging voltooid en het proces ging verder. Afdrogen was er niet bij. Waarmee zou er afgedroogd moeten worden? Mijn beide polsen werden op mijn rug vastgeknoopt en toen werd ik naar buiten gejaagd. In de volle zon. Die warme zon scheen weldadig op mijn mishandelde kop van gisteren en vandaag. Ik moest op en neer lopen; vijftig schreden voorwaarts en dan weer terug. Ik had er niets op tegen. Nog niet. De zon was heerlijk en ook mijn koude rug, die bij dat overvloedig wassen helemaal nat en koud was geworden, was spoedig lekker warm. Eigenlijk toch een fidele vent, die wacht; wel een beetje ruw, maar nu mocht ik hier in die warme zon heen en weer marcheren. Mijn rug was droog; mijn kop was droog en weer moest ik met hem mee, die wasbarak in en weer diezelfde hoofdwassing. Druipende kop en een natte en koude rug. Maar gelukkig weer terug in die warme zon en weer marcheren, vijftig meter heen, vijftig meter terug, Was de kop weer droog, opnieuw terug om de bekende behandeling te ondergaan. Maar na de vijfde of zesde kopwassing vond ik het toch niet meer zo fijn om in de gloeiende zon heen en weer te moeten marcheren. De prille witte hoofdhuid, na het zo plotselinge kaaiknippen, begon te verbranden en ik zou er graag eens over strijken, het met mijn handen bedekken, maar dat ging niet; mijn handen waren nog altijd op mijn rug geboeid. En weer opnieuw terug in die wasbarak... Toen na vele uren de zon minder sterk was geworden, mocht ik terug in de zaal. De boeien werden afgedaan. Vermoeit streek ik over mijn zere bol. Als ik wat te hard drukte, liep het pus uit de verbrande en ontstoken hoofdhuid langs mijn oren en gezicht omlaag. Languit liet ik mij op de cementen vloer neer vallen. Met de ogen toe zag ik nog altijd die vurige brandende zonnebal op mijn netvlies. Ik was suf en misselijk. Mijn hoofd brandde en mijn hals deed pijn. Ik was razend op de man die mij dit geleverd had. Tegen de tijd dat we naar de slaapzaal mochten was mijn arm hoofd een grote etterende wond en ik wou liefst mijn hele kop helemaal openkrabben van de afschuwelijke pijn. Jansen, de sanitäter, kon weinig doen. Ik was al lang blij dat hij er geen houtskoolpoeder op strooide. Want voor alle ziektes en kwetsuren had hij maar twee medicijnen. Namelijk houtskool voor de diarree en natte lappen om op de zieke of zere plaats te leggen. Slapen kon ik die nacht niet. Ik lag alleen op mijn krib, had geen deken(s) en ik lag maar met mijn verbrande hoofd te draaien. Gelukkig had ik er een droog verband om gekregen, dat goed strak vastzat, anders had ik met beide handen van pijn en razernij de hele huid er af gekrabd.

Dan was er weer gedruis voor de deur van de slaapzaal. De deur werd opengerukt en vier of vijf soldaten sleepte iemand naar binnen, die zich weerloos liet trappen en slaan. Hij was helemaal versuft scheen van al dat trappen en schoppen niets meer te voelen. Midden in de slaapzaal werd de man neergegooid en de vier soldaten verdwenen weer. Toen hij geen trappen en schoppen meer kreeg, kwam er beweging in die hoop menselijke ellende. Langzaam kwam hij overeind en begon de pijnlijke plekken en kwetsuren te masseren. He, dat was Jan van Berkel, een van de mannen die met mij gevlucht was. In een wip zat ik naast hem. “He, Jan, ik ben het, wij zijn er toch samen uitgebroken!” Hij keek mij met lodderige ogen aan en mompelde: “En we zitten er samen ook weer in!” Ook Jan had een kale kop, d.w.z. een baantje dwars over zijn kop. Een oog zat dicht en zijn lip bloedde. “Ook bij de heer Luyendijk op bezoek geweest?” vroeg ik. Hij was inderdaad door iemand in een marechaussee-uniform ondervraagd, had de gebruikelijke, onverwachte vuistslag gekregen midden in zijn gezicht, met het resultaat dat Jan het verder ook verdomde om nog maar een woord te zeggen. Zijn kop werd daarop kaal geknipt en vervolgens in volle draf spitsroedenlopend door het kamp heen geslagen en naar de barak 40 a gebracht.

“Maar ik ben toch bij ons Tiny geweest, dat nemen ze me niet meer af!” In al zijn ellende moest Jan toch even grijnzen. Jan was getrouwd, had twee kinderen en woonde in de Nicolaas van Eschstraat in ons dorp. Nee, hij was niet naar huis gegaan na zijn vlucht, maar had onderdak gevonden bij zijn schoonvader en Tiny, zijn vrouw was hem daar komen opzoeken. Maar de verraders slapen niet en zo was men Jan weer op het spoor gekomen. Ook hier had de heer Berkers persoonlijk aan de opsporing en aanhouding van de vluchteling meegewerkt. De heer Berkers heeft eens gezegd, dat hij er trots op was om zoveel arrestanten gemaakt te hebben. Bedoelde hij daarmee al die mensen die hij na de bevrijding had opgehaald, of rekende hij daar ook die personen bij, die mede door zijn toedoen tijdens de bezetting gearresteerd zijn? Dat bij elkaar zou wel een respectabel aantal geweest zijn. Gastvrij nodigde ik mijn kameraad uit, om bij mij in de krib te komen liggen, om dan zo dicht tegen elkaar toch wat warmte te hebben en te kunnen slapen, want dekens waren er niet. En dan maar zien wat de volgende dag ons brengen zou.

De volgende morgen kwam en het leven in de bunker, barak 40 a ging verder. Na het morgenappel mochten wij niet meer in de slaapzaal, dus hokten wij in de grote zaal bij elkaar. In de bunker zaten niet alleen de S.S.ers, de S.D.mensen. Ook zij die geprobeerd hadden te ontvluchten, of zoals wij, ontvlucht waren, maar weer werden gesnapt, werden hier opeborgen. Onder strenge bewaking. Er zaten ook nog allerlei “kampbeulen” of zij, die er voor aangezien werden. Dat gaf altijd wel actie en afwisseling. Teun van Esch was zo’n vermeende kampbeul en altijd was men deze man aan het “Verhoren”, wat zeggen wilde, dat er steeds een paar soldaten met de man bezig waren, door hem naar buiten te jagen, hem te laten kikkeren, robben en allerlei andere oefeningen te laten doen. Na een paar uren of zo, kwamen de soldaten met hun slachtoffer weer terug. De soldaten waren er moe van geworden, maar als besluit werd Teun dan eerst nog even in een van de grote stenen wasbekkens in de waszaal gesmeten en werd daar hardhandig van de modder, slijk en andere drek ontdaan, dat aan zijn lichaam kleefde en zijn zebra pakje ontoonbaar maakte. Soms hoorde wij hem, in de grote zaal, luidkeels gillen. Misschien was het water wat te koud of waren de soldaten een nieuw spelletje op hem aan het uitproberen. Eindelijk werd hij, Teun, dan weer in de grote zaal terug geschopt in een zeiknat zebra-uniform. Helemaal versuft liet hij zich ergens neervallen en bleef daar liggen. Langzaam vormde zich een grote plas om deze trieste figuur en wij konden niets voor hem doen. “Laat mij in Godsnaam liggen, ik ben zo verschrikkelijk moe en alles doet me zeer!” lispelde hij.

Steeds als er nieuwe soldaatjes in het kamp kwamen, om de wachten af te lossen of aan te vullen, kwamen die allereerst naar de barak 40 a, naar Bunker” toe om hun opgekropte haatgevoelens en opgezweepte woede af te reageren. Meestal onverwachts kwamen deze nog zeer jonge knaapjes dan de grote zaal binnenstuiven. Met de stengun in hun vuisten, gereed om te schieten. Alles en iedereen moest snel in de houding gaan staan en met de armen omhoog, want men kon nooit weten. S.S.ers waren en bleven gevaarlijke kerels. Zoekend voor, achter en om de groep heen, liepen zij speurend rond, gaven hier een trap, daar een schop of plotseling met vlakke hand, iemand onverwachts een klap in het gezicht, wat meestal wel een bloedneus ten gevolgen had. Zo niet werd het voor een tweede keer geprobeerd. Nog zekerder om dat bloedneuseffect te bereiken, was de mannen met de armen omhoog, de benen gespreid en met hun gezicht (bijna) tegen de muur te laten staan. Niemand kon dat klapje of duwtje aan zien komen, maar dat kleine duwtje had dan wel de gewenste bloedneus ten gevolge. Of met de kolf van het geweer of van de stengun een onverwachte klap tussen de gespreide benen geven. Het succes was verzekerd; het slachtoffer lag krimpend van de pijn op de vloer.

“Waar is Teun van Esch?” werd dan gevraagd. “Waar is die smeerlap?” De man die krimpend van de pijn op de vloer lag te kronkelen, wees verdwaasd overal heen. Misschien kende hij Teun van Esch niet eens, maar het was levensgevaarlijk dat tegen die over zijn toeren geraakte soldaat te zeggen. Dus wees de man zo maar wat rond, Daar, daar daar!” en werd verder met rust gelaten. Maar O wee, de man die zomaar aangewezen was. “Zo, daar heb ik jouw, vuile ploert!” en meteen regende het slagen, schoppen en trappen. “Jouw gezicht zal ik nooit, maar dan ook nooit meer vergeten, zo lang ik leef, vuile landverrader, smerige sadist, vuile kampbeul!” en dan volgde het hele verhaal wat dat ventje allemaal had meegemaakt tijdens de bezetting. Door de S.D. gejaagd, overal ondergedoken gezeten, uiteindelijk toch door de ‘Duitsers gepakt. Hij had bijna in elk kamp, dat op dit ogenblik berucht en bekend was, gezeten en was voor het Vaderland gemarteld. De man die helemaal geen kampbeul was geweest en zeker geen Teun van Esch heette, meende dat de soldaat duidelijk te moeten maken, maar daar maakte hij het alleen nog maar erger mee. Ondertussen was de “Kampbeul?” in heilige toorn en gramschap op de vloer in elkaar geslagen en hield zijn armen beschermend voor zijn gezicht, om zich tenminste tegen die harde trappen van die Engelse soldatenschoenen, te beschermen. Onnodig te vertellen, dat deze soldaatjes nooit alleen kwamen. Terwijl de “Martelaar” de vermeende kampbeul verder aftuigde, hielden de andere meegekomen soldaten die hele troep zogenaamde S.S.ers onder schot. Vooral de Zeeuwen konden er iets van. Als het Candy-Day geweest was en ze dus een paar flessen Gin of Whisky hadden weten te bemachtigen, kwamen ze ‘s avonds in groepjes naar de bunker en dan ging het van dik hout zaagt men planken. Met de aan ons toegevoegde geestelijke herder was niets aan te vangen. De enige troost die hij ons te geven had, was: “Jullie koppen zullen gekraakt worden!” Daar waren die soldaten dan ook druk mee bezig. Dus bij Pastoor Hermeyer behoefden wij ons niet te beklagen. Maar toen kregen wij een nieuwe kampaalmoezenier. Een pater Jezuïet: van den Heuvel tot Westerflier. Dit paterke heeft ons geholpen, al kon hij weinig doen. Alleen al door te komen, stonden wij niet meer helemaal alleen en verlaten in al deze ellende. Na zo’n Candy-Day en bezoek van Zeeuwen aan onze barak, kwam het Paterke. Hij zag dat de volgende dag tientallen gevangenen niet van hun bed konden komen, vanwege de vele kwetsuren en kneuzingen, bij dat bezoek van de Zeeuwen opgelopen. Overal in de “Feestzaal” waren bloed en bloedspatjes op de witgekalkte muren en een paar uitgespuugde tanden lagen ergens in de hoek tussen schuim, bloed en slijm. Ik mocht hem door de folterkamer begeleiden, omdat ik wonder boven wonder, maar heel weinig geslagen was, misschien uit medelijden met mijn verwond hoofd? Ik weet het niet. Het paterke was wit van woede. De eerste paar dagen, misschien een week lang zijn we niet behandeld, niet “Heropgevoed” door die soldaten van “Herrijzend Nederland!” Daarna was het weer troef en de ellende begon opnieuw.

Iemand uit mijn dorp werd de bunker binnengesleurd met het nodige militaire machtsvertoon. Marinus Cauwenberg. Tot negentien veertig had hij bij ons op de fabriek gewerkt. Daarna had hij, zoals zovele jonge jongens, dienst genomen bij de Organisatie “Todt” en wel op aanraden van de heer Molenaar, hotelhouder van het hotel de “Zwaan” op de Lind, waar tijdens de bezetting de “Ortscommandant” zetelde. De heer Molenaar vertelde aan Marinus en andere jonge mannen, dat zij veel geld zouden verdienen en wat van de grote wijde wereld zouden zien, als zij bij deze instantie gingen werken, maar verzweeg min of meer dat dit een semi-Duitse militaire organisatie was. Dus Marinus vertrok naar het Oosten om daar wegen aan te leggen. Het was ten slotte een meevechten tegen het communisme, iets wat bij de Katholieke Brabander, toch altijd een zeer nobele en prijzenswaardige daad was. Marinus was vlak na de oorlogsdagen 1940 ook bij de Weerafdeling van het Nationale front geweest, het “Grauwe Vendel” en had zich toentertijd ook gemeld voor het Nederlandse Legioen, dat in Nederlandse Uniformen en onder leiding van Nederlandse Officieren, aan de strijd tegen het Bolsjewisme zou gaan deelnemen. Dat ging niet door, Arnold Meyer trok zich terug en met hem de leden van het Nationale Front, die zich al voor dit leger gemeld hadden. In de bunker vertelde Marinus hoe hij verder gevaren was. Uiteindelijk was hij als “Todt-soldaat” ergens in Frankrijk ingezet en had vandaar naar Engeland weten te ontsnappen. Daar meldde hij zich bij een of andere Nederlandse instantie en werd soldaat van Oranje. Ondertussen had hij verkering gekregen met een Engels meisje, wiens vader een schoenfabriekje had. Marinus liet mij een foto van dat grietje zien. Weer terug in Nederland wou hij eerst een paar lastige vragen aan de heer Molenaar gaan stellen. Maar zover kwam hij niet. Men was hem een slag voor. Tenslotte had Marinus een Duits uniform gedragen. Dus in plaats van de confrontatie met de heer Molenaar, die ondertussen aan Engelse en Canadese 0fficieren en enkele hooggeplaatste kopstukken van het Militair Gezag een passend onderkomen in zijn hotel had bezorgd, was Marinus razend snel opgepakt en naar het “Heropvoedede” kamp Vucht gebracht. En daar zat Marinus in een zebrapakje, met een kale kop, tegen een koude muur in een troosteloze ruimte zijn droevig lot te overdenken. Rond de middag werd het brood uitgereikt en iedereen zat of stond op die kale dementen vloer aan die homp brood te knauwen en te kauwen. Voor zover er plaats was zaten er mannen met hun rug tegen de muur, de rest zat op zijn hurken of plat op de grond. Plotseling kwamen er weer wat soldaatjes binnenstuiven en we werden meteen in de houding geschreeuwd. De hompen brood lagen kriskras op de vloer. Scheldend, razend en tierend liepen de soldaten tussen de in de houding staande mannen door, gaven hier iemand een stomp, daar een trap en deden zo de ronde tussen de mannen. Aan de voorkant van de zaal, buiten hadden een paar andere helden hun vuurwapen tussen het getraliede venster naar binnen gestoken, om eventueel rugdekking te geven als die S.S.ers het soms in hun hoofd zouden krijgen om amok te gaan lopen. “Iedereen met zijn gezicht naar de muur; de handen omhoog. de benen gespreid!” luidde het bevel. Iedereen wist wat er komen zou, want dit was een geliefkoosd spelletje bij die “Binnenlandse Strijdkrachten”. Inspecterend liepen ze achter de rij opgestelde mannen door, gaven hier en daar een licht duwtje tegen een achterhoofd wat de gewenste bloedneus ten gevolge had. Maar wij kenden dat spelletje zo langzamerhand wei en hadden onze tegenmaatregelen genomen. Meteen dat er geduwd werd, waren we al met ons gezicht tegen de muur en het effect bleef uit. Marinus stond naast mij in de houding, handen omhoog, benen gespreid, de inspectie af te wachten. “Als ze komen, Marinus en ze staan achter jou stil, ga dan met je gezicht zo dicht mogelijk naar de muur toe, anders heb je een bloedneus!” De soldaat inspecteerde verder, deelde kwistig duwtjes uit, maar het succes was nihil. Hierover was hij danig ontstemd en stond nu achter Marinus. Deze ging volgens mijn aan wijzing helemaal met zijn snuit tegen die muur aanleunen. “Wel God hier en daar. Is dat in de houding staan; heb jij dat zo bij de S.S. geleerd. Dat zal ik jou voor eens en voor altijd afleren, smerige vuile schoft, rotzak van een S.S.er!” De soldaat nam zijn geweer bij de loop, haalde uit en sloeg mijn buurman keihard tussen zijn gespreide benen. Met een lange kermstoot zakte Marinus op de vloer en joekerde van de pijn en lag snukkend adem te halen. Ik knielde bij hem neer, maar de soldaat trapte me door de zaal heen. “Blijf in de houding staan, Godver; je hoeft die aansteller niet te helpen!” maar Marinus stelde zich niet aan en bleef versuft liggen waar hij lag. “Sta opman, stel je niet aan!” en hij schopte het slachtoffer in zijn pens, maar Marinus kon niet overeind komen, ondanks het schoppen en trappen van die held. Het lukte niet. “Die heeft zijn lesje wel geleerd!” stelde de soldaat dan vast, spuwde nog even verachtelijk naar zijn slachtoffer en verliet, teruguitlopend, de zaal, het geweer dreigend op ons gericht.

Toen hij weg was en ook die soldaten buiten bij het venster, kregen wij de gelegenheid onze kameraad te gaan verzorgen. Voorzichtig werd hij opgetild en naar de slaapzaal gebracht en maar voorlopig op mijn krib gelegd. Een paar mannen, S.S.ers, trokken hun zebrajasje uit en spreidde dat over de man heer. Marinus lag te beven en te schokken van de pijn. De sanitäter Jansen werd er hij gehaald, de man en hief beide armen ten hemel. “Wat kan ik doen?” riep hij wanhopig. Nee, gebrande houtskool was niet het geijkte middel, dus had alleen nog het tweede en laatste medicijn misschien wat nut. Wat natgemaakte todden en lappen werden tussen het kruis van de gekwetste gelegd. Helpen zou het wel niet, maar het gaf ons toch het gevoel iets gedaan te hebben. Een paar dagen kwam Marinus niet van zijn krib. Lopen deed hem enorm veel pijn en hij k1aagde gedurig over de kou. Dus meestal sloop ik dan ook naar de slaapzaal ging naast hem liggen om hem wat te warmen, zodat hij wat kon slapen. Enige gewetenswroeging had die soldaat toch wel. Een paar dagen na dien, kwam hij de bunker weer binnen, om te zien hoe het met zijn slachtoffer ging. Marinus lag nog altijd op mijn krib en ik naast hem; zo hadden we het beiden niet zo koud want dekens waren er niet. Dat schoot weer in het verkeerde keelsgat van die man, want niet alleen ik, maar nog andere mannen waren stiekem op de slaapzaal geslopen, om wat te slapen. In de middag was het niet zo koud als midden in de nacht en dan lukte het wel om wat te slapen. Maar dat was en tegen de algemene regels en tegen het zere been van die soldaat. Direct moesten alle strozakken, die op de slaapzaal aanwezig waren, in de wasbarak gebracht worden, die deur ging toe en op slot. Drie dagen lang hebben we op een soort gevlochten ijzerdraad moeten liggen en als we ‘smorgens weer terug in de zaal mochten leken onze ruggen op onopgeloste kruiswoordraadsels.

Er zaten bij ons in de bunker een paar mannen, die bij de “Standard Westland” als Officier gediend hadden. Ze waren door de Amerikanen gevangen genomen, maar omdat ze tenslotte Nederlanders waren, weer aan het “Militair gezag” overgegeven. Dat had deze “Landverraders” naar de bunker, barak 40 a, in het verblijfs- en interneringskamp “Vucht” over laten brengen. Leutnant Verstraten vertelde ons hoe de Amerikanen boven de Duitse Linie’s wapens en vooral munitie, Duitse munitie, gedropt hadden, om de al te snelle Russische opmars wat te vertragen. Dit was ergens ten oosten van Hamburg gebeurd. Die zelfde Leutnant hoopte ook voor zich zelf en voor ons allemaal, dat de oorlog maar vlug afgelopen zou zijn. Als wij, onder deze omstandigheden nog een half jaar of langer gevangen zouden zitten, zou de helft van ons gecrepeerd zijn. Jongere kerels konden het nog wel iets langer uithouden, maar de ouderen zouden het beslist niet overleven! Het eten bestond uit een half brood per dag en dat was alles. Reken daar nog bij de verschrikkelijke lange appèls, vooral als het regende en bijzonder koud was en de onmenselijke ranselpartijen, als de heren “Stoottroepers” naar de bunker kwamen. Maar een keer in de veertien dagen kregen wij ongeveer honderd gram suiker per man uitgereikt. Waarom dat gebeurde heb ik nooit begrepen. Die dag waren wij braaf en zoet. Iedereen had wel een blikje of doosje of lapje, waarin de suiker in ontvangst genomen en bewaard werd. Als kleine kinderen lagen ze ergens teneer of zaten tegen de muur en zo nu en dan staken ze een nat gemaakte vinger in de suiker en likte die dan secuur schoon; geen kruimeltje ging verloren.

De steeds wederkerende ranselpartijen, de middernachtelijke appèls in de kou en regen, braken onze weerstand en wij voelden ons miserabel. De nieuwste sport, speciaal voor ons uitgedacht, bestond uit het ons op de meest gekke tijden uit de bunker te jagen, dwars door het Nederlandse kamp. Vlak achter het hoofdgebouw op een zanderige vlakte, moesten we de meest zware oefeningen doen. Robben, kikkeren, op de ellebogen steunen en doorzakken. De jonge kerels konden dat wel vijf of zes keren achter elkaar, maar de ouderen en gekwetsten onder ons, konden dat niet meer opbrengen. De hele meute lag languit, alleen op de handen gesteund, op de grond. En de soldaat maar tellen:”Een! en neer; Twee en neer!” Verder kon de oudere man het echt niet. Met gestrekte armen en hijgend van de twee eerste doorzakkingen, bleef hij “Drie! en neer!” overeind; om nogmaals door te zakken daarvoor had hij de kracht niet. Maar ook daarvoor had de soldaat een truckje uitgedacht. De vuile landverrader moest “Neer”. Daarom nam hij zijn geweer van de schouder en plaatste dat met een felle klap op de grond (natuurlijk juist op een van de vlakke handen van de steunende man en dan ging de man “Neer”. Natuurlijk was die onwillige man een oude “kampbeul” en dat werd op deze manier dan even verrekend. Deze vlakte werd door ons de “Bloedakker” of “Herakles” genoemd. Het ergste was wel, dat allerlei militaire hoogwaardigheidsbekleders, met veel sterren dit onmenselijke schouwspel, met grote genoegdoening gade stonden te slaan. Hoe meer er geslagen, gestampt en geschopt, gegild en gekermd werd; des te meer lol die toeschouwers hadden. Hoe meer de omstanders, toeschouwers, stonden te lachen, des te fanatieker de soldaten op ons neer ranselden. Ons in het kruis schopten en dan, als we krimpend van de pijn op de grond lagen, hun grote militaire schoen in onze nek zetten. Dan weer terug naar de bunker; in volle galop. De meesten van ons konden niet meer. Er werd geschopt en getrapt, stokken zwaaiden en geweerkolven beukten op ons in. Die eerste keer kregen vooral de ouderen en de gekwetsten de meeste slagen te incasseren, omdat de jongere kerels harder konden lopen en de slagen ontweken. Maar dat hebben we zelf veranderd. Onder elkaar besloten wij, als er weer zo’n feest zou komen, de jongeren, de vitaalsten, een beschermende ring om de ouderen en gebrekkigen zouden gaan vormen. Dit idee kwam nota bene van een viertal S.S.ers. Kerels die in Rusland hadden gevochten. Met deze mannen kon ik vriendschap sluiten. Het waren echte kameraden, die je nooit in de steek lieten. Ondanks dat wij menige harde klap, schop of trap te incasseren kregen, hebben wij dat spelletje met veel plezier gespeeld. Vooral omdat ook de soldaten gingen merken dat hier plotseling iets helemaal fout ging. Helemaal begrijpen deden ze het echter niet. Wij zijn zo dikwijls door de soldaten van Oranje uit onze bunker gejaagd en in volle galop naar de “Bloedakker”, de “Herakles” gejaagd, dat wij heel aardige tactieken ontwikkeld hadden. Zelfs het tempo werd door ons bepaald, zodat de kern, het middengedeelte van de opgejaagde meute, de ouderen en gekwetsten dus, weinig moeite met het galopperen hadden. De ouderen en gebrekkigen waren tot dusver gemakkelijke prooien voor die bewakers geweest. Ten eerste liepen ze voorheen altijd achteraan, reageerden niet zo snel en de klap of trap, kwam altijd daar neer, waar men hem hebben wilde. Ze konden zo lekker huilen, kermen en gillen of ze struikelden languit over de grond en dan kon men ze pas echt lekker raken, schoppen, trappen of de kolf van het geweer in die ruggen beuken. Ineens ging dat spelletje niet meer op. De ouderen en gebrekkigen werden in het midden gehouden en van die vlugge gemene S.S.mannetjes liepen als gekken door de hele troep, waren overal en nergens, maar wel meestal aan de buitenzijde en achteraan. Dus theoretisch moesten die nu gemakkelijk te raken zijn. Juist als zo’n verhitte soldaat dacht: “Nou heb ik je, vuile S.S.er!” en flink met zijn geweer uithaalde, was die kerel toch juist niet genoeg dichtbij, of al weer lang voorbij. Werd het tempo van de drijfjacht toch te hoog en raakten de ouderen en gekwetsten onder handbereik, dan struikelde om de een of andere reden zo’n jonge vent ergens over en viel languit, en nog meer van die kerels struikelden dan weer over die ene vent. Als de soldaat dan einde lijk eens lekker op deze rollende en wentelende groep wou gaan inhakken, waren ze allemaal plotseling weer overeind en weer buiten slagwijdte. Het hield ons wel fit en kreeg men al eens een oplawaai met een of ander wapen, voelde men op dat moment de pijn niet eens. Later, weer terug in de bunker, nog nahijgend van de dolle rit, merkte men dan een brandende pijn aan het been of een loodzware druk op de schouder of steken in de zij. Dus toch geraakt!; maar door wie en wanneer?

5 Mei. 1945. De oorlog was, voor Nederland althans, voorbij. De Duitse bezetting gaf zich over. Wij moesten het nieuws, in de houding staande, aanhoren. De soldaten werden nog brutaler, nog uitzinniger, dan ze al waren. Deze vreugde over de capitulatie van de Duitse Wehrmacht in Nederland werd vooral in de bunker, de barakken 40 a en b uitbundig gevierd. Niet door de gevangenen, maar door de bewaking. Toch waren er onder de gevangenen een paar opportunisten, die uiting aan hun zogenaamde vreugde moesten geven. Natuurlijk was iedereen blij, dat het allemaal voorbij was, maar om zo openlijk en bloot te gaan staan juichen en te schreeuwen, om een verloren oorlog, waarvoor ze zelf idem zo veel jaren hadden gevochten, was voor de meeste bunkermannen toch een belediging. Die slappe figuren werden hardhandig op hun nummer gezet. Er was toch al enige wrijving tussen enerzijds de collaborateurs, de baantjesjagers en verdere vaak karakterloze figuren en anderzijds de echte S.S.ers, de soldaten van de “Standard Westland” en verdere idealisten. Waar mijn plaats was, wist ik nog niet, maar langzaam en zeker werd ik naar de kant van de S.S. getrokken. Wat had ik tot voor kort van die S.S. geweten? Niets, helemaal niets. Een keurkorps, dat wel, maar elk land, iedere Natie, had zijn leger. In elk leger was er altijd wel een elite groep, een keurkorps. Voor vele jonge mannen was het een eer om in dit keurkorps te komen. In elk land was dat zo. Als keurkorps moest je dan wel maken, dat je de oorlog won, anders kreeg je alle ellende, alle leed en alle misdaden tijdens de oorlog gepleegd op je dak geschoven. Wat andere keurkorpsen, maar dan van de tegenpartij zo allemaal aan wandaden uitgevoerd hadden, daar werd niet meer over gesproken, vermits zij de oorlog hadden gewonnen.

In de bunker hadden wij alle tijd om over deze dingen te discussiëren, pro en contra tegen elkaar af te wegen. In die bunker, heb ik meer over de S.S. gehoord, dan ooit te voren. In dat kamp Vucht zouden alle collaborateurs, N.S.B.ers S.S.ers, etc. etc. “Heropgevoed” moeten worden, zoals dat overal zo profaan vermeld werd. De poging om ons te “Heropvoeden”, loog er niet om, maar had een averechtse uitwerking op ons. Van de ene kant werden we bont en blauw geslagen, werden er allerlei Pruisische methode’s op ons toegepast. Wat verteld werd over gruweldaden in Duitse concentratiekampen, werd meteen op ons uitgeprobeerd. Iedereen wist dat. Als wij naar de “Bloedakker” gedreven werden en daar gemarteld, gekweld en gepijnigd werden, stond de hele kampleiding zich een beroerte te lachen over deze vertoning. Toch waren wij nog niet veroordeeld, alleen maar geïnterneerd en eventueel nog “Verdacht!”, verder niets. In de barak 40 a waren wij de godganselijke dag op elkaar aangewezen in een totaal leeg vertrek, zonder stoelen, banken, zelfs een tafel. Een half brood per dag. Hoe moest je dat opeten? Geen mes of plankje om het brood op te leggen. In de wasruimte kon je wat water gaan drinken, dat was vrij. Terwijl men probeerde deze homp brood naar binnen te werken, kon men het vertrek rondlopen, tegen de koude muur gaan zitten of op de cementen vloer gaan liggen. ‘s Morgens en ‘s avonds waren er appèl’s. Bij mooi zonnig en warm weer kort; bij regen, koude of sneeuw duurde dat uren. En maar stram in de houding staan. Uren lang; een halve nacht soms. Als we dan op alle mogelijke en onmogelijke tijden, met zijn allen naar onze “Herakles” werden gejaagd, was dat toch min of meer een verademing voor ons; hoe zwaar die oefeningen dan ook mochten zijn; hoe miserabel er dan ook op ons ingeslagen werd. Maar de rest van de tijd zaten, lagen of stonden we in de bunker, de barak 40 a. Met zo’n zestig man. In 40 b hetzelfde aantal. Er was niets, geen boek, geen spelletjes, geen kaarten, niets, helemaal niets. Wat doe je dan de godganse dag. Geruchten verspreiden en praten en discussiëren, allemaal “Foute” mensen onder elkaar. Al gauw waren er twee groepen. De eerste groep verspreid geruchten en praat over eten, vertellen elkaar lekkere recepten, die onthouden of op kleine W.C. papiertjes genoteerd werden om later als ze weer vrij zijn, allemaal uit te proberen. Daarmee vulden zij de uren, dagen en maanden. Maar bij een controle werden deze papiertjes toch weer gevonden, in beslag genomen en vernietigd. Dan begonnen ze weer opnieuw. De andere, veel kleinere groep, misschien de intelligentsten, de idealisten, praten en discussiëren, met elkaar en over elkaar, over de verloren oorlog en het Nationaal Socialisme etc. etc. De eerste kampaalmoezenier, die stomme Hermeyer, hij die ons vertelde dat onze koppen gekraakt zouden worden, begreep er helemaal niets van. Hij kwam op zekere dag met een stapeltje van die ouwe vrome Missie Almanakken opdraven. Deze lectuur, daar was hij vast van overtuigd, zou er veel toe kunnen bijdragen om onze “Heropvoeding” in goede banen te leiden. Ze zijn inderdaad wel eens gelezen, maar meer stuk gezeten. Vooral in de koude dagen, was het heerlijk om voor dat je op de cementen vloer of tegen de muur ging zitten om een dutje te doen, eerst zo’n dikke almanak onder je gat te leggen of achter de rug te plaatsen. Nog handigere knapen hadden deze Godsvruchtige geschriften in hun matras gefrommeld, wat enige warmte in de koude nachten gaf.

Iemand wist te vertellen dat er buiten het kamp grote inzamelingen werden gehouden bij de burgerbevolking en dat deze opgehaalde levensmiddelen, kleren en dekens in grote konvooien naar boven de Moerdijk werden gebracht, om de eerste en ergste nood bij die uitgehongerde bevolking wat te lenigen. En natuurlijk een van die S.S.mannen, bij ons in de barak 40 a, kwam op het idee om de kampleiding een dagrantsoen (het halve brood) aan te bieden, zodat dat bij het konvooi gevoegd, er ook wat aan zou bijdragen, om die eerste nood daar wat te milderen. Er waren een paar tegen stemmers, zij die zo luid “Hoera” hadden geroepen, toen de Duitsers in Nederland capituleerden. Maar daar werd geen nota van genomen. De verklaring werd opgesteld en via, via naar de kampleiding gestuurd. De volgende dag hebben wij het halve harde brood niet gekregen en om die hele dag nuchter te blijven, was niet eens zo heel moeilijk. Tussen “Verrekken van de honger!” en “Nog een beetje moer verrekken van de honger!” was niet zoveel verschil. Ons volgende rantsoen zou er des te beter om smaken.

Maar er gebeurde iets heel naars. Toen wij die morgen ontwaakten, waren wij meteen in een goede stemming, met het vooruitzicht op dat het brood, dat vandaag weer uitgedeeld zou worden. De eerste mannen schuifelde de slaapzaal uit om via het dagverblijf, naar de waszaal te gaan om zich wat te verfrissen. Maar ze waren meteen weer terug en deden zeer opgewonden en iedereen werd wakker gemaakt. Er was iets niet in orde in het dagverblijf. Met een paar kameraden ging ik naar de grote zaal. En daar zagen wij hem. Iemand had zich in dat dagverblijf verhangen; een trieste figuur met een zebrapakje aan. Een klomp lag op de vloer, de andere bengelde losjes aan zijn voet. Het hoofd boven de strik hing wat scheef en de dunne afgemagerde nek, kwam nu dubbel zo lang voor, Verder hing hij doodstil en eenzaam. Het was ? Och wij kenden hem natuurlijk wel, maar hij was altijd een wat stille en teruggetrokken figuur geweest, was eigenlijk nooit bijzonder opgevallen. Een nul onder de nullen. Hij was er een van ons, niet iemand die zich op de voorgrond drong. Iemand die nooit klaagde, nooit met iemand sprak, steeds in zichzelf gekeerd, maar ergens zat, of soms uren in de zaal, van de ene naar de andere muur liep. Ik wist dat hij een van de laatste dagen bij de “Show” op de “Herakles” een gemene klap had moeten incasseren, maar daarover niet geklaagd had. Ik schatte hem op een goede veertig, vijf en veertig jaar. Ik geloof ook niet dat hij dom was, behalve dan: “Nu en hier! “Waarom!” Ik verweet mij zelf: “waarom heb ik nooit geprobeerd met de man in contact te komen, misschien zou hij dan nu....? Waarom in Godsnaam, had ik nooit met hem gepraat? Waarom moest ik zo nodig de hele dag ouwehoeren over allerlei dingen en zaken, die nu toch geen zin meer hadden. Was het niet beter geweest om een vriendelijk woord met deze man gesproken te hebben? Hoe had ik kunnen weten, dat deze man problemen had....? Onzin, iedereen in de barak 40 a had problemen!”

De wacht buiten bij het poortje, werd gewaarschuwd en kwam bom aansloffen. Gehuld in de driehoek cape, de helm schuin op het hoofd en een sigaret tussen de lippen. Zijn stengun droeg hij in een soort aanvalshouding voor zich uit. Hij marcheerde ons dag verblijf in, staarde even naar de hangende man, nam zijn sigaret uit zijn mond, blies wat rook naar de gehangene, deed nog een paar passen voorwaarts en prikte naar de man, die daar hing. Door deze aanraking bewoog hij wat draaide zijn gezicht naar ons toe.

De wacht zou melding gaan maken van het gebeurde. “Zo laten hangen: niet aankomen en wachten tot de militaire politie komt!” Het hoefde niet perse zelfmoord te zijn; er kon ook misdrijf in het spel zijn. Zij konden zich niet voorstellen, dat iemand in de barak 40 a, in den bunker, zo wanhopig zou kunnen worden, dat hij de hand aan zich zelf zou slaan. Nu werd er een appel buiten gehouden, wat langer duurde dan gewoonlijk, maar de zon scheen nu heerlijk warm op ons. Eerst kwamen er nog een officier en een sergeant opdagen, die hautain de barak in gingen, maar na een paar minuten hadden ze het al gezien verdwenen weer. Het wachten was op de militaire politie. We werden weer naar binnen gedreven. De eersten die binnen kwamen, plaatsten zich zo ver mogelijk van de gehangene vandaan, maar toen iedereen weer in het dagverblijf was, was ook de hoek waar het lijk hing, gevuld. Wel was het steeds een dringen en wringen om niet helemaal hij de trieste figuur te geraken. Toen ons zo lang verwachte rantsoen kwam, hing de man er nog altijd. De honger won het van onze piëteit en andere gevoelens ten opzichte van de dode en we schransden de harde homp brood naar binnen. Dan kwam eindelijk de militaire politie en wij werden weer naar buiten en in de houding gejaagd. En maar wachten tot ook dit hoofdstuk weer afgesloten zou zijn.

Na een half uur kwam er een jeep opdagen, reed tot voor de ingangsdeur van de barak en de gehangene, in een deken gewikkeld, werd ruw in de auto gehesen en de kleine optocht verdween. Onze barak telde een bewoner minder. Dat was het; verder niets. Er kwamen druppelsgewijs wat geruchten en informatie over de gehangene binnen. De man zou bij de bevrijding door zijn eigen zoon uit zijn huis gesleurd zijn en opgesloten. Voorlopig in een cel van het Gemeentehuis van een klein dorpje, vlak bij Bergen op Zoom. De zoon zou verder eigenhandig zijn vader verschrikkelijk afgebeuld hebben. Steeds weer opnieuw; elke dag weer. Gelukkig voor de man, dat hij uiteindelijk naar Vucht werd overgebracht en dus buiten bereik van die barbaarse zoon. Hoe de man aan dat touw was gekomen, waarmee hij deze wanhoopsdaad had begaan, bleef een raadsel. In die bewuste nacht is hij op de vensterbank geklommen, de strik om zijn nek gelegd en toen van die verhoging gesprongen. Dat klopte wel, want hij hing in een hoek, vlak bij dat raam. Wat hij gedaan had tijdens de oorlog of wat hij geweest was, vertelde het gerucht niet. Jammer, ik had het graag willen weten, waarom die zoon zo onmenselijk tegen zijn vader was opgetreden. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan!” zegt het spreekwoord.

Nog altijd had ik de neiging om overal en op elke gebeurtenis tekeningetjes en spotprentjes te maken, maar in de bunker de barak. 40 a was dat tot heden toe niet gelukt. Er was helemaal niets om mee te tekenen; papier noch potlood. Maar ik wilde tekenen en waar een wil is, is ook een weg. In ons lege dagver blijf stond de roestige kachel. Nog nooit had iemand die zien branden. Waarmee zou er ook gestookt kunnen worden? Die kachel was het domein van een klein Limburgs ventje en als wij in het dagverblijf rondhingen zat dat baasje als een aapje boven op de kachel. Dat was zijn plaats en niemand betwiste hem zijn troon. Hij gedroeg zich ook als een aap. In de meest potsierlijke houdingen zat hij daar maar te zitten en van af zijn hoge zitplaats hield hij alles en iedereen in de gaten. Zo ook bij nieuwe gevangenen. Die waren nog helemaal verbijsterd over wat zij hier en misschien ook in de laatste weken hadden gezien en moeten meemaken. Als zo’n gevangene nog helemaal versuft en verdoofd zijn nieuwe omgeving stond op te nemen, kwam die Limburger van zijn troon, rappelde naar de man toe en vroeg of hij misschien wat rookwerk had weten binnen te smokkelen. Door deze stupide vraag en door deze komieke verschijning was de pas binnen gesleurde man de kluts helemaal kwijt en dacht wellicht, dat hij in een gekken huis was terecht gekomen. Die Limburgse aap klom dan weer terug op zijn kachel en de kleine kraaloogjes flitsten weer opnieuw door de zaal. Die kachel stond er nu eenmaal en fungeerde als zitplaats voor dat aapje. Totdat onze Sanitäter Janssen uit Tilburg gebrek kreeg aan een van de twee geneesmiddelen, houtskool. Overgelukkig kwam hij op zekere dag binnen met een oude heibezem. Waar hij die georganiseerd had? God weet het! Maar de houtskool kon hiermee aangevuld worden. De aap werd eventjes van zijn troon gestoten, de bezem verbrand en de overgebleven houtskool secuur verzameld. Met houtskool kon men niet alleen diarreepatiënten helpen, maar ook tekenen. En in ons dagverblijf waren vier witte muren ter beschikking. Maar wat zou ik gaan tekenen? Spotprentjes op onze bewakers? Nee dat ging niet, dat zou olie op het vuur gieten zijn en mijn artistieke neigingen meteen in de kiem smoren. Die kop van mij was nog altijd een teer.punt, na die hardhandige haarwassing en het zo geniaal uitgevonden drogingsproces. Zeker, de Sanitäter deed zijn best, maar mijn hoofd bleef een ontstoken en etterende massa. Dus ze liever niet opnieuw irriteren.

Ik zou een symbolische tekening op die muur maken. Een actuele prent waar voor en tegenstander het mee eens konden zijn. Eerst, tekende ik een globus op de muur; ongeveer een meter doorsnee met Europa als middelpunt. Aan de ene zijde was nog een stukje van Amerika te zien, aan de andere kant de contouren van Rusland. Midden in Europa stak een grote dolk met in het handvat een Hakenkruis. Vanuit het nog juist zichtbare Amerika kwamen hele drommen bommenwerpers aanvliegen, allemaal gericht op die in de globus getekende dolk. Uit Rusland kwamen hele hordes aangemarcheerd met tanks en kanonnen. Op een banderol over het zuidelijke halfrond stond met fraaie letters:”De tyranei verdrijve!” Mijn kameraden vonden het schitterend, maar er kon ook een andere als de voor de hand liggende betekenis aan worden gegeven. Dat was misschien een beetje te veel gewaagd. Ik gokte er maar op dat deze kerels, die verrekte rotwachten, de eigenlijke betekenis van deze muurschildering toch niet zouden begrijpen. Maar het onderschrift: ”De tyranei verdrijve!” was toch Oer-Nederlands. De diepere achtergrond, dat wat ik er werkelijk mee bedoelde, dat Europa, tussen twee wereldmachten geklemd nu in puin werd gebombardeerd en geschoten, zou toch niemand begrijpen. En ze begrepen het niet. Het werd een daverend succes. Alles wat soldaat was, kwam naar die muurschildering kijken en de tekenaar werd er bij gehaald en moest de betekenis en symboliek er van uitleggen. Hoe het tirannieke naziedom, zie dolk, door “onze vrienden” de Amerikanen en Russen werd vernietigd en wij weer bevrijd waren. En was dat “De tyranei verdrijve!” niet uit ons eigen Volkslied: Het Wilhelmus! Het was nog nooit voorgekomen, dat zoveel soldaten in de bunker kwamen, zonder dat er geslagen en getrapt werd. Terwijl ze diepzinnig en cultureel naar de muur stonden te staren, gooiden ze achterloos hun sigarettenpeukjes weg, zonder eerst diep rochelend in hun keel, over dat begeerde peukje te spuwen.

Een soldaat, een jong ventje nog, vroeg mij, of ik hem, in uniform op de andere muur wou tekenen. Het was een gifkikkertje, dat tesamen met nog wat andere soldaten soms in de bunker kwam binnenstuiven, zichzelf geweldig kon oplieren en dan in het toppunt van heilige razernij, geweldig tekeer ging. Met een soort bamboerietje, afgekeken van de Engelse Officieren, kon hij gemene en zwiepende slagen uitdelen. Hoewel ik hem op amper zeventien jaar schatte, had hij al vier jaar bij die “Rotmoffen” gevangen gezeten in diverse concentratiekampen. Hij had al het leed van de wereld leren kennen. Steeds zag hij onder de gevangenen diverse kampbeulen, die hij dan onmiddellijk herkende, wiens gezicht hij van zijn levensdagen nooit meer zou vergeten. Dan werd er geranseld en geslagen op een verschrikkelijke manier. Ook hij had, zoals plotseling vele andere soldaten, die stoer en flink wilden doen, het “ware verhaal” dat hij een van de “uitverkorenen” was geweest, die vlak na de bevrijding van het noordelijke deel van Nederland, op bevel van H.M. de Koningin, de leider van de N.S.B en/of Max Blokzeil, voor het vuurpeloton hadden gesleept. In de Waalsdorper duinen bij den Haag was dit gebeurd. Als bewijs had hij, zoals tientallen andere soldaten, het laatste peukje van hun slachtoffer in een doosje, als souvenir en aandenken. Vol trots werd dit doosje met het overtuigende bewijsstuk soms aan ons vertoond. Natuurlijk met de opmerking, dat er nog vele peukjes bij zouden komen, van velen van ons. Want als de grote Volkstribunalen opgang zouden komen, zouden die “Vuurpelotons” handen vol werk krijgen.

Maar misschien kon ik deze gifkikker wat milder stemmem, als ik die opdracht aannam. Als hij hier op de muur in uniform stond afgebeeld. Het moest natuurlijk een “Staatsieportret” worden. Ik nam de opdracht aan en hij zei mij , hoe hij de tekening uitgevoerd wilde hebben. Dat loog er niet om. Hij nam een krijgshaftige houding aan, fier rechtop met de stengun aan het katoenen bandje om de nek. Toch met beide handen het wapen schietklaar voor zich uit houdend. “Wanneer is het klaar?” wilde hij nog weten. “Nou morgenmiddag, kom dan maar eens kijken!” zei ik. Zolang ik aan deze tekening zou werken, werd de bunker tenminste met rust gelaten, hoopte ik.

Er kwam.een mooie soldaat op die muur te staan. Te mooi eigenlijk, want ik kon het weer niet laten. Ik overdreef op alle gebied. De soldaat was te jong, het uniform te groot en de stengun te zwaar. Maar dat zou hij niet merken, hoopte ik. Ook in de bunker moesten wij er met een glimlach naar kunnen kijken, dus moest er geen dreiging van uit gaan. Het gezicht leek heel goed. Alleen onder die helm leek hij wat te loensen. Bij de mannen in de barak 40 a was het in elk geval een succes. Ze zaten of lagen allemaal op de cementen vloer terwijl ik bezig was en het was een plezierig tijdverdrijf om dat allemaal op die muur te zien groeien. De volgende dag kwam de soldaat eerst alleen om zijn beeltenis te aanschouwen, voordat hij het zijn kameraden zou laten zien. Diepzinnig staarde hij naar de muur met de daarop afgebeelde soldaat. Ik hield mijn hart vast, maar de brave soldaat was alleen maar verwaand, omdat “Hij” daar zo mooi op die muur stond te staan. Terwijl hij zijn portret stond te aanschouwen, begon zijn borst uit te zetten en zijn benen werden steeds strammer. Voor hem was het succes enorm. Hij voelde zich als een generaal, die zo juist bij de onthulling van zijn bronzen standbeeld had aanwezig mogen zijn. Ik stond achter de soldaat en toen hij zich eindelijk omkeerde, klopte hij mij goedkeurend op de schouder en presenteerde mij een sigaret. Dat was een vorstelijke beloning. Hij gaf mij zelfs vuur. Toen rende hij de barak uit om zijn vrienden en kameraden er bij te slepen. Deze kwamen vol verwachting de bunker binnen om het “Konterfeitsel” te aanschouwen. Gelukkig doorzagen ook deze mannen mijn opzet nog altijd niet. Totdat er iemand binnen kwam met een stuk of wat sterren op zijn “Battle Dress”.

Dat wilde eigenlijk niet zo veel zeggen. Toen kon het nog, dat een vooruitstrevende soldaat zichzelf tot “Officier” had bevorderd. En deze knaap had het wel door. Terwijl hij in pose voor die tekening stond, met het rieten stokje onder de arm geklemd, verstrakte zijn gezicht. Hij kneep zijn ogen half toe, keerde zich om en met een van woede vertrokken gezicht bulderde hij: “Wie” en in dat “Wie” lag zoveel dreiging, dat ik wel begreep, dat ik het haasje was, of zou worden. “Wie heeft deze tekening gemaakt?” bulderde hij los. Voordat de mannen in de bunker mij konden aanwijzen, stond ik al voor de “Officier”. “Dat ben ik!” Ik keek de man recht en strak in het gezicht. Eigenlijk was ik blij, dat tenminste iemand opbouwende kritiek op mijn tekenen had gehad, die werkelijk iets van tekenen verstond; die ik op een subtiele manier iets had duidelijk gemaakt. Als ik nu een pak ransel zou krijgen, en dat stond vast, was het in ieder geval niet voor niets geweest. Ik had mijnheer de “Officier” een geestelijke opdonder verkocht, die blijkbaar hard aangekomen was. Het rieten stokje werd met een zwiep onder de arm vandaan getrokken. Maar ik dook weg en hij miste mij op een haar na. Uiteindelijk kreeg hij mij toch te pakken en daar ging het weer van “Dik hout zaagt men planken!” Ik voelde daar eigenlijk weinig van, omdat ik van woede en haat overkookte. God, wat haatte ik deze kerel. Hoe dan ook; “Ik zou het hem betaald zetten!” Natuurlijk werd mijnheer de “Officier” door de andere soldaten maar wat graag geholpen bij deze kastijding. Uiteindelijk werd ik opgesloten in een muurkast met een ijzeren deur er voor, welke in de gang naast het waslokaal stond. Versuft hing ik in die donkere cel, want toen de deur dicht was, zag ik niets meer. Maar voor vandaag had ik wel genoeg gezien, daar niet van. Zitten kon ik niet, daar was die kast te smal voor. Wat door de knieën zakken en zo tegen die koude ijzeren deur leunen. Mijn arme hoofd kon ik ook wat vooroverbuigen en eveneens tegen die deur laten rusten. Bij mijn schouders had ik een paar centimeter ruimte. Met veel moeite kon ik mijn armen boven mijn hoofd wurmen om wat over mijn zere kop te strijken. De zweren en etterbuilen van die fameuze kopwassing waren weer opengegaan en schrijnden en klopten. Maar dat alles behoorde nu eenmaal bij mijn “Heropvoeding”. De klok rond heb ik zo in die muurkast doorgebracht en ik wist nog amper dat ik leefde. Toen de deur dan eindelijk weer werd opengemaakt, ben ik als een blok uit die kist getuimeld, viel languit over de corridor en bleef daar liggen. Zelfs de soldaat die mij er had uitgehaald, schrok er van. Eerst smeet hij mij een plens koud water over mijn gezicht, knielde naast mij en begon masserend op mijn wangen te slaan.

Langzaam begon mijn bloedsomloop weer op gang te komen. Mijn benen en armen begonnen geweldig te tintelen en dat prikkelen verdreef het lome gevoel. Ik strekte mijn benen wat en opende de ogen. Het was die “Officier”. Wat deed die rotzak bij mij. Dat hij mij maar met rust liet! Dan werd ik aan mijn schouders tegen een muur getrokken. Half liggend, half zittend hing ik daar. Ik begreep het niet allemaal, Op zijn hurken zat die beul naast me. Dan zag ik dat half brood dat hij onder mijn gezicht hield. Het was witte Engelse mik en gebiologeerd bleef ik naar dat brood staren. Wat moest die verrekte rotvent daar mee? Dan weer leek dat brood ver van mij vandaan te zijn, dan weer was het vlak voor mij en zag ik het fijne witte kruim voor mijn ogen dansen. Ik moest het speeksel dat in mijn mond kwam wegslikken. Waarom juist dat brood? Hoorde dat tot een van de verfijnde methode’s van de “Heropvoeding”? Eerst iemand half dood slaan en dan zo’n heerlijk stuk wittebrood voor zijn neus houden. Maar naast dat brood was de tronie van die gehate vent. “Als je zegt dat ik een fijne kerel ben.. en dat brood werd heel dicht voor mij heen en weer gezwaaid. Maar die vent kon barsten, doodvallen, verrekken. Waarom zei ik hem dat dan niet? Eigenlijk wilde ik dat heerlijke brood wel, ik barstte immers van de honger. De honger en de haat begonnen in mijn versuf te hersens een rondedans te doen en de haat won het. Eerst even bijkomen, goed overdenken wat ik die pooier naar zijn kop zou slingeren. Dat wat ik hem zou gaan zeggen, moest luid en duidelijk gezegd worden en ik mocht niet halfweg versuft blijven steken. Ik voelde mij weer sterk. Verachtelijk keek ik hem aan, stompte het brood voor mijn gezicht weg en brulde:”Je bent de grootste rotvent, de grootste ploert, de gemeenste kerel, die ik ooit gezien heb!!!” Daarmee waren mijn krachten opgebruikt en ik viel opnieuw tegen die muur terug. Ik sloot de ogen; ik wou dat stuk brood niet meer zien. Ik hoorde hem hijgen; hij kwam uit zijn hurkhouding overeind, zijn knieën kraakte en dan toornde hij hoog boven me uit. Greep me opnieuw bij de schouders, hees mijn versuft lichaam omhoog en sloot me opnieuw in die kast, die recht opstaande doodskist. Dan maar kapot. Nooit ofte nimmer zou ik tegen die smeerlap zeggen, dat hij een fijne vent was! Opnieuw hing ik in die kast, hoelang zou het nu weer duren? Ik wist het niet. Toen ik weer kon denken, lag ik tussen mijn kameraden op de stenen vloer van het dagverblijf. Ze probeerden me op allerlei manieren weer tot het bewustzijn te brengen. Er werd mij een “Sigaret” onder de neus gehouden, zo’n derde deel van een echte sigaret, opnieuw gedraaid in een stukje W.C. papier en geschikt om er drie of vier halen aan te doen. Dat prikkelde mijn hersenen en ik kwam weer langzaam bij mijn positieven. Ook was er een half brood voor me en een conservenblikje met fris water. En mijn kameraden, de S.S. ers hadden plotseling veel respect voor mij.

s Zondags werden wij uit de bunker gedreven, niet voor een ranselpartij op de ”Bloedakker” maar voor het bijwonen van een heilige Mis. Vlak bij ons was een barak ingericht als noodkerk. Deze ceremonie behoorde ook bij onze “Heropvoeding”. Terwijl de bewoners van het zogenaamde vrije kamp er min of meer vrijwillig heen konden gaan, werden de mannen van barak 40 a en b onder strenge bewaking door de soldaten van Herrijzend Nederland, naar deze tempel des Heren gedreven. Die bewapening bleef; de hele dienst door bleven de stenguns van die Oranjesoldaten op ons, de zebramannen, gericht. Soms lukte het om wat contact met de bewoners uit vrije kamp te krijgen. Wij, de mannen uit de barak 40 a stonden vooraan in de kerk, omringd door de soldaten met hun schiettuig in de aanslag. De andere gevangenen vulden de rest van het gebouw. Na de Consecratie werd de Communie uitgereikt, maar de Zebramannen verrekten het aan de tafel des Heren te verschijnen. Bij de anderen waren er altijd wel een paar die zo nodig moesten. Misschien, zo dachten zij, worden wij dan vlugger vrij gelaten. Natuurlijk moesten wij, de hele dienst door, streng in de houding blijven staan, Terwijl wij daar zo stram stonden te staan, zag ik tot mijn grootste verbazing Frans Robben, uit het Vrije kamp, met een ingetogen snuit naar de communiebank marcheren. Alweer iemand die zogenaamd bekeerd was? Ik kon het niet geloven. Van iedereen zou ik verwacht hebben, dat ze om een of andere reden weer “Vroom” waren geworden; alleen niet van Frans Robben, de grootste rabauw van ons allemaal. Maar Frans zat nu met een uitgestreken gezicht aan de Communiebank. Nog altijd begreep ik er niets van. Zou hij tuk zijn op die ouwel, als extra rantsoen? Nu zag ik dat hij nog een rozenkrans om zijn vingers gestrengeld had. “Verrekte huichelaar!”grinnikte ik in mij zelf. Ondertussen was hij met een ingetogen bakkes al weer op de terug weg om zijn plaats ergens achter in dat kerkje op te zoeken. Daarvoor moest hij mij passeren. Vlak bij mij struikelde hij, zijn rozenkrans viel uit zijn handen op de vloer. Razend snel bukte hij zich, om dat gewijde voorwerp weer op te rapen en voor iemand iets in de gaten had, werd er iets onder mijn Zebra-jasje gefrummeld. Ik bleef stokstijf staan, alleen drukte ik mijn ene arm wat vaster tegen mijn lichaam aan. Een soldaat schoot toe en porde Frans met de loop van zijn stengun overeind. Frans deed zeer verontwaardigd. Hem, een vroom christen in de tempel des Heren, met een geweer te bedreigen! Maar dat was duidelijk een afleidingsmanoeuvre. Ik had nu het kleine pakje. Wat zou daar in zitten? De dienst liep ten einde en de gewone gevangenen moesten de noodkerk verlaten.

Zolang bleven wij, Zebra’s, stram in de houding in de kerk staan. Maar dat deerde mij niet, ik had iets toegestoken gekregen. Wat wist ik nog niet; zou ik straks in de bunker wel zien. Ik was dolgelukkig. Ondertussen had ik dat “Iets” al beter opgeborgen, onder de oksel van mijn arm. De afmars van uit de noodkerk naar de barak 40 a was weer erg spannend. Er waren nog meer soldaten gekomen, die allemaal wilden meespelen in het bewakingsproces. De afstand tussen die kerk en onze bunker was niet zo heel ver. Aan beide zijden van het pad hadden bewakers zich opgesteld en wij moesten weer spitsroede lopen. Daar waren we zo langzamerhand op in gespeeld. De ouderen, gebrekkigen en gekwetsten werden in het midden gehouden en de ranselpartij begon. De vrome, godsdienstige stemming, zo die er al was, werd er weer totaal uit geranseld. Het hoorde blijkbaar allemaal bij onze “Heropvoeding”.

Bij de smalle ingangsdeur van de barak 40 a ontstond paniek. De kleine Tits, een ventje van hooguit achttien jaar, kreeg, toen hij die deur wou inschieten, zo’n ongelukkige mep te incasseren, dat hij vlak voor of in die deur viel. Daarmee versperde hij een snelle intree. Meerdere gevangenen struikelden over hem heen. Het werd een kluwen van struikelende, vallende en kruipende mannen, die allemaal naar binnen wilden om zo buiten het bereik van de neerzwiepende stokken, knuppels en ander slag- en houwwerk te geraken. Tits lag helemaal onderaan, wel buiten het bereik van de slagen, maar hij had het onder die wanhopig trampelende hoop benen en voeten niets te breed. Tits was als jong soldaatje in Rusland geweest bij de Standard Westland en had hele verhalen verteld over de Stalinorgels, Russische Tanks en Molotovcocktails. Over lange nachten, ingegraven in de loopgraven en stellingen bij Stalingrad. Over de aan Russische zijde opgestelde luidsprekers, die grote communiqués uitgaven, in het Duits natuurlijk, om de Wehrmachtsoldaten uit te nodigden zich over te geven. Zo had iedereen zijn eigen verhaal.

Eindelijk was dan alles en iedereen weer terug in de bunker en de orde hersteld. De Sanitäter Jansen verzorgde de gewonden en de rust keerde weer. Nu had ik eindelijk tijd mijn pakje te voor schijn te halen en te kijken wat de inhoud was. Tot mijn en onze grote verrassing was dit een heel doosje Player sigaretten van twintig stuks. Op slag wilde de hele bunker mijn vriend zijn. Vliegensvlug had ik een klein rekensommetje gemaakt. Een half brood waren drie sigaretten. Twintig sigaretten waren dus zeven halve broden. Maar ik had mijn verplichtingen. De vijf S.S.mannen en ik hadden een verbond. Alles wat georganiseerd kon worden door ons zessen, zou broederlijk onder ons verdeeld worden. Dat was afspraak en zij hadden altijd woord gehouden. Toen ik uit die staande doodskist getuimeld was, hadden zij mij eerlijk mijn deel van een dag organiseren gegeven. Omdat de meeste bunkermannen roken boven eten verkozen, werden de sigaretten tegen brood omgeruild. Een sigaret voor de helft van het halve brood; de dagprijs, drie sigaretten voor een half brood, vroegen wij uit principe niet. Wij vonden dat de man die zo graag rookte niet meteen zijn hele dagrantsoen mocht verruilen, wat gedaan werd om wat te roken te hebben. Deze verslaafden kon men direct uit de meute herkennen; zij waren inderdaad vel over been, af gemagerd tot en met. Als het halve brood was uitgereikt en deze verslaaf den hun drie sigaretten hadden gekregen in ruil voor hun dagrantsoen, zaten ze op hun hurken tegen de muur en deden hun eerste trekje en inhaleerden diep.Van een sigaret werden drie kleinere gedraaid met behulp van een vlossig W.C.papiertje. Ik had altijd weer diep medelijden met deze stumpers. Maar wat kon ik er aan doen? Deze mannen hadden alle weerstand verloren, zij vochten niet meer tegen hun noodlot. Hun enige ideaal was het vlossige sigaretje. Zij lieten zich ook willoos aframmelen, weerden de slagen, trappen en stompen niet af, maar ondergingen het geheel apathisch. De sigaret was hun enige troost. Daar hadden ze alles voor over. Ik geloof zeker dat ze zelden brood voor zich zelf hielden en opaten.

Er was weer een nieuwe ontvluchtingspoging uitgewerkt en aanvankelijk zou ik ook mee gaan, maar achteraf was het plan me toch te gewaagd. Al weken was er over nagedacht, maar er doken steeds nieuwe moeilijkheden op. Het onderdeel om via een luchtkoker op het dak te komen, was niet zo moeilijk. Maar als wij, vier personen op het dak van de bunker zaten, wat dan? Die wachten stonden er toch niet voor niets. Voor een man zou het misschien nog lukken om dan ongezien weg te komen, maar vier, nee daar geloofde ik niet in. Dit was te riskant en ik dacht aan die Limburger, die bij onze vlucht een maand geleden in dat net van prikkeldraad was blijven steken. Hoe die wacht was gekomen en er maar op los geknald had. Nee, ik moest hier niet aan denken. Er uit breken was prachtig, maar er moest wel een redelijke kans van slagen zijn. Dus zou ik niet mee gaan, maar bleef wel in het comité, gaf goede raad en bijstand en bleef op de gevaren hameren. Drie man wilden gaan als het tijdstip gunstig was.

Dat tijdstip, meenden zij, was gunstig op een koude regenachtige, donkere avond. De wachten zouden, in hun driehoekige regencape gehuld zeker niet de hele nacht naar dat donkere dak zitten staren. Dus nu of nooit. De drie mannen waren op van de zenuwen, toen het plan van start ging. Ik zou bok gaan staan onder die luchtkoker. De eerste man zou dan op mij klimmen, de tweede weer op de man, die boven op mij stond en dan door dat luchtgat op het dak klauteren. Zat hij eenmaal op het dak zou hij zijn twee makkers ook naar boven trekken. Er waren een paar gevangenen, die nog niet in de slaapzaal waren en ons bezig zagen. Die wilden nergens mee te maken hebben en stoorden ons verder niet. De poging mislukte al, voor ze eigenlijk begonnen was. Toen de eerste man halfweg in die koker stak, het bovenlijf buiten, het onderlijf nog binnen, kon hij noch voorwaarts, noch terug. de koker was te eng. met drie man stonden we onder dat gat aan de man zijn benen te trekken. Er kraakte iets buiten op het dak. Een latje of plankje schoot los en gleed langzaam het dak af. Als die wacht nu nog niets merkte, was het toch wel een hele grote sufferd. Die man, die met zijn bovenlijf boven uit de koker stak, moest nu stante pede terug getrokken worden voor die wacht zou gaan schieten. Maar het was al te laat. Buiten ging plotseling een heel salvo af. De man op het dak gilde en kermde en wij trokken uit alle macht aan die bungelende benen, die nog in de bunker hingen. Maar hij zat muurvast en buiten kwam een half regiment soldaten opdraven, dus: “Weg hier!” te helpen was onze kameraad toch niet meer. Terug in de slaapzaal op onze krib en zich van de domme houden. De man onder mijn krib, die natuurlijk van de voorgenomen vlucht alles wist maar zich ook afzijdig had gehouden, wees zwijgend naar mijn schouder, toen ik gehaast in de slaapzaal kwam stuiven. Wat nu weer? Ik keek waarnaar die vinger zo dreigend wees. Verdomme! Op de ene schouder van mijn Zebra-jasje waren verse, rode bloedvlekken. De eerste soldaten schoten de bunker al binnen, want van dat daar buiten uit dat gat op het dak stak, moest de andere helft hier binnen hangen. Die bloedvlekken moesten eerst van mijn “Uniform” weg, dat eerst en voor al. Maar hoe? Als er straks inspectie kwam en dat zou zeker gebeuren, was ik de klos. Wanhopig trok het jasje uit en begon in alle haast met het bloedbevlekte schouderstuk over de cementen vloer te wrijven. Daardoor verdwenen de verraderlijke vlekken, maar de schouder van mijn Zebra-jasje zag er op die plaats uit, als door motten stuk gevreten. Ondertussen was de barak 40 a vol soldaten. Ze keken naar die halve figuur, die nog altijd in dat luchtsluisje hing. Dan werden wij naar buiten gejaagd. Dat was te verwachten. Er zou een appel gehouden worden. De man die zou ontbreken, hing nog altijd in dat luchtgat. Zo stonden we buiten in de donkere koude nacht en het regende. Binnen was men met de vluchteling bezig. Het duurde lang voor er een brancard kwam om de man af te voeren. Een zekere Gerritsen uit Tilburg, (men zei dat het een oom was van Hansje Gerritsen) politieman en S.D. agent was verstijfd van kou, voorover gevallen. Een wacht was er bij gesprongen, had wat trappen en schoppen uitgedeeld om de man weer overeind te krijgen, maar de man bleef versuft liggen. Nou dan bleef hij maar liggen. Het zou die wacht verder een zorg zijn.

Hoelang stonden we daar al? Dat was moeilijk te zeggen. Niemand van ons had nog een horloge. Die waren in beslag genomen. Achter mij ging weer iemand van de sokken. Weer een soldaat er bij die met trappen en schoppen de echtheid van dat flauwvallen controleerde. De man was geen simulant, dus mocht hij blijven liggen en nat worden. Eindelijk kwam er een jeep de binnenplaats oprijden en de vluchteling, gewikkeld in een stuk deken werd opgeladen. Met hem verdwenen ook een “Officier?” de aalmoezenier en ander tuig. Zouden wij nu eindelijk weer naar binnen mogen? Maar niets daarvan. Eerst moest er van alles uitgezocht worden. “Zij die van plan geweest zijn, om tegelijk met deze man, uit te breken: Een pas voorwaarts!” Ik was dit niet van plan geweest dus bleef ik staan. Men kon er donder op zeggen, dat ieder die zich meldde, half dood werd geslagen. De twee anderen, die wel hadden willen uitbreken, speelden ook stommetje. Toen werd bekend gemaakt, dat wij hier net zo lang zouden moeten blijven staan, totdat de medevluchtelingen zich gemeld hadden. “Al zou dat de hele nacht duren!” Zij, de bewakersoldaten, hadden tijd genoeg om zich aangenaam bezig te houden. Zij liepen, razend en tierend tussen de vier rijen mannen door, sloegen willekeurig iemand ondersteboven, omdat hij niet goed en kaarsrecht in de houding stond of stompte met de kolf van het geweer of de stengun deze en gene in de rug. “Dat hebben jullie bij de S.S. toch wel anders geleerd!” Toen er verschillende mannen tegen de grond geslagen of gestompt waren, meldden de twee vluchtelingen zich. Als we gedacht hadden, dat wij nu weer naar binnen mochten, hadden we dat helemaal mis. Men zou ons laten voelen, wat ons te wachten stond, als wij het ook in onze rotkoppen zouden krijgen te proberen te ontvluchten. In het oosten werd het al licht en nu konden wij de twee slachtoffers, zij die ook hadden geprobeerd te ontvluchten, ook zien. Voor die tijd hadden wij ze alleen maar horen gillen, krijsen, steunen. Onder leiding van een zestal bewakers werden ze over het terrein heen en weer gecommandeerd. Liggen! Opstaan! Hollen! Neervallen! Kikkeren en kruipen! Door de modder en speciaal door de plassen en dat allemaal gepaard gaande met stokslagen, trappen, schoppen en stoten met geweerkolven. Eenmaal in zo’n diepe plas aangeland, schoten de helden toe en trapten met hun grove soldatenschoen het slachtoffer met hun gezicht in de vuile plas. Het water broebelde wat en de man boog zijn gezicht opzij’ om niet in die plas te verzuipen. De overige gevangenen keken toe en werden “Heropgevoed!” De ene kon niet meer, hij was finaal op en bleef liggen daar waar hij lag, namelijk in een diepe modderplas. “Allee slome S.S. er, opstaan, dat zijn we niet van jullie gewend; jullie zijn toch keiharde kerels!” Maar het baatte deze keer niet; er was geen beweging meer in de man te krijgen. Goed dan; hij kon blijven liggen waar hij lag; ze hadden nog een tweede man, waarmee het spelletje verder gespeeld kon worden.

Voor de twee vensters van ons dagverblijf stond een idyllisch bankje, dat tot rust nodigde, maar bij mijn weten heb ik nooit een bewoner van de barak 40 a op dat bankje zien zitten. Soms zat er een bewaker een sigaretje te roken en even uit te blazen van zijn zware taak, een hele compagnie S.S. ers te moeten bewaken.

Het tweede slachtoffer werd op dat bankje gehesen, zodat hij voor de hele aangetreden troep medegevangenen goed zichtbaar was. Hij moest op dat bankje blijven staan en zo lang hij door twee wachten overeind werd gehouden, lukte dat wonderwel. Vergat een bewaker dat de man zijn steun beslist nodig had en wou hij even weggaan, zakte de man aan die kant in elkaar en de bewaker aan de andere kant moest zijn kameraad dan weer terug roepen, omdat anders de man van dat bankje zou zijn getuimeld. Voor de heropvoeding waren stenen nodig, maar die kon een derde man wel aanvoeren en het slachtoffer kreeg twee van die zware trottoirtegels in de handen gedrukt en moest nu deze stenen boven het hoofd drukken en mooi daar houden. Hoewel onze man, die twee trottoir tegels, in elke hand een, toch nog met veel inspanning boven het hoofd kon drukken, kon hij die pose niet lang volhouden. Ook daar wisten onze “Heropvoeders” raad op. Toen de veel geplaagde en gekwelde man voor de zoveelste maal die tegels weer liet zakken, werden twee Engelse karabijnen aangevoerd. Op deze karabijnen werden puntige bajonetten gezet en onder de armen van de man geplaatst. Zo bleven die twee stenen mooi omhoog en ieder was tevreden. Je moet maar op het idee komen. En wij stonden dat allemaal, in de houding aan te zien; het hoorde allemaal bij onze “Heropvoeding” om in de trant van onze soldaten-bewakers-heropvoeders te spreken.

Dit hoorde we steeds weer als de bewakers voor de zoveelste keer tussen al die gevangenen hun vroegere kampbeul meenden te hebben gevonden en in lyrische opwinding, soms met het schuim op hun lippen, in heilige toom verklaarden: “Jouw rotbakkes, smerige S.S.er, verrekte kampbeul, zal ik nooit en nooit meer vergeten; jouw tronie staat voor eeuwig in mijn hersens gegrift!” Meestal kwamen ze er later achter, dat de bewuste man geen kampbeul geweest kon zijn en zij zich toch even vergist hadden. Dat de man idem zo veel keren rot geslagen was voor die vergissing, deed er minder toe. Wij moesten toch heropgevoed worden.

Die man op dat bankje voor de barak 40 a zal ik nooit vergeten. Zo in de vroege morgen, dat kapotte gezicht, met modder en slijk besmeurd, een oog dichtgeslagen, die wankelend met zijn laatste krachten probeerde die twee zware stenen boven zijn hoofd te drukken. Onder de spierbundels van zijn beide armen die twee geweren met die spitse bajonetten en dit hele tableau ondersteund door twee soldaten van “Herrijzend Nederland”. De bewakers, die soldaten, die tronie’s kan ik mij niet meer voor de geest halen. Er waren er te veel om die allemaal te onthouden. Het ging ook niet om die bewakers, opgelierde kerels, die in het kamp Vucht vrij spel hadden om hun opgekropte haatgevoelens, terecht of ten onrechte, lucht te geven. Het ging om de gevolgen van die toomloze haat, waarvan wij hier de gevolgen zagen. Was dit de zo lang beloofde en gehoopte bevrijding? Hoeveel mensen, schuldige, min der schuldige maar ook totaal onschuldige waren er bij de bevrijding uit hun huizen gesleurd en gevangen gezet? Niemand zal dit getal ooit te weten komen. Van de andere kant probeerde de journalistiek cijfers over de gruweldaden der Duitsers tot een record hoogte op te drijven. Hoe meer er van die kant met cijfers gegoocheld werd, des te brutaler de soldaten-bewakers werden. De verhalen van wat de Duitsers allemaal gedaan zouden hebben, (voor ons dus van horen zeggen) en dat wat die troep, die soldaten van Oranje met ons meenden uit te moeten halen (wat wij aan den lijve ondervonden) bleef voor ons hetzelfde. Die hele “Heropvoeding” werd hiermede een “Farce!”

En wij stonden daar maar, de hele nacht door, in de regen en de kou, stram in de houding die hele vertoning aan te zien. Zij die van uitputting omgevallen waren, lagen zoals ze gevallen waren. Zo nu en dan kwam er een soldaat, die het slachtoffer een trap of schop gaf, om te kijken of de man werkelijk van de sokken was of maar deed alsof, om eindelijk wat rust te hebben. Liggen is altijd nog beter als staan. En nu was het volop morgen. Onze benen hadden geen gevoel meer; onze armen hingen loodzwaar langs ons lijf; onze koppen gonsden en eigenlijk waren we helemaal op. Alleen nog een gedachte; tenminste bij mij. Een alles overheersend haatgevoel tegen alles en iedereen die zich met onze heropvoeding bezig hield.

Maar de vertoning ging verder. De man op het bankje zakte verder in elkaar; die puntige bajonetten scheen hij niet eens meer te voelen. Hij werd alleen nog overeind gehouden door die twee soldaten, die hem dapper flankeerden. Een tegel gleed uit zijn krachteloze hand en de andere volgde meteen. De man moest inderdaad bewusteloos geraakt zijn. Want toen zijn twee begeleiders hem loslieten, donderde hij voorover van dat bankje af en bleef daar als een zoutzak liggen. Het mooie stukje speelgoed was kapot, wou niet meer meespelen en de kerels hadden er honger van gekregen. Het appel werd opgeheven en men begon ons naar binnen te drijven. Deze keer met meer succes als anders. Onze benen tintelden; de armen waren nog niet in staat om de slagen voldoende op te vangen en af te weren en wij reageerden ook minder snel op de dreigend opgeheven stokken. Van de andere kant voelden wij er ook minder van, we waren te veel versuft. Omdat het volledig morgen was geworden; was het verboden om in de slaapzaal te gaan, dus moe als we waren, zakten wij in het dagverblijf op de cementen vloer om wat bij te komen. Vijf of zes man waren aangewezen om de bewusteloze makkers, die tijdens het lange, nachtelijke appel van de sokken waren geraakt, naar binnen te slepen. De meesten konden na overeind te zijn geholpen, nog op eigen kracht naar binnen strompelen. De anderen waren zo verstijfd van kou, dat ze naar binnen gedragen moesten worden. Die hebben wij, hoewel het verboden was, toch maar in de slaapzaal op hun krib gelegd.

Na een koude nacht met veel regen en plensbuien, begon nu buiten de zon te schijnen. Als wij nu eens naar buiten mochten, lekker lopen of draven in die warme zon. En dat mocht. Tegen de middag werden we weer naar buiten gedreven en het spel naar en van de “Herakles” begon weer. Voor de zoveelste keer naar onze b1oedakker. Een hele delegatie van persmensen stond daar al op ons te wachten. Weer van die doodvermoeiende spelletjes. Robben, kikkeren, kruipen en andere onmenselijke oefeningen, vooral na zo’n zware nacht. De persmensen maakte ijverig foto’s en menige bewaker voerde zijn drama op van: “Een soldaat ontmoet zijn vroegere bewaker!” Dat ging er bij die persmensen in als koek. Deze keer werden we niet, spitsroede lopend naar binnen gedreven, maar moesten buiten blijven staan. De hele pers was ons achterna gekomen, want ze wilden nog enkele rotkoppen fotograferen om de vrije burger in het bevrijde Nederland een indruk te verschaffen, welk smerig tuig in het “Interneringskamp Vucht opgesloten zat. Zoekend liepen ze voor en door de rijen S.S.ers, kampbeulen, S.D.ers of ten minste wat daarvan verdacht werd. Ik was razend. Natuurlijk hadden wij rotkoppen, wie zou die niet hebben, na maanden zo onmenselijk “Heropgevoed” te zijn. Ik kon die kerels wel aanvliegen. Juist daarom bleef zo’n fotograaf voor mij staan en wilde “De foto van de week!” maken. “Denkt er goed aan!” beet ik de man toe, “U maakt de vergissing van Uw leven. Ik ben helemaal geen S.S.man, kampbeul of iets dergelijks”. Een wacht schoot toe en gaf me een ongenadige trap. “Kop dicht, landverrader; er is jou niets gevraagd!” En de fotograaf maakte zijn foto. Nadat dat tuig voor eeuwig op de plaat was vastgelegd, vertrokken die persmensen weer. Toen moesten wij de barak weer in. Ik was brutaal geweest tegen mijnheer de fotograaf en daarom was ik bij het spitsroede lopen, terug in de barak, speciaal de klos. Op mij hadden die slaande, trappende en houwende wachtmannen het deze keer extra voorzien, maar toch wist ik zonder al te veel te moeten incasseren binnen te komen. Aldoende leert men.

In de barak 40 a zat ook de beruchte S.D. Agent Gerritsen uit Tilburg (nog familie van Hansje Gerritsen, de grote verzetsheld van de in Oisterwijk tijdens de bezetting ondergedoken jonge mannen) Op een keer, we zaten braaf in de bunker te zitten, kwamen de soldaten weer aanstuiven. Alles en iedereen vloog verschrikt recht en in de houding. Dat was ons al zo dikwijls op een zeer hardhandige manier bijgebracht, dat we dat wel kenden. Enkele van die kerels bleven buiten staan, betrokken de wacht om te zien of er geen aalmoezenier zou komen, wat eigenlijk nooit gebeurde, maar men kon niet weten. De onmisbare stengun werd van buiten af tussen de tralie’s door naar binnen gestoken, om de in de bunker gestormde kameraden wat dekking te geven, om zo nodig muiterij en opstand te voorkomen. De binnengekomen soldaten waren Tilburgers, naar hun dialect te oordelen. “Waar is onze lieveling Gerritsen? God hier en daar!” Iedereen keek schuw rond, maar Gerritsen was er niet, lag versuft op zijn krib in de slaapzaal, na de “Heropvoedende” behandeling van de vorige nacht. “Kunnen jullie geen antwoord geven, als een soldaat van Oranje wat vraagt?” De dichtstbijzijnde man kreeg meteen een klap in het gezicht, zodat hij over de vloer tuimelde. “Doe Godverdomme jullie smerige smoelen open, of moet ik ze open slaan?” Met de ene hand beschermend voor zijn gezicht, wees de aangesprokene vertwijfeld met de andere hand zo maar wat rond. Of hij Gerritsen kende of niet, er moest, onder dreiging van vuistslagen en trap pen, iemand worden aangewezen. Dus de man wees. “Daar! daar!” en hij wees naar een hoek van het vertrek. Daar trokken de bewakers op af. “Ha, daar hebben we je! Ga recht staan kerel als wij tegen je spreken, vuile ploert, ellendeling, tuig, verrader!” Meteen regende het vuistslagen en trappen. De man, die Gerritsen niet was, meende dit te moeten zeggen, maar de schoppen, trappen en slagen kwamen zo snel, dat hij meteen al tegen de vloer tuimelde. “Daar, vuile Moffenknecht, rotzak, beul!” er volgde een harde trap in het kruis van de op de grond liggende man. In heilige verontwaardiging en met overslaande stem, ging de kerel verder:

“Je wou ontkennen, niet?. Dacht jij nou dat ik jouw gore bakkes vergeten was. Jouw vuile smoel staat voor eeuwig hier ingebrand!” en hij tikte met zijn vinger tegen zijn voorhoofd. “Weet je nog hoe jij mij achterna hebt gezeten, toen en toen en toen? Maar de wraak is zoet, kerel. Ik zal jou, God hier en daar!” Slagen, schoppen en trappen. “En natuurlijk ben je onschuldig, zoals jullie hier allemaal onschuldig zijn!” Er volgde nog meer fraai’s waar de “Vermeende Gerritsen” zich aan had schuldig gemaakt. “Ik zal jouw gore tronie altijd weer uit duizenden andere smoelen terug kennen!” De soldaat zat nu op zijn knieën bij zijn op de grond geslagen slachtoffer, om hem beter te kunnen raken. Maar het slachtoffer weerde de slagen en trappen al niet meer af. Hij liet zich willoos slaan. Totdat de andere soldaten, buiten met de loop van hun schiettuig op het venster tikten. Er was onraad. Nog vlug een harde trap, men spuwde nog eens verachtelijk naar de weerloze man op de grond en weg waren ze weer.

Iemand van ons werd gek. Al een paar dagen hielden we de man in de gaten. Eigenlijk was het een vreemde figuur, altijd alleen, zocht met niemand contact en zat maar ergens te zitten. Maar plotseling had de man kuren. Als hij het weer kreeg, kwam hij plotseling op zo maar iemand toe geslopen, vloog dan plotseling de man aan de keel en wilde hem wurgen. Overdag in de bunker was dat niet zo erg. Als hij zo’n wurgneiging kreeg en op zomaar iemand af vloog, waren we allemaal paraat en trokken wij de man van zijn vermeende tegenstander weg, gaven hem een opdonder en dan kalmeerde hij wel weer wat. Maar ook ‘s nachts in de slaapzaal sloop hij rond en altijd weer nam hij iemand te pakken. Wij werden dan wakker en met vereende krachten, werd hij dan van zijn prooi afgetrokken en weer gekalmeerd, door een paar harde grepen of slagen. We leerden er mee leven. Ook de bewaking kwam daar op een of andere manier achter. Dat hebben ze heel mooi uitgebuit. Weer een nieuw spelletje dus. De soldatenbewakers kwamen de bunker in en riepen de gek op appel. Hij moest mooi in de houding voor de soldaten komen staan. Wij stonden tegen de muur en samen met de soldaat bewaker macht hij dan zijn slachtoffer, een vermeende tegenstander uitzoeken. Het was altijd een gok wie hij kiezen zou. Zoals al gezegd: De man was gek, echt gek. Maar als hij eenmaal een vermeende tegenstander had gevonden, mocht hij zijn gang gaan van die soldaten. Het werd een echt gevecht. De gek wilde een van ons dan werkelijk de keel toe te knijpen. Zijn tegenstander voelde daar niets voor en weerde zich zo goed mogelijk. Wij stonden in de houding dat idiote spelletje aan te zien. De twee rolden over de vloer en de bewakers hitste de gek nog meer op. Het schuim stond op zijn lippen en de tegenpartij had soms de grootste moeite om die waanzinnige van zijn lijf te houden. De tegenstander wilde die idioot niet echt hard terug te slaan. Hij wist immers niet wat hij deed, hij was echt gek. Uiteindelijk is die man dan toch afgevoerd. Door dat spelletje onder leiding van die bewakers, werd zijn toestand steeds erger. Eenmaal had hij zelfs een bewaker aangevallen; beide handen zaten als een schroef om de keel van zijn nieuwe slachtoffer en met moeite konden de toegeschoten bewakers hun kameraad bevrijden. Vier bewakers hielden de uitzinnige man vast, totdat er een jeep kwam, die hem oplaadde en meenam.

De soldaten van Oranje waren erg trots op hun mooie nieuwe uniform. Hun schoenen waren altijd mooi gepoetst, de korte beenkapjes, soms uit ieder, soms uit linnen, zaten keurig om hun benen gegespt. En dan de soldatenbroek. De pijpen waren in de beenstukken gestoken en dan moest de broek netjes in plooien omlaag uit die beenstukken hangen. Om dat helemaal tot zijn recht te laten komen, hing men in de broek een verzwaring, een stukje fietsketting of iets dergelijks. Wij in de bunker wisten niets van dit hulpmiddel om een soldaten uniform naar de laatste voorschriften tot hun recht te laten komen. Totdat er weer eens een soldaat was, die om een of andere redenen een appeltje met iemand uit de bunker te schillen had. Dat appeltje was zo groot, dat dat onder vier ogen gebeuren moest. Het was al donker en het slachtoffer werd mee naar buiten genomen. Wij hoorden het slachtoffer uitzinnig gillen en te keer gaan. Die wordt weer eens vakkundig “Heropgevoed” dachten wij en waren blij, dat wij het niet waren, die daar buiten zo ongenadig mishandeld werd. Maar morgen of overmorgen kon een van ons het zijn, die “Ondervraagd zou worden. Plotseling hield dat uitzinnige kermen en gillen buiten op. Er werd gedraafd en geslagen; wij hoorde de bewaker zijn bevelen schreeuwen en vloeken, maar het slachtoffer hoorden we niet meer gillen. Wel lopen en schor hijgen. Dan kwamen ze beiden weer in de bunker terug. Het slachtoffer met de handen omhoog, helemaal onder modder en slijk en totaal uitgeput. De soldaat had een soort ketting in de hand en zijn ene broekspijp hing uit zijn beenkap. De mishandelde man moest voor de soldaat op zijn knieën komen zitten, zijn armen voor zich op de grond steunen, zodat hij een soort voetbankje was. Daarop plaatste de soldaat het been met de loshangende broekspijp. Hij begon die ketting terug in de plooien van die broek te hangen en de beenkap weer vast te gespen. Toen die broekspijp naar genoegen uitplooide, kreeg de knielende man nog een gemene trap, zodat hij vanuit die knielende houding, door de zaal rolde en de soldaat vertrok. Daarna gingen wij onze kameraad overeind helpen. Hij was er erg aan toe. Wild gesticulerend en hijgend probeerde hij ons iets te vertellen, maar verder als wat ademstoten en hees gehijg kregen wij niet uit hem. Wel beduide hij, door eerst naar zijn nek te grijpen en te wijzen, dat hij daar vooral geslagen was. Er waren inderdaad blauwe en rode striemen te zien. En die logen er niet om. Dan probeerde hij ons nog duidelijk te maken met allerlei gebaren, dat de brave soldaat daar voor iets uit zijn broekspijpen had gehaald en daarmee op hem, het slachtoffer had los gebeukt. Toen begrepen we het. Wij hadden allen gezien, hoe hij een soort ketting weer terug in zijn soldatenbroekspijp gefrummeld had. Onze kameraad was helemaal van de kook. Steeds weer probeerde hij ons iets duidelijk te maken, maar hij kon alleen wat hees gefluister en onverstaanbaar gehijg voortbrengen. Morgen zou het allemaal wel weer beter gaan, dachten wij. Maar die morgen bleef de man stom op wat ongearticuleerd hijgen en steunen na. Waarom zei de man niets? Hij kon ons toch wel vertellen wat er gebeurd was. Maar hij bleef stom. Het ging niet over. Simuleerde die kerel nu of kon hij na die “Heropvoedende “ les werkelijk niet meer praten. Dat zouden we gauw weten. Toen hij sliep smeten we hem plotseling een hoos koud water over hem uit. Hij werd verschrikt wakker, begon te hijgen, stootte allerlei geluiden uit, maar verder niets. Geen zinnig woord kwam over zijn lippen. Als de man simuleerde, deed hij dat toch wel verrekte goed. Wij hebben hem nooit meer horen praten.

Van de kameroudste, de heer Witteveen kreeg ik in die dagen een officieel papier uitgereikt. Hij had dat op het bureau gekregen om het aan mij door te geven. In de Kop van dit officiële papier stond met grote letters getikt: “MILLITAIR GEZAG”. Verder stond in het papier, dat ik, om de veiligheid van de staat te waarborgen was geïnterneerd. De reden waarom ik zo nodig opgesloten moest worden, was niet vermeld. Eindelijk, na acht maanden gevangen te hebben gezeten, had ik, zwart op wit, de mededeling, dat ik opgepakt moest worden en onverwijld naar kamp Vucht te moeten worden overgebracht. Ik was mijn tijd ver vooruit, want daar zat ik al sinds maanden. Welke proleet dat gewichtige document had samengesteld, en “Millitair” met twee L’s had geschreven is onbekend. Dat deze fout ook verder niet door de ondertekenaar van dat gewichtige “Militaire Gezag”, was opgemerkt, was toch wel zeer frappant en deed mijn minachting voor deze heren nog groeien.

Mijnen prikken.

Het Nederlandse grondgebied was ondermijnd. Nog overal in het land lag dat materiaal in de grond gegraven en vooral de Duitsers hadden er een handje van gehad om over wegen, weggetjes en terreinen, diverse soorten mijnen te verstoppen. Die lagen nog steeds goed verborgen en er geven soms nare ongelukken. Engelse en Amerikaanse legeronderdelen bemoeiden er zich niet mee. Zij hadden ons bevrijd en de rest moesten we zelf maar opknappen. Het nieuwe leger van Herrijzend Nederland werd daarmee belast. Dat was een oplossing. Dit leger beschikte in de diverse kampen overal in den lande over honderden opgesloten S.S. ers en verder tuig, dat, hoewel nog niet veroordeeld en dus nog niet schuldig bevonden, uitstekend materiaal was, om onder leiding, deze mijnen. en mijnenvelden te gaan opruimen. Toen in de barakken 40 a+b bekend werd dat, zolang de voorraad strekte, d.w.z. zolang de bewoners van deze barak niet allemaal in de lucht zouden zijn gevlogen, wij tot de laatste man, hiervoor gebruikt zouden worden. Voor de S.S. mannen en andere leden van de Wehrmacht, was dat niet zo’n probleem. Zij kenden de verschillende Duitse mijnen en konden er, als het zijn moest ook wel mee omgaan (demonteren). Toen er ook een paar collaborateurtres werden aangewezen, met de gedachte dat alles wat in de bunker huisde ook automatisch bij de S.S. was geweest, scheten die kleine mannetjes van schrik bijna in hun broek. Wat nu? De lijst van de ploeg mijnenopruimers was al bekend en morgen zou het contingent ingezet worden ergens in Brabant. Toen het uitlekte dat, dat ergens, Oisterwijk zou zijn, was mijn plan gereed. Zo het bureau de namen dan al mocht kennen; de gezichten zeker niet. Ene zekere Pietersen stond op de lijst, maar als Paijmans nu “Ja” riep als Pietersen werd afgelezen, zou dat niemand merken. Tenminste. de wachten niet. De mannen in de bunker zouden wel zwijgen.

In de vroege morgen kwam er een vrachtwagen de binnenplaats van de bunker oprijden. Voorin de chauffeur en iemand die bij het soldatendom een rang had. Achterin zes bewapende soldaten, die er niet om logen. Tot de tanden toe bewapent. De hele barak werd naar buiten gecommandeerd en de man met een rang trok een papier te voorschijn, wat de appellijst van de mijnenploeg was. Aan zijn uniform en versierselen te zien, was het een “Officier”, maar aan de taal die hij uitsloeg, een Zeeuwse boer met zeven paarden uit de klei getrokken. Eerst begon hij ons uit te leggen dat, dat mijnen zoeken twee nuttige effecten had. Een: het opruimen van mijnen! Twee: het opruimen van dat tuig hier! En als we dat nog niet begrepen zouden hebben, voegde hij er bij, dat hij hoopte dat wij met dat mijnen prikken allemaal in de lucht zouden vliegen. Dan begon hij de namen voor te lezen. Ondertussen was de achterklep van die vrachtwagen al opengegooid en de zes bewakers stelden zich zo agressief op, dat we wel begrepen, dat wij zonder de nodige slagen en trappen nooit in die vrachtwagen zouden komen. Onnodig te vermelden, dat we nog niets gegeten hadden. De “Officier” hoopte, dat het halve brood dat voor ons bewaard zou blijven tot onze terugkeer uit het mijnenveld, voor vele niet meer nodig zou zijn. Zeven bunkermannen waren al in de wagen geranseld toen de naam Pietersen gebruld werd. Ik riep present, deed een stap voorwaarts en werd ook in de wagen gedreven. Er stonden langs de wanden houten banken, maar geen van de Zebra’s durfden daar op plaats te nemen. Wij wisten vooruit dat we daar toch afgeranseld zouden worden. Eindelijk waren de twintig mannen naar binnen gejaagd, de zes wachten kwamen er ook nog bij en daar gingen we. Twee bewakers zaten voor de klep, de andere vier op de houten banken. Om indruk te maken werden de stenguns en geweren tijdens de rit steeds weer op scherp gezet. Het was toch zo’n heerlijk speelgoed voor die kwajongens. Een wacht was zo leuk ons voor de keus te stellen. Nu en hier er uit springen en een paar kogels door de kop krijgen, wegens een vluchtpoging, wat eigenlijk toch een eervolle dood was, of op het mijnenveld op een mijn trappen en in duizend stukken door de lucht te vliegen.

In draaien en bochten reed de wagen extra snel in de hoop dat de inhoud van de laadbak op de vloer terecht zou komen. Dat kunstje ging niet op; veertig benen vormden een gesloten blok en vonden voldoende steun aan elkaar om niet languit in die laadbak neer te komen. Soms waaide de zeildoeken klep wat omhoog en keken wij naar buiten in de zomer en zonneschijn, groene bomen, weilanden en korenvelden en hier en daar een huis of boerderij tussen al dat groen. In Oisterwijk waaide de klep ook even terzijde en zag ik iemand de straat oversteken. Wat een vrijheid; zomaar op de straat kunnen lopen en doen waar men zelf zin in had. Ik dacht wel te weten waar wij heen werden gebracht. Naar het Merkur-Lager, een oude munitieopslagplaats van de Wehrmacht, omheind met prikkeldraad en een strook niemandsland, waarop landmijnen moesten liggen. Ook die mijnen kende ik wel; het waren glazen potten met een chemische ontsteking. Wij hadden, tijdens de oorlog wel eens van die mijnen opgegraven, omdat die glazen potten overal voor gebruikt konden worden. Ik kende zelfs een boer, die in die schalen zult had gemaakt. Maar hoe gevaarlijk waren ze eigenlijk, nu wij hier onder leiding, deze apparaatjes uit de bodem moesten gaan halen. De wagen stopte en wij werden naar buiten geschopt. Eerst moest ik even heel diep ademhalen. Ik stond hier in mijn bekende bossen. De zon scheen, een zachte wind ruiste geheimzinnig zoevend door de dennenkruinen hoog boven me, en ik voelde mij heel erg gelukkig.

De “Officier” had een hele bundel ijzeren stokken met een houten handvat er aan. Elke Zebraman kreeg een dergelijke stok toegesmeten en dan werden we in een rij op die baan niemandsland opgesteld. Met twintig man bestreken wij de hele breedte. En nu “Voorwaarts-Mars!” al prikkende met dat ijzer voor ons in de bodem. Zo wij al prikkende op iets hards zouden stoten, moesten wij “Stop!” en “Mijn!” roepen. Daarop kon de bewaking zich in veiligheid brengen en dekking zoeken. De man, die op iets hards had geprikt, moest neerknielen, met zijn blote handen de “Mijn” of wat het dan ook mocht zijn, uitgraven en zo nodig demonteren. Hoe wij moesten demonteren, was ons niet verteld; daar wisten die wachten, noch die “Officier” iets van; dat moesten we zelf maar uitvinden. Vandaag zouden we ongeveer tweeduizend meter moeten afprikken en zo we dat niet haalden, moesten de onafgeprikte meters “afgedanst” worden. Dus “Van hand in hand kameraden!” en in looppas over de nog niet af gezochte strook hollen. Als daar mijnen lagen, zouden we dat wel merken. Maar dat kon bij mij de pret niet drukken. Ik was weer in Oisterwijk, in de heerlijke koele bossen. De dennen zoefden zachtjes in de kruinen, het mos was heerlijk zacht onder onze voeten, vogels floten, bijtjes zoemden, kortom, ik kon mijn geluk niet op. Ik zou elke schorsige den wel kunnen omarmen. Als wij op een mijn zouden trappen, dan hadden we pech, maar het was altijd nog beter hier in deze heerlijke bossen naar het Walhalla te vertrekken dan in de barak 40 a doodgeknuppeld te worden.

Er kwam een man op de zandweg gefietst en toen hij daar die Zebra’s zag rondhuppelen, moest hij dat toch even van dichtbij bekijken. Toen die man mij herkende, schrok hij geweldig nu hij mij zo in dat Zebrapakje zag ronddollen. Eerst wilde hij op mij toerennen, maar bedacht zich vanwege dat mijnenveld en deed angstig een paar passen terug, liep dan haasje repje terug naar zijn fiets en na even verdwaasd tegen mij gezwaaid te hebben, verdween hij haastig. Het was Marinus van den Boogaard, een kastelein van een bekend kroegje in Oisterwijk. Even, heel even had hij ook vast gezeten na de bevrijding, waarom? Niemand wist dat, plotseling was hij opgebracht. Maar Marinus vond die “Kwajong” levensgevaarlijk, daar moest de politie naar kijken, vond hij en ging weer naar huis. De toegeschoten wacht, die hem wilde tegen houden, veegde hij met een breed gebaar van zijn harige kasteleinsarmen weg en verdween. En bleef weg, dat was wel het merkwaardigste van het hele geval. Dat zat dus wel goed. Hij zou beslist thuis gaan vertellen, dat ik hier in gevangenenkleding mijnen liep te pikken.

En wij prikten verder. Plotseling riep mijn buurman: “Stop-Mijn!” waarop de hele bewaking liep wat ze lopen kon. Ze doken, de “Officier” voorop, in een slootje en hielden ons vandaar onder schot. Mijn buurman, een echte S.S. er, knielde neer, omwoelde met blote handen de bodem en bracht voorzichtig een houten plankje naar boven. Daar onder zat een vernuftig mechaniekje van dun glas. Wanneer men op dat plankje trapte, dan zou dat glaasje breken, de vloeistof zou over de bom lopen en exploderen. Mijn nevenman wist dat ik uit Oisterwijk kwam en wilde weten hoe lang deze mijnen er al lagen. “Nou ik schat van een jaar of twee!” antwoorde ik. “Nou, dan is er maar weinig gevaar meer; dan zijn ze wel uitgewerkt! Hij wenkte met zijn hoofd naar de altijd nog in dekking zijnde bewaking. “Maar dat hoeven zij niet te weten, we zeggen er niets van, dan wordt dit een makkie voor ons. Laat ze maar in de waan. Als wij vanavond niet de vereiste meters afgeprikt hebben, maken we er een leuke vertoning van!” Ik grinnikte, want ik zag het al voor me, als we vanavond de laatste meters zouden moeten afdansen: “Wij zingen dan het “Horst Wessellied!” Hij demonteerde de mijn en toen dat duidelijk gebeurd was, kwamen de soldaten uit hun dekking omhoog en namen het bewaken weer serieus. De opgegraven mijn werd aandachtig bekeken en ze deden er heel geleerd over. “Ze snappen er totaal niets van!” fluisterde mijn buurman, “ik hoop dat we weer vlug Mijn! kunnen roepen, dan schijten ze weer in hun broek van angst en weten niet hoe vlug ze veilig in dekking moeten gaan!”

Dan kwam mijn zuster Truus, dwars door het mijnenveld, op mij toestormen en had een fles melk bij zich. Ze was erg blij dat ze me zag, maar vond het erg dat ik hier in een boevenpakje, mijnen moest prikken. Eerst kon ze geen woord uitbrengen, dan begon ze te stotteren en zei: “Hier is vast een fles melk, ik kon in de gauwigheid, toen ik hoorde dat je hier was, zo vlug niets anders bedenken. Maar dadelijk komt ons moeder met eten. Hier drink maar vlug op!” Maar dat ging fout. Een soldaat was toe komen snellen en juist toen ik die fles melk aan mijn lippen wilde zetten, rukte hij ze me uit de handen en zette de fles op een paal van de afrastering. Nam toen zijn stengun en begon op die fles te schieten; bij het derde of vierde schot sprong de fles uit elkaar en de heerlijke witte melk droop in het mos. Truus was des duivels, ze zou die soldaat aangevlogen zijn. Ze gilde en krijste, maar dan trok ze woedend weg “Rotzakken, ik zal onze Jan wel eens gaan halen!” Na een kwartiertje kwam onze Jan inderdaad opdagen, maar nu met twee flessen melk en weer moest ik die flessen in ontvangst nemen; wat zou er nu gebeuren. De wacht kwam weer aanstuiven. Mijn oudste broer en die soldaat keken elkaar dreigend aan. Dan zei mijn broer: “hier heb ik twee flessen melk voor mijn broer en je bent een flinke vent als je daar je klauwen naar uit durft te steken!” en tegen mij: “Allee Sjef, drink op! Dat zal je goed doen!” dus dat deed ik dan maar. Een halve fles, de rest gaf ik door aan mijn lotgenoten. Ieder een slokske. Er waren onder tussen heel wat toeschouwers bij gekomen, enkele anti’s, maar de meeste hadden medelijden met mij en met mijn kameraden. Toen vele Oisterwijkers mij daar zagen lopen, in dat Zebrapakje, bewaakt door die troep soldaten, vonden ze dat dit toch te ver ging. Iedereen wist wel dat ik eigenlijk weinig of niets gedaan had; alleen een grote mond gehad, maar om mij daarvoor zo te straffen, mij in een boevenpakje hier landmijnen uit de grond te laten halen, dat ging te ver. Er vlogen heel wat scheldwoorden naar die soldaten, en die begrepen het niet meer. Toen er nog wat Oisterwijkse schonen op het toneel verschenen, vonden ze het wel goed, ze lieten ons onze gang maar gaan.

En toen verscheen mijn moeder. Over een zandpaadje langs het Jodenkerkhof kwam zij op mij toegelopen. Achter haar kwamen twee jongere broertjes van mij, die een karretje trokken, waar een ketel op stond. Verrast liep ik naar moeder toe, de wachten konden op dit ogenblik verrekken. “Maar Sjef toch!” kreet mijn moeder vol afschuw. Ze keek naar mijn gestreept boevenpak, mijn afgemagerde lichaam en ze streek bezorgd over mijn kale bol. “Niet te hard moeder, dat is allemaal kapot en vol zweren!” waarschuwde ik haar. Toen zij daarop mijn hoofd wat beter bekeek vroeg ze vol afschuw. “Hebben ze dat in Vucht gedaan?”Ja moeder, maar dat is het ergste niet. Eenmaal moeten ze mij toch los laten en dan krijg ik deze rotzakken wel. Op een of andere manier zal ik ze dat betaald zetten!

Even later zaten negentien S. S. Mannen en ik, langs de slootkant heerlijk soep te slurpen. Moeder had die persoonlijk uitgedeeld uit een grote pan, die op dat wagentje stond. Watvoor soep het was, konden wij niet vaststellen. Moeder had alles wat ze op dat ogenblik in huis had in een ketel gedaan. Erwten, bonen, melkpoeder, wat aardappelen, enkele blikjes cornedbeef, wat sneden brood en wat allemaal nog meer? Toen ze had gehoord, dat ik met nog een tiental andere gevangenen bij de Hondsberg in een boevenpakje mijnen stond te prikken, waren haar eerste gedachten geweest, dat wij wel honger zouden hebben. Er waren maar een paar borden en lepels, maar in de haast had ze het toch goed georganiseerd, want ze had ook wat lege conservenblikken meegebracht, die als eetketeltje konden dienen. Of ik morgen weer terug zou komen? Dan zou ze een nog grotere ketel met soep voor ons koken. Mijn twee broertjes zaten stoer en sterk tussen de hele troep en vulden de borden en conservenblikken opnieuw, zolang de voorraad strekte. Ze keken uitdagend naar de vele toeschouwers, die zich aan de kant van de weg verzameld hadden, om mij en de S.S. ers bezig te zien. Mijn jongere broertjes hadden het niet zo gemakkelijk gehad. Op straat en op school, in kranten, radio en God weet waar nog meer, hadden ze moeten horen, wat voor onmensen dit tuig, deze S.S.ers waren. Die sadistische kampbeulen, die smerige N.S.B.ers en verdere vuile landverraders die allemaal in Vucht en verdere kampen over het hele land verspreid, nu opgesloten waren. En hun grote broer behoorde daar ook bij. Maar nu was hun grote broer hier met nog andere misdadigers. Ze waren er trots op, zo voor de verzamelde menigte, duidelijk te demonstreren, dat zij het durfden deze mensen eten te geven, en er vriendschappelijk mee om te gaan.

Toen de soeppan leeg was en mijn moeder en mijn twee broertjes weer waren weggegaan, gingen wij weer plichtsgetrouw aan het werk en ploeterden voort. Zo nu en dan kwam er iemand op ons toe gaf ons wat sigaretten of een grop Belgische shagtabak. De wachten reageerden er nauwelijks op. Die hadden het te druk met de Oisterwijkse schonen. Als zij “stoer” tegen die S.S.ers gingen doen, kwamen er allerlei moeilijkheden met het toekijkend publiek. “He, kunde wel, moete mij vatten!” en dergelijke uitroepen. Tegen vier uur was het mijnenprikken (prodderen, zoals de S.S.ers dat noemden) voor vandaag beëindigd. Helaas werd er niets meer gezegd over het aantal meters, dat wij wel of niet gehaald zouden hebben. Er hoefde dus ook niet ‘gedanst” te worden. Maar morgen was er nog een dag en overmorgen weer een. Een soldaat zwaaide nonchalant met zijn arm: “Alle mannen, klaar maken voor vertrek!”. Daar keken wij van op, dat waren wij niet gewend. De vrachtwagen reed voor en we stegen in en wij wuifden nog even tegen het publiek. “Tot morgen dan maar!”

Deze keer mochten wij zelfs op de houten banken plaats nemen voor zover er plaats was. De “Officier” was ook achter ingestegen en zat tegenover mij. Hij wou iets tegen mij gaan zeggen, maar kon zijn ei blijkbaar niet goed kwijt. Wist niet goed hoe hij het zeggen moest. Daarom keek ik hem aan en schudde met mijn kale bol. Hij kuchtte even en vroeg dan: “Ben jij werkelijk niet bij de S.S. geweest, dat vertelden ze mij in jouw dorp!” “Nee, daar ben ik niet bij geweest!” antwoordde ik gelaten.

“Maar je zult toch wel iets gedaan hebben?” vroeg hij verder. Ik zuchtte diep en zei: “Ik was het niet eens met het verzet, de toenmalige ondergrondse. Ik lag er altijd mee overhoop tijdens de bezettingsjaren!” En ik voegde er aan toe: “En nu nog!”. Ik kreeg geen antwoord. Daar moest hij schijnbaar diep over nadenken.

In Vucht werden wij meteen naar de barak 40 a teruggebracht. De vrachtwagen reed door tot aan de rietmat. De klep ging open en we mochten uitstijgen. De meegekomen wachten zeiden geen boe of ba. Ze leverden ons Netjes! af, zoals dat behoorde, maar nog nooit was voorgekomen. Dat verwekte verwondering bij de achtergeblevenen in de bunker. Eerst kregen wij ons half brood; dat was bewaard gebleven, al hadden, velen gemeend, na de belevenissen van deze. morgen bij het appel, dat wij beslist niet meer compleet zouden terugkeren. De mijnenploeg stikte van het rookwerk. Nou ja, elke man had hier en daar wel een paar sigaretten of shagtabak in zijn kleren verstopt. En er was niet gefouilleerd voor wij terug in de bunker teruggebracht werden. “En morgen zouden wij weer naar Oisterwijk mogen om mijnen te prikken!”. Ook de thuisblijvers profiteerden van ons uitstapje. Al het binnen gesmokkelde rookwerk werd nog dezelfde avond de lucht in geblazen. Ten eerste: Zou er vanavond of vannacht nog een groepje Zeeuwen binnenvallen en een zware huiszoeking doorvoeren, zou al dat rookgerei toch weer in beslag genomen worden. Ten tweede: “Morgen gingen wij, die negentien S.S.mannen en ik, toch weer naar Oisterwijk mijnenpikken en zouden zeker weer met een nieuwe voorraad rookwerk terug komen.

De volgende dag kwam en ook de vrachtwagen, die ons weer naar Oisterwijk zou brengen. Naar ons zo geliefd mijnenveld, waar wij allemaal zo ver naar verlangden. De appellijst werd bij het instijgen weer af gelezen en Pietersen alias Paijmans, meldde zich. Het ging nog altijd goed; niemand scheen zich zorgen te maken over deze naamsverwisseling. De tweede tocht naar Oisterwijk was een ware pleziertocht. Nog altijd hadden wij de zelfde wachten en opgewekt togen wij, op de Hondsberg aangekomen, aan het werk. Steeds als wij het woord: “Stop” en “Mijn” brulden, ging alles en iedereen in dekking. Maar de soldaten-wachten richtten vanuit hun dekking geen wapens meer op ons. Wij kwamen tot de ontdekking, dat er een zeker systeem in de mijnenleggerei was geweest. Op de ongeveer vijftig a vijfenzeventig meter lagen deze apparaten in die strook niemandsland verstopt. Nu begon ik ook te begrijpen, waarom er op het einde van de oorlog geen ongelukken gebeurd waren. Allerlei mensen waren toen, om een of andere reden in het lager doorgedrongen, maar de mijnen werk ten niet meer. De chemische vloeistof was opgedroogd en uitgewerkt. Dat wist tot op heden toe alleen die groep S.S.mannen en ik en wij zwegen daar wijselijk over. Ook die tweede dag was er veel belangstelling van de Oisterwijkse burgerij. Wat ik gedaan had tijdens de bezetting wisten ze maar al te goed en dat was toch geen reden om mij hier in een boevenpakje tussen echte S.S.ers mijnen te laten prikken. Dit ging toch te ver. Niet alleen ik, maar ook mijn kameraden, kregen van alles van de burgerij toegestopt. Tegen de middag verscheen mijn moeder weer; in haar kielzog mijn twee broertjes, die nog een grotere ketel als gisteren met zich meezeulden. Deze keer hadden zij hulp gekregen van enkele moedige kameraadjes. Wellicht was er een familielid, een oom of tante ook “fout” geweest.

Vandaag was het negende Juli; de verjaardag van mijn moeder. Het eerste wat ik deed was haar hartelijk feliciteren. “Dat je daar nog aan gedacht hebt, bij al je ellende, vind ik heel fijn!” zei ze geroerd. Mijn kameraden, de S.S.mannen, hadden verbaasd toegekeken, toen ik mijn moeder met haar verjaardag feliciteerde. Suikerbuik, een boom van een S.S.er, dook in de slootkant, plukte daar wat bloemen en ging dit “boeket” namens alle S.S.ers aan mijn moeder, aanbieden. Hij hield een klein toespraakje, waarin hij memoreerde, dat er toch nog humane mensen in Brabant waren. Ik weet niet of mijn moeder het allemaal begreep? Dan draaide hij zich weer met afgemeten passen naar het peloton toe, commandeerde zijn lotgenoten in de houding en daar zongen negentien S. S. ers voor mijn moeder het wonderschone soldatenlied “En wij zullen aan zijn moedertje schrijven: Hij deed zijn plicht!” Moeder was geroerd. Maar het feit lag er ik zou bijna zeggen: “Het historische feit”, dat mijn moeder op haar verjaardag in negentienhonderd vijfenveertig, door een troep S.S.ers een aubade werd gebracht. Dat was eenmalig!

Dan begon de feestelingen de soep uit te delen, geholpen daar mijn broertjes en hun (moedige) vriendjes. De uitgehongerde mannen lieten zich de soep, of wat het was, goed smaken. “Ja”, vertelde mijn moeder, “de hele buurt heeft wat gebracht, want ik zelf had niet zo heel veel meer in huis!” Ze vertelde wie wat gebracht had. “Moeder, ga ze allemaal bedanken, ik zou het graag zelf doen, maar, ik wees op het mijnenveld, “Zaken gaan voor vermaken en de plicht roept!” “Och, clown!” zei ze, “kun je nou nooit eens ernstig blijven.

De soep was op; de middagpauze om. Mijn moeder en mijn broertjes met hun vriendjes vertrokken weer. “Morgen zal ik weer voor eten zorgen! Voor jou en die andere stumpers!” beloofde mijn moeder nog. Wij stonden ze na te wuiven, totdat zij achter het Jodenkerkhof, onder de dichte donkere dennenbomen verdwenen was en gingen toen weer verder met mijnenpikken. Ondertussen waren wij tot voor de Hondsberg met het karwij gevorderd. Mijnheer Jansen, directeur van een Tilburgse Wollenstoffenfabriek, was (misschien wel door ons gezang) wakker geschrokken uit zijn ‘ middagslaapje. Hij was afgegaan op dit geluid, om te zien wat er aan de hand was. Hij zag dat zijn domein, door ons ijverig werd gezuiverd van die verraderlijke mijnen. Hij had ook gezien dat mijn moeder een hele ketel soep voor deze arme kerels had aangesleept, dus kon hij niet achter blijven. Hij ging ons trakteren op limonade. Zijn tuinknecht droeg twee emmers water; hij zelf had twee flessen siroop en de glazen onder zijn armen. In elke emmer goot hij een fles siroop leeg en om de beurt mochten wij een .glas limonade komen drinken. Het uitdelen vond plaats op de veranda van een blokhutje, wat ik nog nooit van zo dichtbij had gezien. Nu vond ik het nog mooier. Als ik later rijk zou worden, zou ik zo’n huisje willen hebben. Tegen vieren zwaaide een bewaker dat we er voor vandaag mee moesten ophouden. Wij gingen weer terug naar het kamp Vucht. Dertig mijnen hadden wij vandaag onschadelijk gemaakt. Dit was voor mij de laatste mijnendag in Oisterwijk, maar dat hoorde ik pas de volgende dag.

Het was niet onopgemerkt gebleven, dat ik in mijn eigen dorp was ingezet om de bossen van mijnen te zuiveren. Dat ging toch te ver. Maar de kampleiding, die dit schijnbaar te horen had gekregen, wist van niets. Ene Paijmans stond niet op de appellijst. Toen ik de volgende morgen weer vrolijk en blij in die vrachtwagen wilde stijgen; liep dat fout. Er stond iemand van het bureau bij de vrachtwagen, die een ieder die afgelezen werd, scherp controleerde. Toen Pietersen, alias Paijmans aan de beurt was om in te stappen, viel ik door de mand. De echte Pietersen werd alsnog uit de barak gesleept, moest instijgen, waarop de wagen onmiddelijk verdween. Beteuterd stond ik die na te staren. Maar dat duurde niet lang. Een soldaat-bewaker, die wist dat ik boel bezwendeld had, sleurde mij hardhandig in de bunker terug en daar kreeg ik een aframmeling, naar het oude bekende recept: “Sla de man net zo lang, totdat hij versuft neervalt en schop hem dan in zijn pens!” Terwijl ik nog op grond lag bij te komen van de laatste trap in mijn buik, de felle pijnscheuten langzaam minder werden en ik weer overeind probeerde te komen, ontstond er opnieuw deining. Er werd een tweede ploeg mijnenzoekers samengesteld onder een andere leiding. Deze ploeg zou volgens de geruchten naar Schijndel gaan. De man, iemand met een onwaarschijnlijk hoge militaire rang, die leiding over de tweede groep mijnenpikkers zou hebben, kwam persoonlijk in de bunker om het tuig uit te zoeken. Instinctmatig zocht hij de meest fanatieke gezichten uit en ik was weer de klos. Maar als het even mooi zou gaan als in Oisterwijk, had ik geen bezwaar. Dus verdroeg ik alle chicanes en hoopte, dat als wij eenmaal in Schijndel zouden zijn, het allemaal wel beter zou gaan. Deze keer had de vrachtwagen, waar mee wij naar dat mijnengebied gebracht zouden worden, geen overkapping. Wij konden vrij omhoog staren naar de heerlijke blauwe lucht, iets wat voor die nieuwe ploeg uitzonderlijk aangenaam was. Als wij onder een bomenrij doorreden was het een weldaad om zoveel groen te zien en de frisse geur in te ademen, Totdat een van die soldaten onze simpele vreugde in de gaten kreeg. “Ja, de stank van die rotmoffen is weg; het ruikt weer fris in bevrijd Nederland. Maar daar hoeven jullie niet van te profiteren. Voor uit, allemaal plat op de bodem, die boeventronie’s omlaag!” luidde het bevel. Dus uit met de pret en we lagen allemaal tot Schijndel toe, plat op de bodem van die vrachtwagen. Op elkaar en over elkaar, tussen de twee houten banken, waarop de bewakers lamlendig sigaretjes zaten te roken. Hun gelaarsde voeten lagen gestrekt over ons heen en het was voor de heren een leuk spelletje, om de sigarettenpeukjes midden in die wriemelende hoop te mikken en zich verder kapot te lachen als zo’n brandend peukje ergens in een blote hals of nek terecht kwam. Of op een blote rug, want door al dat gehots van die vrachtwagen, waren de zebra-pakjes soms tot de nek omhoog geschoven. Het was een schokken en schudden van die stumpers op de bodem, om dat lastige brandende peukje van zich af te schudden. Lag dat sigaretteneindje eenmaal op de bodem, was het ook weer een hele tour om dat uit te doven, op te rapen en in onze kleren weg te moffelen.

Midden in het dorp Schijndel was een schoolgebouw. De wagen stopte en wij werden aan de straatkant gelost en in het gebouw gedreven. Direct waren er mensen toegestroomd om die S.S.mannen in het zebrapakje te kunnen bekijken. Ze dromden voor de ramen van het gebouw. Wij stonden binnen, met de handen omhoog, het gezicht tegen de muur. Enkele dorpelingen die schijnbaar in het verzet hadden gezeten en nu bij de Binnenlandse strijdkrachten waren, gaven uitleg over onze taak. Een paar van deze dapperen, zouden de zes bewakers vergezellen naar dat mijnenveld, ergens buiten Schijndel. En natuurlijk ook om deze horde S.S.ers te bewaken als wij dwars door het dorp, daarheen zouden marcheren.

Om de samengestroomde mensen buiten het gebouw hun verzet je te geven, zou dit marcheren met enige luister gebeuren. De stoet, wij dus, werd op straat gedreven en aldaar in de rij geschopt. De bevolking was enthousiast. Een paar inwoners kwamen met een stuk of wat roestige Duitse Wehrmachthelmen en die werden bij sommige van ons hardhandig op de koppen gezet. Ik kreeg er geen, misschien vanwege al die zweren. De mensen gilden en lachten van uitzinnige vreugde. En wij stonden daar maar, onder schot gehouden door een achttal bewapende mannen. Zonder een spier op het gezicht te vertrekken, moesten wij ons dat allemaal laten welgevallen. Haast had men niet. De dolgedraaide en opgejutte dorpelingen begonnen met stenen te smijten. Die stenen waren bedoeld voor die mannen, die zo ongelukkig waren geweest om een helm toebedeeld te krijgen. Maakte men een reflexbeweging als zo’n projectiel doel trof, was er meteen een wacht bij. Die gaf een trap of schop en brulde: ”Er is gezegd in de houding staan en dat betekend in de houding staan wat er ook gebeurd! “Eindelijk kwam het bevel: “Voorwaarts Mars!” en de stoet zette zich in beweging. “Ze moeten nog zingen. Ze moeten nog zingen!”gilde de toeschouwers en wij werden gedwongen iets te gaan zingen. Wij zongen het lied: “Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan!” een Nederlandse tekst op een bekend Duits soldatenlied. Ik was met zingen begonnen, omdat ik vreesde, dat een van die S.S.mannen in zijn wanhoop, een echt Duits soldatenlied zou hebben ingezet, wat nog meer hysterie bij de bevolking zou wakker roepen. De kleine Tits liep naast mij. Hij had een helm op. Het kereltje begon er plezier in te krijgen en galmde er vrolijk en luid op los, hoewel hij niet zingen kon en het erbarmelijk vals klonk. Toen wij het mijnenveld naderden, trokken de dorpelingen, die ons tot nu toe dansend en joelend begeleid hadden, zich een voor een terug. Er waren al enkele ongelukken gebeurd op die onheilsplek, dus meden ze deze omgeving als de ziekte. Zo waren wij weer verlost van onze uitzinnige supporters en alleen met de echte en toegevoegde bewakers. De achterste man had een twintigtal prikstokken mee moeten torsen. Die werden nu verdeeld. Op een lange brede zandweg, die voor ons lag, zouden die verrekte rotmoffen mijnen gelegd hebben en die zouden wij er weer uit moeten halen. Per dag zo’n duizend a vijftienhonderd meter afprikken. Wat niet was klaar gekomen moest worden afgedanst. Voor mij was dat niets nieuws, voor de anderen klonk het minder leuk. “En ik hoop dat jullie vanavond zo’n duizend of meer meter te kort komt!” brulde een soldaat,”en dat op die laatste duizend meter de Moffen niet te zuinig zijn geweest met die mijnen!”. Verder geen uitleg, maar ik wist het al zo’n beetje. Dus gaf ik zachtjes wat instructie’s. Wij werden in de breedte van de weg opgesteld en het prikken begon. Ongeveer om de tien centimeter moest de weg afgeprikt worden en wij deden dat secuur, omdat we eerst een mijn naar boven wilden halen, om te kunnen vaststellen, wat voor mijnen hier lagen. Dan zouden we verdere maatregelen kunnen nemen. Vlak bij ons aan de wegrand was een grote krater, daar had een mijn gelegen, die om een of andere reden “Hoog” gegaan was en die krater loog er niet om. Wij waren allemaal een beetje angstig en hoopte vlug een mijn te vinden. Na een kwartiertje riep onze linkervleugelman: “Stop! Mijn!” De hele meute bewakers rende weg en doken in een sloot. Die waren schijnbaar nog angstiger dan wij. De mijnenzoekende mannen bleven staan, staken hun prikstok in de grond en wachtten op de dingen die komen gingen. Maar ik moest weer zo nodig en rende op de man die beet had toe. Gelukkig was deze man ter zakekundig; een echte S.S.er. Met de prikstok werd nog voorzichtig wat nagepeild om de omvang van het “Ding vast te stellen. Het zweet stond op mijn voor hoofd; ook die S.S.man had het niets te breed. “Denkelijk een Tellermijn, “dacht hij, “om tanks te laten hoog gaan!”. Hopelijk wist hij nog meer. Ook hoe een dergelijk ding uitgegraven en gedemonteerd moest worden. “Ken jij die?” vroeg ik angstig. Ja, hij kende ze. Hij was All-Round. Dus het verdere uitgraven en demonteren zou geen al te grote moeilijkheden opleveren. Wij tweeën zouden het verder alleen wel fiksen. De achttien anderen moesten ook maar zo lang dekking zoeken in de sloot langs de wegkant. Van de bewaking trokken we ons niets meer aan, die waren zo ver van ons verwijderd in dekking gegaan, dat we daar geen commando’s of bijstand meer van verwachtten. Indien die er tenminste iets zinnigs over te zeggen zouden hebben. Met onze blote handen groeven wij tweeën voorzichtig, zeer voorzichtig, het rare ding uit de modder. Daar lag hij dan; een ronde metalen platte schijf van een vijfentwintig of dertig centimeter doorsnede. Er op, in het midden een ontstekingsmechanisme. Moesten wij die mijn ook demonteren? Ik zou de lange wandeling naar de veilige schuilplaats van de soldaten-bewakers, maar eens aflopen, om raad en verdere instructie’s te vragen. Maar die kerels wisten van niets; hadden nog nooit van een “Tellermijn” gehoord en wisten zeker niet, hoe zo’n ding gedemonteerd moest worden. Zij bleven, zolang .dat nare ding daar lag, veilig waar ze waren. “Jullie moeten dat Godverdomme weten; jullie zijn S.S.ers; wij niet!” Daar werd ik niet veel wijzer van, dus ging ik weer terug. Wij besloten dat helse ding, een vijftig meter verder op een akker te slepen en er een rode vlag bij te plaatsen. Misschien dat onze heldhaftige bewakers die vlag konden organiseren. Aldus geschiedde. Daarna zwaaiden wij naar de bewakers dat alles veilig was, ze konden weer terug komen en wij prikten verder. De soldaten kwamen schoorvoetend terug. Op een veilige afstand keken ze naar dat platte ding. Wij hadden nog wel angst voor dit mijnenveld, maar nu wisten wij tenminste wat voor mijnen hier lagen en hoe groot ze waren. De tien centimeter prikafstand werd secuur aangehouden. Na een goede veertig meter weer: “Stop-Mijn!” De bewaking nam de benen en schoten met topsnelheid in hun verstek. Ik commandeerde onze mannen weer in de slootkant en riep mijn kameraaddeskundige er bij. Samen groeven we ook deze mijn uit de grond en brachten deze naar de verzamelplaats. “Er zit geloof ik, toch wel een zeker systeem in deze mijnenleggerei, om de veertig meter!” wist mijn vriend te vertellen. Ik zwaaide weer “Alles veilig” en mijn makkers kwamen weer uit hun slootkant terug, de soldaten uit hun verre schuilplaats, en verder gingen wij met onze opdracht.

Langs de weg was een soldatengraf. Een zandheuveltje met een wit berkenhouten kruis en daarop een Wehrmachtshelm. Verwonderd keek ik naar de nog volkomen frisse bloemen op dat graf. Wie zou die daar nou neergelegd kunnen hebben? Tussen die bloemen een witte zeepdoos of zoiets. Ik fantaseerde wat daar in kon zitten. Identiteitspapieren, een laatste brief van de gesneuvelde soldaat aan zijn moeder of meisje? Arme man of jongen; gevallen voor het Vaderland, waarom? Alles was voor niets geweest. De oorlog verloren en ergens een treurende moeder, echtgenote of verloofde. Zij zouden hun man, vader of zoon nooit terug zien. Zo waren er miljoenen vrouwen op deze wereld. De ene, de goede helft waren helden, vermits zij de oorlog hadden helpen winnen. De andere helft, zoals deze hier, de verdoemden; de misdadigers, zij hadden de oorlog verloren.

Ik werd ruw uit mijn overpeinzingen weggerukt; een soldaat-bewaker kwam onverschillig aansloffen. De helm scheef op zijn kop; een sigaretje in de linkermondhoek. De stengun hing met een linnen bandje om zijn nek; de vinger aan de trekker, schietklaar. Laatdunkend bekeek hij het graf en stond met een scheef gehouden hoofd alles te bekijken. Hij knipperde wat met zijn ogen, omdat hij last had van de rook van zijn sigaret. Dan nam hij de helm van het kruis, bekeek de binnenkant en smeet die helm met een nonchalant gebaar in de sloot langs de weg, trapte het kruis om en schopte de frisse bloemen en die zeepdoos, of wat het dan ook was, ook in de sloot. Dan draaide hij dreigend, de stengun naar ons toe. Wij konden bij zoveel grafschennis wel eens kwaad worden, maar als hij iets vernielen wilde, hielden wij hem niet tegen, scheen hij te willen zeggen. “Rotzakken, tuig, schooiers, smeerlappen!” mompelde ik zachtjes. Maar wat kon ik doen. God, wat haatte ik dit tuig, dit uitschot, deze fielt.

Er werd heel voorzichtig verder geprikt. Er lagen hier heel gevaarlijke mijnen. Een klein foutje of een misprik en wij zouden met zijn allen naar het Walhalla gestuurd worden. Als dat gebeurde, hoopte ik wel dat de bewaking ook van de partij zou zijn. Maar daar was weinig kans toe. Als een van de prikkers wat voorzichtig begon te doen of aarzelend met wat kleinere prikjes de bodem ging aftasten, namen zij de benen. Wij zweetten er van, niet alleen van de angst, maar ook van de zon en het ingespannen werken. Een van ons trok zijn Zebra-jasje uit, gooide het aan de slootkant en werkte toen in zijn blote, magere buik verder. Maar dat ging toch niet. Waar haalde hij de brutaliteit vandaan, om zonder eerst aan de bewakers te vragen, zijn jasje uit te doen? Dat zouden ze hem voor eens en voor altijd afleren. Een bewaker schoot toe, zojuist had hij in de kant van de weg een zwiepende wilgentwijg afgesneden en sloeg hiermede uit verveel zomaar wat door de lucht. Het zo-even van dat zwiepende takje was tot bij ons te horen.

“Alle twintig rechtsomkeert maken, omdraaien met de rug naar de onafgeprikte zandweg!”. Voor ons dus nu de ontmijnde zone. De halfblote man moest uitreden en daar werd die arme man voor onze ogen afschuwelijk afgetuigd. Zelfs wij, die alleen maar moesten toekijken, kregen de tranen in de ogen. Bij elke slag van die zwiepende takje op die blote rug, tekende zich meteen een bloederige striem af. Na een twintigtal zwiepende slagen, was die rug een en al wond. Toen die kastijding weer voorbij was: “Jasje aantrekken en nooit meer ongevraagd uit trekken!” Met dat ruwe jasje op de beurs geslagen rug, was de pijn bijna niet uit te houden. Het slachtoffer zag spierwit van de pijn, maar hij liet zich niet kennen; gunde de bewakers deze lol niet en de man; hij prikte verder. Een echte S.S.er, keihard; een kerel uit een stuk. Tegen vieren hadden wij het aantal af te leggen meters niet gehaald en moesten er nog zo’n vijftig meter afgedanst worden. We hadden zeven mijnen uitgegraven en een paar pijnlijke voorvallen meegemaakt. Dat had onze prestatie’s wat afgeremd. In de breedte opstellen en “Voorwaarts Mars!” de armen over elkaars schouders geslagen. Wij knepen hem allemaal, zonder uitzondering. Maar wij en ik vooral, was razend van ingehouden woede en riep onze mannen toe: “Alle mannen niet bang zijn, wij laten ons niet kennen!” Als het dan toch moest, dan met een trotse kop en van pure uitzinnige razernij begon ik met een overslaande stem het “Horst Wessel” lied te zingen. En verdomd de rest, op een paar na, begonnen mee te brullen en zo werden die laatste vijftig meters “Afgedanst”. De bewakers stonden, op veilige afstand, met de stengun, ons onder controle te houden. Maar van dat lied begrepen ze niets, ze kenden het blijkbaar niet eens. Ze hadden het misschien nog nooit gehoord en waren er daarom niet bijzonder verstoord over.

Te voet terug naar het dorp. De brave burgers, die de morgen voorstelling hadden gemist, kregen nu een Matinee aangeboden. Deze zou op het schoolplein gegeven worden. Tegen het schoolgebouw lagen tegels, trottoirtegels, maar de speelplaats van dat schooltje was met zwarte sintels bestrooid. Hierop werden onder leiding van de bewaking de diverse oefeningen door ons opgevoerd. Onder het loodsje, op de tegels, stonden de notabelen van het dorp deze vertoning aan te zien. Looppas, liggen, kruipen, kikkeren, opstaan. En dat allemaal door dat stoffige zwarte gruis. Rondom ons stond het publiek, in een grote kring, te genieten van al dit schoons. Zelfs moeders met nog kleine kinderen, stonden dit verheffend en vooral “Heropvoedend” schouwspel te bekijken. Wij waren vermoeid van alle opwindende dingen, die deze dag ons gebracht had en hadden niet meer de energie om deze o zo mooie oefeningen goed af te werken. Maar de bewakers wilden het publiek toch iets moois voorschotelen, dus met slagen, schoppen en trappen, werden wij tot betere prestatie’s opgedreven. Ook dat was adembenemend voor het publiek. “Slaat ze kapot, die rotzakken, die smerige landverraders!” werd er geroepen.

Dan werd het slotstuk opgevoerd. Wij moesten allemaal in een rij gaan staan. In frontlinie en stram in de houding. Twintig vuile S.S.ers, landverraders, in een zebrapakje. Een bewaker ging ongeveer twintig meter bezijden de rij staan en begon zijn stengun vlak voor ons in de grond leeg te schieten. Steentjes, stof en gruis spatten op. O wee, de man, die een schrikbeweging maakte. Dan werd hij hardhandig in de rij terug geslagen. Ook het hoofd wat weg buigen of zelfs maar de ogen knipperen, werd beloond met een vuistslag in het gezicht. Schot na schot ging af en elke keer kreeg de man, waarvoor de kogel in de grond was geschoten, zijn af rammeling. De hele rij in frontlinie, werd netjes afgewerkt, maar hoe verder de soldaat-bewaker-schutter kwam, des te hoger moest hij richten. Bij het laatste of voorlaatste schot gebeurde het dan. De schutter richtte iets te hoog en schoot, per ongeluk natuurlijk, een kind van vier of vijf jaar, dat het verheffende schouwspel aan de hand van moeder, stond te bekijken, in het beentje. De paniek was groot en wij Zebra-mannen waren hier de schuld van. We werden naar binnen, in het schooltje geranseld, om naar men zei: “Ons tegen de woede van het publiek te beschermen!” De vrachtwagen kwam. Bij de deur van dat gebouwtje hadden de bewakers en andere figuren zich opgesteld en lieten ons zo spitsroede lopen tot aan de vrachtwagen. Als laatste toegift voor het verhitte publiek. Het was me het dagje wel!

In het kamp hoorde wij twee opmonterende berichten. Ten eerste: De man, die op dat mijnenveld, zo onmenselijk met dat wilgenzwiepje bewerkt was, tot heden toe een S.S.man of vuile landverrader, was plotseling geen S.S.er of vuile landverrader meer. Er was voor hem bij de kampleiding een bevel tot onmiddellijke in vrijheidstelling binnen gekomen. Zo heel af en toe gebeurde dat wel eens. De man mocht dus onmiddellijk naar huis, hij was volkomen onschuldig (of had een verdomd goede advocaat en/of veel geld). Hij nam wel een diepe indruk mee naar huis over de “Heropvoedende Nederlandse Concentratie Kampen Anno 1945!”

Wij in de bunker wisten echt wel het verschil tussen een echte S.S.man of alleen maar een vuile landverrader. Bleef er iemand in de bunker, in de barak 40 a of b, strak en stijf volhouden, dat hij nooit bij de S.S. was geweest, vroegen wij hem, als bewijs van zijn onschuld even de linkerbovenarm vrij te maken. Elke S.S.er of andere soldaat van het voormalige Duitse leger had een getatoeëerd teken van zijn bloedgroep in zijn bovenarm. Tot voor kort had de bewaking dat niet geweten. Maar het maakte niet zo veel uit. Wij in de bunker werden allemaal, geranseld, getrapt geschopt en geslagen, als dat de bewakers zo uitkwam. Als ze ook nog dat blauwe teken ontdekten, kenden hun heilige verontwaardiging geen grenzen meer.

Het tweede opmonterende bericht betrof mij. Zonder verdere uitleg werd ik uit de bunker ontslagen en mocht naar mijn oude barak 29a terug. Ik had nauwelijks de tijd om van mijn vrienden en kamera den afscheid te nemen. Zelfs de mijnenploeg uit Oisterwijk was nog niet terug. Als de mannen iets uit Oisterwijk voor mij mee zouden brengen, moesten ze dat in de barak maar onder elkaar verdelen. “Mannen het beste met jullie, ik ben weer een Half vrij mens.!” Ik leefde plotseling in een tijdversnelling. In de b 29 a terug, hoorde ik dat ik was ingedeeld bij een groep, die de boeren zou gaan helpen bij het binnenhalen van de oogst. Die groep zou morgen al worden uitgezonden. Waar? Dat wist niemand. Het was geen dagploeg, dus ‘s morgens gebracht en ‘s avonds weer terug naar het kamp Vucht. De groep zou ergens bij boeren worden ondergebracht, in een schuur of een stal. Een tweede mobilisatie dus. Daaraan had ik alleen maar goede herinneringen. Verder werd het een gezellige avond. Ik zat weer tussen mijn Oisterwijkse vrienden en hoorde de laatste geruchten en nieuwtjes. Bijna iedereen zat in een dagploeg, die steeds ergens anders buiten het kamp, karwijtjes moesten verrichten. Ze hadden redelijk te eten en konden van alles organiseren en in het kamp smokkelen. Zelfs de vrouw van Theo Rokven was al op zo’n buitenkamps karwijtje geweest enzovoort en zo verder. Ik moest vertellen over de bunker en dat mijnenprikken. Ze hadden veel medelijden met mij gehad. Als wij voor de zoveelste keer, de mannen van de barak 40 A en B, door die stoottroeppers naar onze bloedakker werden gedreven.

“Maar het was je eigen schuld!” zei Kees Horvers, “gij moet altijd overal bij zijn, een groot bakkes voeren en altijd, Haantje de Voorste spelen!” Misschien had hij daar wel gelijk in. Mijn nog altijd zere hoofd werd met afschuw bekeken. Ze waren verontwaardigd en ontzet over zoveel sadisme bij die Soldaten van Oranje. Dat mijnenpikken vonden ze helemaal een gruwel. Dat kon toch niet. Wij waren nog niet eens veroordeeld. Uiteindelijk had ik toch niks bijzonders gedaan en waarom dan dat gevaarlijke mijnenprikken? Ik had duizend doden kunnen sterven en dat het niet gebeurd was, vonden zij een wonder. Wanneer er iemand in de bunker doodgemarteld werd, kon dat nog altijd gecamoufleerd worden met: De man was ziek en is een natuurlijke dood gestorven. In de burgermaatschappij werden ook mensen ziek en soms gingen die dood. Waarom zou dat ook niet in een kamp gebeuren. Of de man wou er uitbreken en is daar bij omgekomen. Maar als ongeveer een hele groep S.S.ers met misschien nog enkele bewakers de dood hadden gevonden bij dat mijnenprikken, zou dat beslist in de krant gekomen zijn. Dat zou onderzocht moeten worden, hoe en waarom dat allemaal had kunnen gebeuren. Van de ene kant was het eigenlijk jammer, dat dit nog niet gebeurd was, dan zouden de praktijken van die soldaten van Oranje wel aan het licht moeten komen. Zo praatten wij de avond vol. Ik zat nog altijd in dat Zebra-uniform, naar mijn burgerkleren werd nog gezocht. Als afgemagerde burger zou ik misschien nog wat medelijden bij mijn toekomstige boer en werkgever kunnen opwekken. Met een Zebrapakje aan, beslist niet. Dus moest ik andere kleren zien te krijgen, als mijn eigen burgerpakje op een of andere manier onvindbaar zou zijn. Ook dat was te regelen. Theo Rokven had wel iets voor mij. Een oude gestreepte broek die mij veel te groot was, maar dat was niet zo erg. Alleen waren die broekspijpen door een kleermaker in het kamp, wat verbreed, door van soortgelijke stof twee zijflappen aan te naaien. Het was een komiek gezicht en meteen werd deze broek door mij: “De broek met zwemvliezen!” genoemd. Ik heb ze gedragen, totdat ik weer in vrijheid werd gesteld. Met een touw om mijn middel geknoopt bleef deze potsierlijke broek omhoog. Ook kreeg ik van iemand een colbert jasje van onbestemde kleur en weer iemand anders kwam aandragen met een oud dameshoedje van stro om op mijn verwonde kop te zetten. Daar was ik erg blij mee. In de toekomst zou ik hele dagen in het vrije veld en op akkers moeten werken in de volle zon. Zonder dat hoofddeksel zou dat funest zijn voor mijn gefolterde hoofdhuid, dat nog altijd een zwerende korst was. Aan mijn voeten had ik een paar Wehrmachtlaarzen, geruild bij een S.S.man voor drie sigaretten. Van die laarzen deed ik geen afstand, die gingen mee naar huis. Als ik weer vrij zou komen.

De volgende morgen bij het appel voor de barak werden de namen afgelezen, van die mannen, die naar het “Oogstfeest” zouden gaan. Om tien uur moesten wij gereed staan en dan zou er een vrachtwagen komen die ons naar die boeren zou brengen. De hele groep was vol spanning waar wij heen zouden worden gebracht. Waar en hoe de inkwartiering zou zijn en of wij veel zouden kunnen organiseren? Om negen uur werden we al uit de barak gehaald en naar het terrein achter het hoofdgebouw, gebracht. Dat was de “Bloedakker”, de “Heracles” dus, doch deze keer waren er geen dolgedraaide soldaten om ons enige oefeningen bij te brengen. Nu alleen maar wachten op het vervoer. Wel kregen wij ons half brood en moesten met dat brood in de hand, netjes in de rij staan tot de vrachtwagen zou komen. Iemand maakte een foto van onze troep. Buiten het kamp moesten de brave burgers toch weten, dat wij goed behandeld werden in deze heropvoedende periode. Wij waren met ongeveer veertig man, dus twee vrachtwagens zouden wel voldoende zijn. Eindelijk waren ze daar en wij moesten instijgen. De zeilkleppen gingen dicht en de vier bewakers schoven een houten bank tegen de achterklep, gingen daar op zitten en staken hun hoofd naar buiten. Daar gingen we weer. Sommigen van ons hadden een plaatsje gevonden op de tweede houten bank, anderen zaten zo maar op de vloer en kauwden aan hun brood. Aan de hand van de bochten die de wagen maakte, probeerden wij vast te stellen waarheen de tocht ging. Tot de Boschseweg wisten we het, daarna ging het westwaarts richting Tilburg. Soms waaide de zeildoeken flap wat terzijde en keken wij naar buiten. Ik herkende een huis of boerderijtje langs de wegkant. In Tilburg werd meermaals gestopt en weer opgetrokken. Dan de Bredaseweg, die ik ook herkende bij het opwaaien van het zeil. Algemene richting was nu Breda, Rozendaal en Bergen op Zoom. Met schrik bedacht ik opeens: “Als wij maar niet naar Zeeland gebracht worden!” Bij die spijkerharde boeren. Vooral ik, die uit de bunker kwam, wist wat de jongere generatie van deze keiharde boeren, zoal met ons uitgevoerd hadden. “Nee, O mijn God, alstublieft niet naar Zeeland!” Maar gelukkig, na Bergen op Zoom draaiden de twee legerwagens naar het zuiden. Ik ademde op, gelukkig niet naar Zeeland. Lang kon de rit niet meer duren, anders zaten wij in België. Daar hadden ze zat van dit soort: S.S.ers, Rexisten en grotere en vooral kleinere collaborateurs. Groten waren er genoeg, maar die waren om een of andere reden niet opgepakt. Onze prognose bleek juist te zijn. De wagens stopten en nu voorgoed. Uitstijgen en kijken waar we terecht waren gekomen. Het viel bitter tegen. In een open veld, achter hele rijen prikkeldraad stonden wat oude loodsen of schuren en daartussen slenterden enige vermagerde mannen, traag en doelloos. En natuurlijk de soldaten, die deze stumpers bewaken moesten. Wij zouden tot deze stumpers gaan behoren. In het kamp Vucht, in het normale Nederlandse gedeelte tenminste (niet te verwarren met de barak 40 a+b) was het nu wel om uit te houden. Er werd niet meer, zo maar zonder reden op de gevangenen losgeslagen. Daar was de tucht en discipline bij de bewaking aan het verwateren. Er werden zelfs voor de gevangenen, door de wachten de gekste dingen mee naar binnen gesmokkeld, als ze het, die gevangenen, tenminste betalen konden.

Hier in dit kamp, dit nieuwe Internerings-, Verblijfs- en vooral “Heropvoedende” kamp was men nog de mening toegedaan: “De knoet over al dat tuig!” Dat merkten wij meteen. Eerst werden wij zeer scherp gefouilleerd. Hier kwamen wat peukjes te voorschijn, daar een grob shagtabak, een stomp mes, wat verkreukelde en besmeurde brieven en zelfs een beduimeld kerkboek. Van wie dat geweest kon zijn, kon ik niet zo gauw vaststellen. Dat werd allemaal door de bewakers op de grond gesmeten, vertrapt en overspuwd. Dan in looppas naar een van loodsen. Dat bleek onze slaapplaats te zijn. Met houten kribben, tweehoog op elkaar. Men mocht kiezen; boven of onder slapen. Nu niet natuurlijk, maar straks als daartoe bevel werd gegeven. Na het laatste appel van de dag. Er waren wel strozakken, maar geen dekens. Dat was niet het ergste. Het was nu eind Juli en als ‘s avonds de barak op slot was gedaan, nadat wij allen binnen waren, was het er in een mum van tijd bloedheet en zeer benauwd. De W.C. werd ons ook getoond. Die was vlak achter onze barak. Er was een langwerpige kuil gegraven en daarvoor een lange lat op twee paaltjes. Zo op die lat gezeten kon men zijn gang gaan. Onze eerste indruk van deze sanitaire voorziening was: “Een stinkende brei met veel blauwe vliegen er op”. Onder die vliegen wemelden het van die goor gele maden en wurmen. Tot in de slaapzaal bleef ons de kwalijke stank vervolgen. Vandaag zouden wij niet meer ingezet worden, dus bleven wij de rest van de dag in de benauwde loods opgesloten. Wij zaten daar maar te zitten, bitter ontgoocheld over onze nieuwe status. Om zes uur, toen allerlei werkploegen van hun akkers of korenvelden terug keerden in grote legervrachtwagens, keken wij door de spleten in de houten wand naar hun thuiskomst. Eerst Appel en fouillering. Overal vandaan kwamen kleine onregelmatigheden uit de kleding van de “Werkers”. Er heerste wel een zekere strafmaat. Voor een paar korenaren of wat kleine ruwe aardappels, werden alleen maar een paar stompen of trappen uitgedeeld. Had men echter wat peukjes of tabak weten te bemachtigen en werd deze waardevolle handel uit de kleding tevoorschijn gehaald, dan betekende dat een strengere afstraffing. De smokkelaar mocht voor de ogen van zijn toekijkende makkers, wat kikkeren of robben. Als hij eenmaal op de grond lag, kreeg hij trappen of een stomp met de kolf van het geweer te incasseren. Wij nieuwelingen zagen dat allemaal verscholen achter de spleten in muur van de schuur aan. We dachten met weemoed aan het kamp Vucht terug. Maar er was een positief punt. Er was avondeten, een warme hap en wij werden ook uitgenodigd. We kregen een leeg conservenblik in de hand geduwd en mochten mee aanschuiven in de rij. In een soort koeienketel was iets gekookt. Het stonk uren in de wind naar verrotte aardappelen. Maar het was warm en we hadden honger. Deze aardappelen had een “Christelijke” boer ons geschonken, want voor de koeien, zelfs voor de zwijnen, deugden deze overjarige veldvruchten niet meer. Deze hap opeten betekende wel, dat men binnen een half uur naar de latrine moest om deze/dit gift, weer uit je darmen te persen. Maar niemand kon de verleiding weerstaan om toch maar bij die uitdeling aanwezig te zijn. Een van de nieuwkomers had ook zijn blikje leeg geschranst. Hij moest zoals voorspeld binnen het halve uur naar de latrine, om zijn opstandige maag te legen. Daarbij had hij niet goed opgelet en was achterover in die vieze kuil gedonderd. O wat zag die arme kerel er uit. Het mooiste was dat de begeleidende wacht (zonder wacht werd er niet gescheten), die stinker voor zich had uitgedreven en al zijn kameraadbewakers er bij had gehaald. Die hadden ook weer de grootste lol om deze besmeurde figuur. Allerlei rottige en schunnige woorden werden hem naar het hoofd geslingerd. Eindelijk kreeg hij dan toch een emmer water en mocht zich gaan wassen.

Die avond zagen wij nog een verheffend schouwspel. In een kleine schuur zaten een twintigtal “Zware Gevallen”, misschien S.S.ers of S.D.ers, dat was niet bekend. Overdag op het veld werken was er voor deze ongelukkigen niet bij. De hele lange warme dag werden zij in dat schuurtje, een oude varkensstal, opgesloten. Kregen echter wel een half brood; van de warme hap waren zij uitgesloten. Aan een zijde van dat kot, was een klep, die door middel van een touw omhoog getrokken kon worden. Dat moest vroeger gediend hebben om de varkens in een buitenkooi te drijven. Die buitenkooi was een modderige vlakte van ongeveer vijf bij vijf meter, afgerasterd met wat roestig gaas. Ook de bovenkant was met dat zelfde gaas bespannen. ‘s Avonds als alle andere gevangenen waren verzorgd en opgesloten, gingen een paar bewakers naar dit varkenskot toe, trokken aan het touw, het luik ging open en de twintig zeer gevaarlijke mannen mochten een voor en naar buiten kruipen en blijven kruipen in die modderige buitenkooi, achter elkaar aan. Zo ongeveer acht of tienmaal rond. Dan werden de geweren of stengun’s door het roestige gaas gestoken en deze “Mensen” werden naar binnen gedreven. Voor deze dag hadden zij hun portie frisse lucht weer gehad. Dit hele schouwspel was zo mens onterend, dat ik, om de bewakers te citeren, die hun zoveelste vroegere kampbeul ontdekt hadden: “Dit mijn verdere leven nooit meer zal vergeten!”

Maar de volgende dag werden ook wij ingezet om de boeren mee te gaan helpen, hun oogst binnen te halen. In de vroege morgen werden aan de buitenzijde van die schuren de grendels weg geschoven. Wij mochten uit die benauwde, broeiende loods komen en buiten aantreden. Dan Appél. Daarna was het een heen en weer geloop •van de soldaten. Zij meesten aan de hand van een appellijst hun konvooi bij elkaar drijven en in een vrachtwagen stouwen. Nog vier wachten er bij en dan weg wezen, den boer op. De rit duurde een half uur. Waar men heen ging was onbekend, De kleppen bleven dicht en wij zagen niets. Een bewaker vroeg ons met enig leedvermaak, hoe het ons in, Hogerheide ging en of we soms klachten hadden over de algemene behandeling? Dit was pure treiterij, dus zwegen we maar. Nu wisten we dan hoe het nieuwe kamp heette, Hogerheide. Dat had men ons bij de feestelijke aankomst vergeten te vertellen. Het kamp was een onderdeel geweest van de Wehrmacht. Vandaar die grote hallen. Wat die bewuste varkenskooi daar deed, begrepen we niet. Maar wij begrepen zo veel niet. Ergens in de grote wijde polders werden we gelost. Onder leiding van de bewaking moesten we nog een kwartiertje lopen. De vracht wagen verdween weer. Bij een wijde uitgestrekte akker stond een boer al ongeduldig op zijn goedkope werkkrachten te wachten. De soldaten werden met een handdruk begroet. Dan keek de boer ons minachtend aan en begon in krakend Zeeuws, of iets dat er op leek, aanwijzingen en bevelen te schreeuwen. Deze hele akker met onkruid moest gewied worden. Tussen dat onkruid groeide ook piepkleine worteltjes. Dus goed opletten, geen worteltjes uit trekken, alleen maar onkruid. De bewakers beloofden oplettend toe te zien, dat dit ook gebeurde. Op onze knieën kropen wij over die hete akker, de hele morgen lang door de gloeiende zon. Ik was blij met mijn strooien dameshoedje en probeerde worteltjes van onkruid te onderscheiden. Onkruid was niet te eten, die kleine worteltjes wel. Die smaakten zelfs bijzonder goed. Natuurlijk was dat verboden. Ook opstaan om even de ruggen wat te rechten was niet toegestaan. Door die eetbare worteltjes waren we enigszins tevreden met ons lot en kropen verder. Omdat wij o zo braaf en gestadig voorwaarts kropen, geloofden het de bewakers wel. Ze lagen onder de enige boom in de omtrek, lekker in de schaduw en rookten sigaretjes. Tegen de middag verscheen die boer weer, met twee emmertjes in zijn handen. Wij werden van de akker weggeroepen en moesten in de houding bij de soldaten komen staan. Zo moesten we toezien hoe zij zich te goed deden, aan de pap, die de gulle boer voor de hulp had meegebracht. Het was, zolang het gesloeber duurde voor ons, verplicht toekijken! Konden de soldaten de pap of soep niet helemaal op werd de rest voor onze hongerige ogen, in de slootkant gegooid. Alle vier soldaten gingen dan wijdbeens over deze heerlijke weggegoten pap, staan zeiken.

“En na deze heerlijke, verkwikkende en voedzame pap, mannen!” brulde een soldaat ons toe, “gaan wij weer verkwikt en gesterkt aan het werk!”. Wij dus terug naar de worteltjes. Zolang die slome wachten niet merkten dat wij van die worteltjes snoepten was er niets aan de hand. Wij maakten wel dat zij er niets van merkten. Om vijf uur kwam de vrachtwagen weer aanrijden, we werden er vermoeid en afgepeigerd, in gestouwd en terug naar het Heropvoedende kamp gebracht voor een half brood, de bedorven aardappelpuree, waar wij ondanks alle goede raadgevingen toch weer geen nee tegen konden zeggen. Dan de was- en schijtbeurt, om daarna in die broeikas, in die afgesloten barak, de nacht proberen door te komen en wat te slapen.

De nieuwe ploeg dacht met weemoed aan het oude en vertrouwde kamp Vucht terug. Maar de toestand hier begon te wennen. Altijd weer konden wij, niettegenstaande de strenge controle en fouillering, allerlei kostbaarheden het kamp binnen smokkelen. Een keer heb ik wat rijpe tarwe aren tussen mijn benen gebonden, maar dat deed ik geen tweede keer. Ik barstte van de jeuk en kon, terug in de vrachtwagen, daardoor bijna niet stil staan. Dan kregen wij op een morgen de opdracht een heel veld met kleine aardappeltjes te rooien. Het was pootgoed voor export. Wij probeerden alles of het ook eetbaar was en die kleine aardappeltjes, vermits niet te veel, waren ruw en ontdaan van de schil inderdaad te eten. Met enige oefening, tussen duim en wijsvinger, kon men ze van de schil ontdoen. At men daar te veel van, kreeg men na verloop van tijd een bittere galachtige oprisping, begon te kokhalzen en uiteindelijk moest men die hele rommel weer uitbraken.

Een gevangene stond zijn ziel uit zijn lijf te braken; hij was te gulzig geweest. Zijn vals bovengebit was mee naar buiten gekomen en lag midden in het uitbraaksel. De toegeschoten wacht was razend. Het was streng verboden om van deze aardappeltjes te eten. Als dan iemand van ons zo plotseling begon te braken, was dat het bewijs, dat men het verbod overtreden had. Opeens zag de soldaat, tussen al dat braaksel het bovengebit van de stumper liggen. Met zijn plompe voeten trapte hij het moedwillig in drie stukken. De doodzieke mam werd dan dwars over de hete kleiakker gejaagd. Kikkeren, robben en kruipen in die gloeiende zon, over die steenharde akker. Totdat de wachter moe van werd zijn slachtoffer over dat hete veld te vergezellen. Toen de man echt niet meer kon, totaal op was, kreeg de liggende figuur nog wat trappen te incasseren. Daarna mochten een paar van ons, onze totaal versufte kameraad, op gaan halen. Deze kastijding, zo meenden de wachten, zou het hele troep wel afleren, om nog van deze veldvruchten te eten. Maar toch, altijd weer, kon men er niet afblijven.

De volgende dag regende het. De lucht zag egaal grijs en het zou de hele dag wel blijven regenen. Wij meenden al de hele dag op onze krib te kunnen liggen. Wat uit te rusten en bij te komen van al dat harde werken. Maar dat hadden wij gedacht; de kampleiding dacht daar anders over. Weer of geen weer; wij waren ingezet om de boer bij het binnenhalen van de oogst te helpen, dus onze en ook de andere vrachtwagens vertrokken met hun lading goedkope arbeidskrachten, Op naar de modderige velden en akkers Maar al gauw vond de chauffeur dat zijn wagen niet verder kon over al die modderwegen. Wij moesten uitstijgen. Eerst nog een drie kwartier door die modder marcheren om bij ons werkobject te komen en met de werkzaamheden te beginnen. Als het vanavond nog zou regenen, moesten we naar het dichtstbijzijnde dorp marcheren, waar de chauffeur met zijn wagen op ons zou wachten. Eerst dus dat marsje over die modderige wegen. Dan uren, op onze knieën, met onze blote handen, door die klei blubber wroetten, om ik weet niet wat voor oogst binnen te halen. Dit tot de middagpauze voor de vermoeide soldatenbewakers. Het enige warms dat we zagen, was de warme soep, die de boer op het middaguur voor het leidinggevende personeel had laten aanrukken. Zoals de regel was, mochten wij het schranzen van die soldaten, netjes in de houding staande, aanzien. En de rest van die soep, de boer was altijd heel gul met deze soep of pap, werd voor onze hongerige ogen in de slootkant gesmeten. “En na deze verwarmende en versterkende hap, gaan wij allen weer verzadigd aan het werk!” plaagden de wachten.

Om vier uur, verkleumd tot op het bot, verstijfd van kou, zeiknat van de regen, met klompen natte klei aan onze knieën en broekspijpen en barstend van de honger, weer terug naar het dorp marcheren, waar de chauffeur met zijn wagen op ons zou wachten. Maar de chauffeur was er nog niet, dus dan maar weer wachten in de stromende regen op een schoolpleintje. Twee bewakers waren bij ons gebleven; de rest had zijn heil gezocht in een of ander cafeetje. Als de bewaking zo uitgedund was, waren de wachten meest wel wat soepeler. Die twee soldaten stonden onder een soort loodsje, in hun zeildoeken driehoek; verveeld een sigaret te roken. “Mannen die zo nodig moeten, kunnen dat nu doen!” werd er geschreeuwd en men wees met een zwaai naar achteren onder dat loodsje, waar kleine jongens pisbakjes waren. In die kinderpisbakjes lagen zomaar weggesmeten, heerlijke korsten Zeeuws tarwebrood. Wel nat en doorweekt en niet van de regen. Maar wat gaf dat. Keek de wacht niet? Nee? Dan graaiden wij de natte stukken korst uit die pisbakjes, geen een bleef er liggen en nog altijd met onze rug naar de bewakers gekeerd stonden wij gelukzalig te genieten van deze heerlijke, ietwat zouterige, natte broodkorsten. Na zo’n miserabele dag was dit toch nog een meevallertje.

‘s Avonds terug in het kamp, na de controle en de warme (bedorven) hap, kregen we een paar emmers water om onze kleding, vooral de broek, wat uit te spoelen. Het was onze enige broek. De klei die overal, maar vooral aan de pijpen en knieën kleefde, zou na een nacht drogen, keihard worden. Onze enige broek, zou de volgende morgen met opgedroogde klei aan pijpen en knieën stijf als een plank en niet meer aan te trekken zijn.

Een burger corveeër uit het dorp Hogerheide, die aan de kampleiding was toegevoegd, had volgens zijn eigen overtuiging een mooi plan. Hij kwam streng, maar toch met een vleugje “Christelijke held” in onze barak en begon ons zijn plan uiteen te zetten. Hij wou uit de aanwezige gevangenen een mannenkoor distilleren, zodat wij op de Zondagen, als wij niet naar de akker hoefden en het dus ook voor ons een Rustdag des Heren was, de kampgeest opluisteren met vrolijk gezang. Hij zou de dirigent zijn. Ook ‘s avonds na gedane arbeid, zouden wij mooi achter een van de barakken, alvast kunnen oefenen. Maar wij toonden geen of weinig belang stelling. Als wij na zo’n repetitie op brood en koffie zouden worden getrakteerd, ja dan. Maar zo ver ging de humaniteit voor de gevangenen niet. Dus het “Zangkoor”, hoe goed ook bedoelt, kwam niet van de grond. Als wij ‘s avonds moe en afgepeigerd in de barakken waren gedreven, hadden we echt de puf niet meer om onder leiding van deze gereformeerde boer wat Psalmen aan te leren en uit te galmen.

Ik wou er uit. Het was hier verdomme nog slechter, dan in de barak 40 a in het kamp Vucht. Overdag werd men op de akker af gebeuld en vernederd. Men kreeg weinig of niets te eten en als men op die akker of op dat veld iets had georganiseerd, werd dat ‘s avonds bij de controle meestal toch weer ontdekt en werden we rot geslagen. In die hete zomerdagen, doodmoe van het zwoegen op die verdomde “bloedakkers”, het appel, de bedorven warme hap, die schijtbeurt op die stinkende latrine werden wij in die gloeiend hete en stinkende barak gedreven. De deuren gingen op slot en tot het middernachtelijke uur, was het in die barak om te stikken. Slapen lukte pas in de nanacht als het wat koeler was. Maar ‘s morgens voor dag en dauw werden wij er weer uitgejaagd en opnieuw ergens op een akker afgepeigerd.

Mijn eerste plan was om er alleen tussenuit te gaan. België kon niet ver af zijn en eenmaal daar zou ik op een of andere manier wel contact met mijn oudste broer opnemen, die mij dan wel ergens in het Edel land der Belgen kon laten onderduiken. In onze loods was nog een jonge man, die de hele avond in die afgesloten loods tussen de kribben op en neer bleef lopen. Haverkamp heette de man en hij was, zo hij mij vertrouwelijk had mede gedeeld, bij “De Standaard Westland” geweest, maar om een of andere reden had men het blauwe cijfertje onder zijn bovenarm niet ontdekt. Van daar dat hij het geluk had gehad om ook te mogen meehelpen bij dat binnenhalen van de oogst. Mensen van een dergelijk merkmaal voorzien, bleven daarvan uitgesloten en kregen de kans niet om wat frisse lucht op te snuiven. Haverkamp woonde ergens in of om Utrecht. Was helemaal in stijl getrouwd met een blauwogige vrouw met blonde haren en had twee kinderen. Hij was vreselijk nieuwsgierig hoe het met zijn vrouw en kinderen was en zou en moest naar Utrecht om te weten te komen hoe het met vrouw en kinderen ging. De verhalen over wat men na de bevrijding met deze vrouwen en kinderen in het zo juist bevrijde Nederland deed, gedaan had, loog er niet om. Vlak voor het einde van de oorlog zat Haverkamp nog in Rusland, maar had er toch veilig uit weten weg te komen. Weer terug in Nederland, in het Zuidelijk gedeelte, het Noorden was toen nog niet bevrijd, was hij toch verdacht geraakt en voorlopig opgesloten. En nu was dat Noorden ook bevrijd en hij had rust noch duur. Hij wou en zou naar Utrecht, al was het maar voor een paar dagen en te weten, hoe het met zijn vrouw en kinderen gesteld was. Als hij dat eenmaal wist, konden ze hem weer opnieuw oppakken en gevangen zetten. Toen ik hem vertelde, dat ik er uit wou, was hij meteen enthousiast en zou mee gaan. Eenmaal buiten het kamp zou hij zijn plan wel trekken. Er uit breken was niet zo moeilijk. Het terrein was wel met de nodige prikkeldraad afgebakend, maar had overal, zoals ik al gecontroleerd had, zijn zwakke plekken. Het terrein, waarop dit concentratiekamp was ingericht lag aan de zuidzijde van het dorp. Zo wij berekend hadden was het ongeveer een half uur lopen van België af. De grootste moeilijkheid was om ongezien uit de loods te komen. Het kostte nog vier dagen om dat allemaal te onderzoeken en uit te knobbelen. Op welk tijdstip die fanatieke soldaatjes hun rondjes liepen en hoelang zo’n ronde duurde. Toen we dat allemaal wisten, zouden wij het de volgende nacht proberen. Uit de loods komen, door de grote schuifdeuren aan de voorzijde, was onmogelijk. Ten eerste stond daar altijd een wacht, voor elke barak een. Maar aan de onbewaakte achterzijde was op manshoogte een soort ventilatie streep, juist breed genoeg om de stank van die latrine in onze slaapplaats te laten doordringen. Maar ook om er zich doorheen naar buiten te wringen. Daardoor zouden wij ontsnappen. Dan een vijftig meter over het duistere terrein sluipen, onder de draad door en wegwezen. Helemaal niet moeilijk en het lukte allemaal wonderwel, totdat. . .

Bij de “draad” een verzamelnaam voor kwistig uitgerolde rollen prikkeldraad, die het hele terrein in liefdevolle omarming hield, moesten we even pauzeren. Waar was die zwakke plek? Toen we die gevonden hadden, kwam juist de wachtsoldaat van zijn ronde terug. Terwijl wij muisstil zaten weggedoken, om die soldaat te laten passeren, sloeg het noodlot toe. Een dikke boerenknol, aan de overzijde van de rollen prikkeldraad, daar waar de “Vrijheid” begon, was nieuwsgierig geworden, naar dat wat daar in het donker toch allemaal gaande was. Hij kwam met plompe hoeven op ons toegeploft. Verrekte rotsik! De wacht hoorde het ook en wist in zijn zenuwen niet het verschil tussen de trage passen van plompe paardenhoeven en de lichtvoetige pasjes van eventuele vluchtelingen. Zien deed hij niks. “Halt; wie is daar? Handen omhoog! Zijn wapen wees in dat nachtelijk duister in de richting van die lawaaimakende knol en tevens in onze richting. Het paard stommelde verder en dat was tegen het bevel: Een salvo barstte los. Het stomme dier werd actief en begon zich in volle galop, van dat schot te verwijderen. En de dappere soldaat achter dat geluid aan, want zo te horen was het halve kamp ontsnapt. “Terug in de barak en vlug!” beet ik mijn kameraad toe; het had verder geen zin. Bij dit “Groot alarm” moesten wij nog voor de troep wachten in de barak terug zijn. En dat lukte. Nog nahijgend van die dolle ren en een heleboel spijt over zo veel verdomde pech, zaten wij enige minuten later weer op onze krib. Juist op tijd, de grote schuifdeuren gingen open en het soldatendom stortte naar binnen. Bij het licht van zaklantarens werd appel gehouden, maar er ontbrak niemand. Dus weer dicht die deuren. Na en paar dagen zouden wij, Haverkamp en ik, het nog eens proberen.

De volgende dag was het 10. Augustus, 1945. Om zes uur ‘s morgens werden de grote schuifdeuren van slot gedaan en open getrokken. “Uittreden! Appel voor de loods!” Groepjes soldaten marcheerden rond, vrachtwagens reden voor en de groepen werden samengesteld om het “oogstfeest” verder te vieren. Het zou een mooie warme dag worden. Iemand met een rang, kwam slaperig uit het wachtlokaal, tevens bureau. Voor onze groep bleef hij staan en grauw geeuwde verveeld: “Paijmans!?” Ik schrok wakker; zou men iets van onze vluchtpoging bemerkt hebben?. Nogmaals grauwde de man: “Paijmans!?” “Hier!” riep ik en maakte een pas voorwaarts. Hij bekeek mij kritisch en laatdunkend. Hij grauwde voor de derde maal: “Vandaag niet mee naar de akker, in de barak blijven!” Dan draaide hij zich om en slofte weer terug naar het bureau. Terwijl mijn kameraden weer in de legerwagens gedreven werden, moest ik terug in de nu lege barak. De grote deur werd achter mij toegeschoven en daar zat ik. In de loods stonk het nog naar zweet en ongewassen lichamen. Er hing een bedompte slaapwarmte. Zou ik ondervraagd worden over die vluchtpoging van deze nacht? Maar waarom Haverkamp dan niet? Of zouden ze hier ook weten, dat ik de “Grote Uitbreker” was? Ik zou alles ontkennen, glashard blijven beweren dat ik nergens niets van afwist. De laatste vrachtwagen met goedkope arbeidskrachten reed het kamp uit. Het was plotseling stil in het kamp. Dan klonk er uit het kleine schuurtje luid geschreeuw en gegil en een dof lachen. Die moeten zeker heropgevoed worden, dacht ik. Als we vannacht niet zo veel pech hadden gehad zouden wij nu, Haverkamp en ik, in België zitten. Of niet? Allemaal gedachten om de tijd door te komen. Na een uur of twee werd er aan het slot aan de grote ingangsdeur gemorreld. De deur schoof open en een brede straal zonlicht viel de loods binnen. “Paijmans!?” brulde iemand. Het was de mislukte dirigent, de burger corveeër Jansen. Lui kwam ik van mijn krib vandaan en liep op de man toe. “Meekomen!” zei hij en zwaaide mij de loods uit. “Vooruit, mee naar het bureau!” Ik zou nergens iets van afweten, noch van een vlucht, noch van iets anders. Op het bureau zat iemand in een soldatenkostuum met een onwaarschijnlijk hoge rang, lui achterover in een stoel. Zijn benen lagen gestrekt op het bureau. Ik moest voor hem komen staan, stram en stijf in houding. Hij keek mij verveeld aan. Ik was benieuwd wat er komen zou. Toen zei hij: “Ga je spullen pakken en zorgt dat je voor tien uur uit het kamp bent, je bent vrij!” Ik trok wit weg en moest even steun zoeken tegen de muur: “IK WAS VRIJ!?!?” Ik kon het nog altijd niet bevatten; “Ik was vrij!?!?”

Als ik alleen zou zijn geweest, zou ik van vreugde zijn gaan janken. “Ik was vrij!” dat ik wilde ik huilen, gunde ik die kerel achter dat bureau niet. “Nou, ga je spullen halen in de barak en meld je hier weer terug. Dan krijg je dit papiertje!” en hij zwaaide met een stuk papier.

Maar ik had geen spullen; alles wat ik bezat, had ik om mijn lijf hangen. Mijn broek met zwemvliezen; mijn colbertjasje; mijn WehrmachtsLaarzen. O ja, mijn hoedje, mijn strooien dameshoedje lag nog op mijn krib en:”Bevel is bevel”. Ik ging mijn spullen pakken. Gapte in een opwelling ergens onder een strozak een plukje shagtabak vandaan en ging terug naar het bureau. “Heb jij nog bezittingen, in beslag genomen bij je aankomst in het kamp hier?” Dat had ik niet, maar ik loog: “Ja, mijn pijp en mijn zakmes!” De burger corveeër slof te naar achteren, kwam terug met een hele doos vol pijpen. De schoonste pijp uit die verzameling was plotseling van mij. Zakmessen waren er wel geweest, maar op een of andere manier “Zoek” geraakt. Dan kreeg ik een klein vodje papier, waarop stond dat ik: Josephus Johannes Paijmans, geboren 12. Juli. 1919 op heden 10 Augustus 1945 uit het verblijfs- en interneringkamp ontslagen was. Verbaasd bleef ik op dat vodje papier staren. Was dat nou alles? Tien lange maanden werd men door een hel gejaagd om dan plotseling, zonder enige uitleg weer te worden vrijgelaten! De man achter het bureau keek verveeld op zijn horloge: “Het is bijna tien uur en om tien uur moet je buiten de poort staan!” Ik vroeg verbaasd: “Hoe kom ik thuis? Krijg ik geen vrij vervoertje? Is er geen geld voor de trein en krijg ik nog wat te eten, mijn half brood voor vandaag?” Maar noch het een, noch het ander kon positief beantwoord worden. Niks kreeg ik, geen vrij vervoertje of geld voor een trein of bus, geen eten meer, ook niet mijn dagelijks half brood. Klok tien uur werd ik buiten het kamp gezet. Ik moest het voortaan allemaal zelf maar uitzoeken. Ik stond niet meer onder de bescherming of het protectoraat van “Het Militaire Gezag”, maar ik had het overleefd, dat wel.

Wat nu? Eerst maar eens naar het dorp lopen en dan verder zien. Na honderd meter had ik wel vijftig peukjes opgeraapt langs de wegkant. Bij elke buiging om zo’n peukje van de grond op te rapen, verwachtte ik eigenlijk een trap onder mijn kont, maar dan wist ik het weer: “Sinds vijf minuten was ik een vrij mens!” Ik smeet die peukjes weer weg. Ik had zelf tabak en een pijp. Hopelijk zou mijn oude kameraad niet te veel herrie maken over dat beetje tabak, dat ik in een opwelling van vreugde bij hem onder zijn slaapplaats had weggenomen (gestolen), hopelijk merkte hij het niet eens. Ik zou mijn eerste pijp in vrijheid gaan roken. Maar ik had geen lucifers. Zou ik die slome boer daar, op die akker om en vuurtje gaan vragen? Liever niet. God weet wat voor vragen hij zou stellen. Ik kwam voorbij een schooltje met een loods met kinderpisbakjes en leunde over het muurtje. De school was aan de gang en ik zag de schooljufrouw soms heen weer door de klas lopen. Ook zag ik in de hoek van de speelplaats een heerlijk stuk Zeeuws brood liggen. De kruim was er uit. Weggepikt door de mussen. Deze heerlijke korstbrood, die daar zo in de zon lag te blikkeren, moest ik hebben. Dus klom ik over dat muurtje en raapte die korst op. Daar lag er nog een en verderop nog een. De schooljuf stond mij van onder de ramen argwanend na te staren. Maar ze kon barsten, alles en iedereen kon barsten. Ik ging verder. Bij de grote weg gekomen sjouwde ik in de richting Rozendaal. Daarna zou Breda komen, dan Tilburg en Oisterwijk. En dan was ik weer thuis. Hoeveel kilometer zou dat zijn? Zestig, zeventig? Als ik flink doorliep kon ik morgen wel thuis zijn.

En eten? Daarover maakte ik mij geen zorgen. Hele velden vol rijpende tarwe, bieten en knolen. En overal hij de huizen en huisjes langs de weg hing het heerlijkste fruit te rijpen. Appels, peren, pruimen en wat al niet meer. Een soldaat in een voorbij rijdende militaire vrachtwagen gooide een brandend peukje sigaret naar buiten en dus had ik vuur voor mijn pijp. In de wegkant lag ik even later mijn eerste pijp in vrijheid te roken. Met mijn handen onder mijn hoofd gevouwen en staarde ik in de blauwe lucht en dacht, ja waar dacht ik aan? Achter mij, meer van weg af, was een Duits soldatengraf. Ik stond op en ging de naam op het kruis lezen. Er lagen wat verdorde bloemen op. Toch nog niet zo lang geleden hier neer gelegd. Waarom en door wie?. Ik moest weer denken aan dat graf in Schijndel, ook een Duits soldatengraf, ook met bloemen, maar wreed en machtswellustig verstoord, vertrapt en geschonden door een soldaat van Oranje. In gedachten nam ik afscheid van dit soldatengraf. “Hij, deze soldaat was voor zijn Vaderland gevallen!” Daar kon men alleen maar eerbied voor hebben.

Het leven voor mij ging verder. Langs de weg stonden wat jonge mannen. Steeds als er een auto voorbij kwam, staken ze hun hand op. Was dat als groet bedoeld of zouden deze auto’s geteld worden? Nieuwsgierig bleef ik staan. Een grote tankauto stopte en als hazen zo vlug kropen de jonge mannen op die tank, naar mij werd ook een behulpzame hand uitgestoken. Zo belandde ik ook op die auto. En verder ging het weer. Richting Rozendaal-Breda. Het ging vlugger en beter als lopen. In Etten-Leur was de auto op zijn bestemming, stopte en wij stegen af. Ik trok verder. Het was een mooie dag. De zon scheen en het was aangenaam warm. Ook als de zon niet geschenen zou hebben, zou dit voor mij een mooie dag geweest zijn. Zulke mooie dagen beleefd een mens niet veel in zijn leven, dacht ik. Tenzij ik nog eens opgepakt werd, weer lange maanden af gebeuld zou worden en dan weer plotseling in vrijheid zou worden gesteld. Hoe zouden mijn kameraden het nu maken? Zou Haverkamp nu alleen proberen er uit te breken? Zouden de mannen verrast zijn, als zij bij terugkeer van de akker, zouden horen, dat ik in vrijheid was gesteld?

Langs de weg stond een eenzame burgerwoning. Het tuinpoortje stond uitnodigend open, maar de voordeur was zo te zien dicht en afgesloten. Naar Brabantse gewoonte ging die voordeur alleen maar open bij trouwpartijen en begrafenissen. Zou ik hier om een glas water durven vragen? Och, als men vervelend ging doen, kon ik weer verder lopen. Dus liep ik achterom. Buiten onder een afdakje zat een vrouw aardappelen te schillen. Een vrouw zo oud als mijn moeder en ook datzelfde goedige gezicht. “Mevrouw heeft U een glas water voor me. Het is zo warm en ik heb dorst!” Ze keek mij onderzoekend aan, over haar bril, naar mijn haveloze kleren. Dan stond ze op, zette de bak met aardappels voor zich op een tafel en slofte naar binnen. Even later was ze weer terug met het gevraagde. Gulzig begon ik te drinken; het deed mij goed. Met een zucht zette ik het lege glas op de tafel. “Waar komde vandaan?” vroeg de vrouw. “Oppassen nu!” dacht ik: ”O van ginder!? Ik wees met mijn hand ergens ver achter mij. “Wil je het niet zeggen?” vroeg ze dan. “Och, liever niet, maar wel bedankt voor het glas water!” Ik wilde weer opstappen. “Ga daar efkes zitten, je ziet er zo moe en hongerig uit. Ik zal een paar sneeën brood voor je gaan afsnijden!” Dat kon ik niet weigeren. Ik ging weer zitten en wachtte maar af. Daar was ze weer met een stapel brood, boter, kaas op een plankje. In de andere hand had ze een kop koffie. Begerig keek ik naar die stapel brood, de kaas, de boter. Ik wilde iets gaan zeggen, maar zij zei: “Eet eerst maar en zeg dan maar wat je kwijt wilt zijn!” Het smaakte mij bijzonder goed, hoe kon het ook anders. Toen ik bijna klaar was, vroeg ze: ”Ben je op weg naar huis, lang weg geweest?” “Nogal, maar ik ben blij dat ik weer naar huis kan gaan!” zei ik. “Alles is voorbij!” “Waar wil je naartoe?” “Ik moet naar Oisterwijk!” zei ik. “Dan moet je de trein in Breda nemen, die lopen weer!” wist ze te vertellen. Ik zuchtte en zei: ”Ik kijk wel wat ik doe!” “Heb je geen geld?” “Doe maar geen moeite; ik kom er wel!” “Waarom zou ik jou niet mogen helpen? Ik ken je niet, maar je hebt wat hulp nodig, zo is het toch? Ik zal je niet vragen, waarom je het moeilijk hebt gehad; dat gaat me niks aan, maar laat mij jou die paar gulden toch geven, zodat je met de trein naar huis kunt!” En dan zachtjes, meer tegen zich zelf: “Wij hebben ook al lang niks meer van onze Jan gehoord, we weten zelfs niet of hij nog leeft. Zijn laatste brief is een jaar geleden naar ons toegestuurd.” En het zijn altijd de moeders, die met het verdriet en de zorg achterblijven, van welke kant je het ook bekijkt. Ik hoop alleen, dat hij iemand zal treffen, die hem verder helpen zal, als hij moe is en honger heeft. Wat hij dan ook voor verkeerds gedaan mag hebben!”

Wij hoefden verder niets meer tegen elkaar te zeggen, wij begrepen elkaar. En ik moest twee papieren rijksdaalders aan nemen, daar stond ze op. Ik ging weer verder en wenste deze vrouw een goedendag en bedankte haar voor de goede zorgen. “Kop op me vrouw, alles sal regt kom!” Meer wist ik op dat ogenblik niet te zeggen, tegen deze moeder van een zoon, die, wat hij dan ook gedaan mocht hebben, altijd haar zoon zou blijven. In Breda aan gekomen ging ik naar het station en nam de trein naar Oisterwijk.